← Table of contents
Studiën in Nederlandsche Namenkunde

VII DE HEL IN FRIESLAND.

Reading edition

De oude Germanen in het algemeen, en dus ook de oude Friezen, hadden in hunnen heidenschen tijd eene voorstelling van de hel, van de plaats waar de onzalige geesten of zielen verblijven, als van een duister, koud en vochtig oord. Zij dachten zich deze plaats, deze hel (reeds door hen aldus genoemd) als een groot hol ergens in het binnenste der aarde, onder de wateren. Holen en spleten en kloven in bergen en rotsen, geheimzinnige bronnen (in de bergachtige streken), of, in de lage landen aan zee, gelijk Friesland er een is, diepe, schier onpeilbare putten met water gevuld, diepe poelen of kleine meerkes, of ook diepe kolken in stroom of zeegat, waar de golven bruisten en de stormwind loeide, gaven, naar hunne meening, toegang tot het onzalige oord. Dat waren de helsdeuren, en de randen van zulken put, de boorden van zulken poel, waren de randen, de boorden van de hel.

Deze voorstelling uit het heidendom kon eerst langzamerhand door het Christendom uit de gedachtenis der lieden verdrongen worden. Ja, nog heden vindt men, overal in Germaansche landen, de sporen van die oude voorstelling, de herinnering aan die heidensche denkwijze in de namen, aan sommige plaatsen eigen. Ook in Friesland ontbreken die niet.

Het woord of de naam hel is toegepast geworden, in verloop van tijd, op de putten, poelen, meertjes, stroomen, die oorspronkelijk slechts als helsdeuren, als toegangen tot de eigenlijke hel beschouwd geweest waren. En als later nevens zulk eene zoogenoemde hel een stins werd gebouwd, eene sate gesticht, of ook eene buurt of zelfs wel een dorp ontstond, dan ging die naam hel ook op die stins, die sate, die buurt, dat dorp over. Zoo bestaat daar nog heden ten dage eene sate in het Heidenschap onder Workum, die de Hel heet, en daar nevens eene andere, de Lytse Hel, Kleine Hel genoemd. Oudtijds was daar nabij deze sate een poel, gelijk daar nog heden zeer velen in die krite gevonden worden. Aan dien poel, sedert drooggelegd, kwam van ouds en eigenlijk die helnaam toe, als helsdeur of toegang tot de hel.

Daar woonden dan in heur cleyn cloisterkyn die vrome, nederige zusterkens van Sinte-Ursula, de donkere, grove wollene pij in breede, zware plooien om de slanke leest, de witte huive het hoofd omhullende, liefde, vrede en eenvoud als weêrspiegelende in hare stille, liefelijke gelaatstrekken; en zij brachten, in begeesterde toewijding, door leer en leven, „de Blijde Boodschap” in de hutten en de harten der ruwe, schier nog heidensche landzaten. Daar klonk het fijn tinkelende kloosterklokje over de woeste vlakte en over de donkere, diepe poelen, en noodde het volk tot zonden-belijdenis en gebed. Ook dit is voorbij gegaan. Maar nog heden bewaart eene sate, daar ter plaatse, naam en gedachtenis aan it lytse kleasterke fen Sinte Orsele. En nog heden draagt hier of daar eene enkele Friezin den naam der Heilige Ursula, zij het dan ook in de verbasterde, schier onkenbare vormen Orseltsje en zelfs Osseltsje.

Niet verre van de Workumer-Hel is nog een poel, die den wel wat bijzonderen naam draagt van De Liachte-Mar, de Lichtemeer. Of deze naam ook in eenig verband (of tegenstelling?) staat met dien zwarten helnaam, kan ik niet beslissen, maar acht ik wel waarschijnlijk.

Intusschen, wij moeten nog verder terug uit het licht tot de duisternis, uit het Christelijke klooster naar de heidensche hel.

Eene andere hel bestaat er, of bestond er, in de Trynwouden, nabij het dorp Oudkerk. Welk van de vele poeltjes daar in den omtrek in het veld verspreid, van ouds voor de eigenlijke helsdeur is gehouden geworden, weet men nu niet meer. Maar het gehucht Helbird aldaar, dicht bij Oudkerk gelegen, maar ambtelijk tot Roodkerk behoorende, houdt die oude hel in aandenken. Helbird (Hella birda), heden ten dage, en reeds in de vorige eeuw veelal verkeerdelijk als Healbird geschreven (alsof het Halfboord of zelfs Halfbaard ware)—Helbird beteekent eenvoudig de bird, de boord, de oever, de rand van de hel.

Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de namen der twee dorpen, die het naaste bij deze Trynwouder-hel liggen, in verband staan met dat oud stuk heidendom. Oudkerk als de oudste, de eerste, langen tijd de eenige Christenkerk in deze Wouden, reeds vroegtijdig of terstond na de invoering des Christendoms in dat oord, juist dáár gesticht als tegenwicht tegen het heidendom, dat daar, bij dat helle-oord, bijzonderlijk in bloei stond.

En Readtsjerk of Roodkerk, als Christelijke tegenhanger tegen de zwarte hel der heidenen, gelijk Readhel, Reahel, Rahol of Rohel, waarvan verder in dit opstel sprake zal zijn.

Eene derde hel was er, of is er, in Ferwerderadeel, alweêr in het lage land, onder Hallum, in de zoogenoemde Hallumer-Mieden. Daar heet nog een stuk land, zekerlijk vroeger een poeltje, de Hel; en een ander in de nabijheid, door een dijkje half omgeven, en hierdoor nog zooveel te meer het voorkomen van een droog gelegd poeltje vertoonende, draagt nog den vollen ouden naam van de Helsdoar, de Helsdeur.

De naam Helsdeur komt ook nog voor in het naburige gewest West-Friesland, bewesten Flie. Hij is aldaar eigen aan eenen fellen stroom, in het groote West-Friesche zeegat tusschen het eiland Texel en den hedendaagschen vasten wal van Noord-Holland, ook door de Friesche zeelieden steeds de Helsdoar genoemd. (Halbertsma, Lexicon frisicum, bladz. 407). En ook in den naam van De(n) Helder (Heldoar, Hella-dora), eene zeer oude buurt aldaar aan den vasten wal, die thans wel eene stad mag heeten, is een toegang tot de onderwereld nog te herkennen.

Verder op in Holland en in andere Nederlandsche gewesten (Hel of Maasmond, door de Romeinen tot Helium verlatijnscht—Hellevoet, den Briel of Brielle—Brie-Helle, de Breede Hel? enz. enz.) zullen wij de helnamen maar niet vervolgen, maar tot Friesland weêrkeeren.

Eene bijzondere helleplaats bestaat er nog in Wonseradeel, tusschen de dorpen Pingjum, Witmarsum en Wons. Daar draagt een laag gelegen stuk land, waar in oude tijden eene kolk was, nog heden den naam van Okkehel, Okke-Hel, de hel van Okke, van den man die Okke heette. Die kolk was eertijds uit zee, uit het Flie, toegankelijk, en diende als haven van Pingjum. En die Okke was een zeeman, een ruwe heiden, die vloekte en God lasterde, en die, tot straf daarvoor, met zijn schip, door den bliksem diep in die kolk werd weg geslagen, zoodat hij, door die hellepoort, onmiddellijk ter helle voer. Zoo bericht ons nog heden de sage, aan deze overoude plek verbonden. Deze sage is door den Frieschen dichter Salverda in dicht gesteld (Scipper Ocke, in Salverda’s Hiljuwns Uwren—Ljeauwerd, 1858), en door S. Koopmans nader beschreven, en van geschiedkundige aanteekeningen voorzien (De Middelzee in verbinding met den Fliestroom langs Bolsward, in den Friesche(n) Volksalmanak voor 1890, Leeuwarden). Nog in deze eeuw werd het aandenken aan deze sage levendig gehouden door een paaltje, dat midden in het stuk land De Okkehel, in den grond gedreven stond. Dat was voor de kinderen en eenvoudigen van harte (liefelijke zielen in deze eeuw van ontkenning!) nog het topje van den mast van Okke’s schip.—

Is daar niemand, die zulk een paaltje daar weêr herstelt? Eene zichtbare, tastbare prediking zoude ’t den volke weêr zijn, over het derde gebod des Heeren:

„Gy en sult den name des Heeren uwes Godts niet ydelick gebruycken; want de Heere en sal niet onschuldigh houden, die synen name ydelick gebruyckt.”

De sage spreekt van overoude tijden, toen het heidendom in Friesland nog geenszins ten volle door het Christendom vervangen was, en dit maakt den heidenschen oorsprong van dezen hellenaam zooveel te zekerder.

Volgens eene aanteekening bij genoemd opstel van Koopmans, op bladz. 127, zoude het woord hel, in den naam Okkehel, hil of heuvel beteekenen; eene duiding, waar mede juist de lage, holle ligging van het stuk land, waaraan nu nog den naam van Okkehel gehecht is gebleven, in zichtbare tegenspraak is. Trouwens, dit wordt ook in die aanteekening erkend. Maar de duiding hel als waterkolk stemt overeen met de nog hedendaags zeer duidelijk waarneembare gesteldheid van den bodem daar ter plaatse.

In den bijzonderen tongval van de Friesche taal, gelijk die in den Zuidwesthoek van Friesland gesproken wordt, en die oudtijds over geheel het land bezuiden Bolsward en Sneek, en bewesten de Joure verspreid was, terwijl die eigenaardige uitspraak heden ten dage hoofdzakelijk slechts tot Hindeloopen, in mindere mate tot Molkwerum, Workum en geheel de Hemelumer-Oldefert en Noordwolde met Gaasterland beperkt is,—in dat zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesch luidt, in menig woord en naam, de e als o. Zoo heeten de lieden daar Jolle en Joltsje, ook Jolmer, Jottsje, enz.; die elders Jelle en Jeltsje, Jelmer en Jetse heeten, en het Gaasterlandsche dorp Sondel heet in de gewone, algemeen Friesche uitspraak Sindel, dat is eigenlijk Sendel. Zoo spreekt of sprak men daar van spjolde, fjold, kjolt, jolne, van kol en dol, van sotte en notten, van fon, enz., terwijl men in het middengedeelte, in het Noorden en Oosten van Friesland deze woorden als spjeld, fjild, kjeltme, jelne, kel en del, sette en (fisk)-netten, als fenne of finne uitspreekt. Deze zelfde uitspraak geldt ook voor het woord hel, dat in het Oud-Zuidhoeksch als hol luidt. Zelfs Gysbert Japicx gebruikt het woord hel nog in dien vorm, ’t welk niet vreemd is als men bedenkt dat die uitspraak in de zeventiende eeuw nog in zwang was in het zuidelijke deel van Wonseradeel, tot Bolsward toe. Zoo dicht hij:

Dear me opslingret oonne wolcke,

In fen dear delduwckt ynn’ kolcke,

Deze oude woordvorm vinden wij dan ook nog heden terug in sommige plaatsnamen van Zuid-westelijk Friesland, volkomen in de zelfde beteekenis als in de hellenamen uit het overige deel des lands, hier voren reeds vermeld.

Opmerkelijk is het, dat wij dus, zoo noordelijk en oostelijk als Grouw gelegen is, die oude uitspraak van hel als hol nog aantreffen, eene uitspraak die daar ter plaatse en in den omtrek thans geheel niet meer voorkomt noch bekend is. Immers in de zeventiende eeuw moge zij zich tot Bolsward en Sneek hebben uitgestrekt, benoorden en beoosten die steden werd zij toen ter tijde, en zeker eeuwen vroeger reeds niet meer gehoord.

Bezuiden Sneek komt nog heden een bijzondere hellenaam voor, eene aardige weêrga van de Heldoarren bij Birdaard en bij Hallum. Dat is de Holpoarte, de Hellepoort, zooals eene sate heet, die al weêr in een waterrijk oord, even benoorden het dorp Jutrijp gelegen is. Daarnevens is nog een poel, heden ten dage de Holpoartepoel geheeten. Deze poel is ongetwijfeld, in de meening der heidensche Friezen, de eigenlijke Hellepoort geweest; maar de naam is van het water, van den poel overgegaan op de sate, op het huis dat later daar nevens is gesticht geworden, juist zoo als ook bij de Workumer-Hel en elders heeft plaats gegrepen.

Ik vond ook nog een oude hellenaam, die thans niet meer bekend is, naar het schijnt; te weten: de Skraerder-Hol of Schraarder-Hel, in eene oorkonde van den jare 1543 Scraerdera hol genoemd, in Wonseradeel, tusschen Pingjum, Surich en Wons.

Sedert het heidendom onder de Friezen plaats gemaakt had voor het Christendom, kreeg ook eene andere voorstelling van de verblijfplaats der onzaligen ingang bij het volk. Hadde men tot dusverre die verblijfplaats zich gedacht als een duister, koud en vochtig oord, de Christelijke voorstelling is die van eenen vuurpoel, hevig en onophoudelijk brandende. Onder het heidendom had men gesproken van „de zwarte hel”; de Christenen spraken voortaan van „de roode hel, reade hel, rade hol, rea’ hel of ra’hol.” En sommige reeds lang bestaande oude helnamen kregen sedert dit voorvoegsel rood, read, ra onafscheidelijk bij zich, alsof men daarmede de oud-heidensche voorstelling verwierp, de oud-heidensche hellenaam verkerstelijkte. Zoo heet nog heden ten dage eene sate nabij Bolsward gelegen, onder den Klokslag dier stad, voluit de Reade Hel, Roode-Hel; en ook de Workumer-Hel wordt wel zoo genoemd. En deze zelfde naam, meestal in den versletenen vorm Reahel, Nederlandsch Rohel, is nog aan verschillende andere plaatsen eigen. Vooreerst aan een dorpje dat aan de Tjeukemeer ligt, in den zuidwestelijken uithoek van Schoterland. In het Zuidhoeksche Friesch, dat oudtijds ook tot hiertoe zijn gebied uitstrekte, heet dit plaatske Rahol, en het draagt ook wel den naam van Nyegea of Nijega. Dan aan een gehucht bij Augustinusga; de poel daar ter plaatse, die oorspronkelijk den naam Reahel droeg, was in de vorige eeuw nog aanwezig, maar is sedert gedempt. Eindelijk is er nog eene sate onder Slappeterp, die Reahel of Rohel heet.

De laatste der mij bekende Friesche hellenamen is die van de Fetsehol. Dezen naam draagt een poel of een meertje, gelegen in het Noorden van Doniawarstal, tusschen Langweer en Uitwellingerga, aan de samenvloeiing van vier stroomen, de Geeuw, het Slingerrak, het Stobberak en de Langweerder-vaart; alweêr in een zeer laag gelegen en waterrijk oord.

Deze naam Fetsehol brengt mij geleidelijk tot eene kleine, bijzondere groep van Friesche plaatsnamen, die eveneens met water in verband staan, en die ik hier nog even, als ten slotte, nader wensch te behandelen. Immers hebben wij dien naam Fetsehol niet te beschouwen als samengesteld uit den mansnaam Fetse en het woord hol of hel, zooals bij voorbeeld de plaatsnaam Okkehel wel uit den mansnaam Okke en het woord hel bestaat, en niettegenstaande Halbertsma, Lexicon 411, Fetsehol vertaalt met Fetsii inferi. Neen—maar Fetse heeft hier eene gansch andere beduidenis, te weten: die van bron of wel, plaats waar water uit den bodem opwelt. Dit woord is Oud-Friesch, en, in algemeenen zin, bij de hedendaagsche Friezen niet meer bekend noch in gebruik. Trouwens, bronnen, wellen, in de eigenlijke beteekenis dezer woorden, zijn in de lage landen, waaruit Friesland hoofdzakelijk bestaat, dan ook zeldzaam. Wel vindt men overal in Friesland zoogenoemde welputten; maar dit zijn geen ware bronnen, waar het water diep uit de aardlagen naar boven zoude komen. Integendeel, het water dat in die welputten staat is bijna altijd maar zakwater, water dat van de oppervlakte der aarde naar beneden in eenen kunstmatig gegraven put of kuil, door de bovenste aardlaag heen gesijpeld is. Toch zijn er enkele ware bronnen of wellen, bornputten of welputten in Friesland. Men denke hierbij echter niet aan bronnen, gelijk die in bergachtige landen uit de spleten en kloven en holen der rotsen en berghellingen springen en vloeien; maar aan diepe putten, ’t zij dan kunstmatig met muren van baksteen ingevat, ’t zij open en bloot in het veld liggende. Men kent deze bornputten aan de eigenaardigheid dat het water, ’t welk zij bevatten, van bijzonder zuivere hoedanigheid is, en ook in den droogsten zomertijd niet vermindert, veel min nog opdroogt, maar steeds aanwezig blijft, hoe veel men daar ook van gebruiken moge. Het schijnt dat men zulke bornputten, zulke borndobben in het Oud-Friesch bij voorkeur met den naam van Fetsa of Fetse heeft bestempeld. Dit woord hangt ongetwijfeld samen, of is oorspronkelijk één en het zelfde met het Noord-Friesche woord fething, ook, volgens sommiger uitspraak fäthing of fäding geschreven (de th lispelend, als in het Engelsch, uit te spreken). Maar al is fetse en fething van oorsprongswegen één en het zelfde, het laatstgenoemde woord heeft nu toch in Noord-Friesland eene gewijzigde beteekenis erlangd. Immers zoo noemt men aldaar nu eene opene kuil of dobbe in het veld, vooral voorkomende op de zoogenoemde Halligen of onbedijkte eilandjes in de Noord-Friesche Wadden. Die fethingen zijn ten deele met regenwater, ten deele ook met zakwater gevuld, maar zijn geen bronnen of wellen. Zij voorzien op die kleine eilandjes, rondom open in de zoute zee liggende, mensch en vee van zoet drinkwater. Ook de overoude en bekende, met sagen versierde Sapskuhle op het eiland Helgoland is zulk eene fething. In sommige dorpen op het Zeeuwsche eiland Zuid-Beveland zag ik opene waterkommen, van tamelijken omvang, midden op het dorpsplein; zij dienen den ingezetenen tot allerlei gerief, als waschplaats voor wagens en landbouwgereedschappen, als paardewed, enz., misschien ook wel, in tijd van nood, om drinkwater te verschaffen, en dragen den naam van „væte”. Op het eiland Over-Flakkee zag ik eene ruime en diepe, opene waterkom, bij het dorp Dirksland, benoorden de dorpsbuurt, aan den voet van den linker-havendijk, gevuld met zuiver en zoet water, niettegenstaande het water in de haven, vlak daarnaast, zeer brak is. In den zeer drogen zomer van het jaar 1893 voorzag deze „fetse”, door de omwonenden „’t væætje” (in verkleinvorm) genoemd, den Dirkslanders en andere eilandbewoners ver in den omtrek, volop van drinkwater voor mensch en vee. Ongetwijfeld hangt deze Zeeuwsche benaming „væte” of „væætje” samen met de Friesche woorden fetse en fäthing. Trouwens, het woord vat, Friesch fet, in algemeenen zin een voorwerp beteekenende, dat eene holte omvat, is zekerlijk de stam, waaruit deze verschillende woorden en woordvormen gesproten zijn. Fetse is dus eigenlijk fet-tse, verkleinvorm van fet, letterlijk het zelfde als het Flakkeesche woord „væætje”, vaatje.

De eerste is de vermaarde Sint-Bonifacius-bron of -fontein, eene opene dobbe in een weiland even buiten de Woudpoort te Dokkum. En de tweede is de Fetse, als bij uitnemendheid zoo genoemd, een weinig minder vermaarde bron midden in de stad, op de kruin van de terp, waarop Sint-Martens-kerk gebouwd is, nabij het koor, dus ten oosten van die kerk gelegen, en nog heden daar aanwezig, vroeger als een opene put, thans gesloten, gedekt, en met eene pomp voorzien. Zonder twijfel zijn deze twee Dokkumer bronnen van hoogen ouderdom en reeds voor duizend en meer jaren, als de Friezen nog heidenen waren, bekend en in gebruik geweest, waarschijnlijk wel als plaatsen waar godsdienstige plechtigheden gehouden werden. Ook bij den tempel van Fosete, een der afgoden van de Friezen in hun heidendom (’t zij die dan op ’t eiland Ameland of op ’t eiland Helgoland—de Sapskuhle?—bestond), was zulk eene heilige bron.

De eene Dokkumer bron is bijzonderlijk door den Apostel der Friezen, door den Heiligen Bonifacius, als ’t ware gewijd, gekerstend geworden. De overlevering doet die bron op wonderdadige wijze ontstaan of eerstmaal opborrelen onder den hoefslag van het ros, dat de Heilige bereed. Ik vermoed dat men op deze wijze het heidensche karakter aan de bron heeft willen ontnemen, maar dat deze welle zelve veel ouder is. De dwaze volksmeening, dat de naam Bonifacius eigenlijk in het Friesch „goede Fetse” zoude zijn (Fetse komt nog heden als mansvóórnaam onder de Friezen voor), heeft misschien eenen grondslag in het woord fetse, waarmede men destijds ook wel deze bron zal hebben genoemd. Intusschen, de mansnaam Fetse en het woord fetse, bron, staan, in taalkundigen zin, in geenerlei verband met elkanderen.

Een tweede fetse bestaat er nog heden in West-Dongeradeel, waar eene sate dien naam draagt (de Fetse), zuidwaarts van den dorpe Ternaard gelegen, aan de Tsjettelfeart of Ketelvaart, ook een naam, die eenen oud-heidenschen oorsprong (van den offerketel?) vermoeden doet. Deze naam Fetse vindt men ook wel als Fetze, Fedse, Fedze gespeld, en, volgens de bijzondere uitspraak der Donger-Friezen, als Fitse; op de kaart van Schotanus, Fitze. Eene tweede hofstede, nevens de eigenlijke Fetse gelegen, doet beide saten als een gehucht zich voordoen, waaraan men den naam van Fetse- of Fitsebûrren geeft, evenals ook te Dokkum de naam van de Fetse overgegaan is op de straat, die daar langs loopt, en die als de Fetse of de Fetsestraat (bij Schotanus „op de Fetze”) bekend is.

De derde fetse is te Dronrijp: eene oude state, even benoorden de Tsjerkebûrren aldaar gelegen, en, in geijkten zin, meestal in den Oud-Frieschen vorm als de Fetsa of Fetsa-state voorkomende. En de vierde fetse is te Siksbierum; maar hier af weet ik geen nader bescheid.

Zeer zeker hebben de sate te Ternaard en de state te Dronrijp hare namen aan zulke fetsen of bronnen ontleend. Of die fetsen, misschien in den vorm van oude, diepe bornputten met eenen onuitputtelijken voorraad van zuiver drinkwater nog bij die plaatsen aanwezig zijn, is mij niet bekend, maar acht ik wel waarschijnlijk. Anderen, die daar beter toe in de gelegenheid zijn dan ik, mogen dit onderzoeken, en ook verder nog veel betreffende de hel-, hol- en fetsenamen in Friesland aan het licht brengen. Want ongetwijfeld valt hier nog een schat van merkwaardige zaken uit den overouden tijd na te vorschen en op te diepen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings