Note 5 — VII DE HEL IN FRIESLAND.
Reading edition
Zoo heb ik de zelfde poelen en de zelfde saten in het Workumer-Heidenschap, die men thans de Hel en de Lytse Hel noemt, in eene oorkonde uit het begin der vorige eeuw gevonden als Hol en Lyttick Hol. Verder maakt dit woord hol deel uit van de samengestelde namen Hollegrêft, dat is de Hellegracht, zoo als een vaarwater heet tusschen de Geeuw en de Dolte (Delte), onder Uitwellingerga; de Hollebrekken (een naam dien men als Hellebroek zoude kunnen verhollandschen; broek, brekken = moeras of gebroken land), een poel onder Wijkel, en na bij Slooten5 gelegen; de Hollemar of Holmar, Holle- of Hellemeer, vaarwater van Workum naar de voormalige Workumer-meer, eigenlijk het verlengstuk van de Diepe-Dolte te Workum. De zeer oude, diepe gracht die het Sint-Pieters-kerkhof te Grouw omringt, draagt den naam van Holsgrêft. Door den grooten Frieschen taalgeleerde Dr. J. H. Halbertsma, wordt deze naam te recht geduid als infernus canalis, de gracht der onderwereld, de hellegracht, even als ook de bovengenoemde Holmar door hem als infernus lacus wordt overgezet.6 De plaats, waar zekerlijk reeds terstond of althans vroeg na de invoering des Christendoms in Friesland de Sint-Pieters-kerk gesticht werd aan den oever van den Grouwstroom, was hoogst waarschijnlijk reeds onder het heidendom eene geheiligde plaats geweest, gelijk dit met vele oude kerkplaatsen in Friesland en elders het geval is; bij voorbeeld, met de stede waar oudtijds de Sint-Vitus-kerk stond en waar thans nog de toren van Oldehove te Leeuwarden staat; met de terp waarop Sint-Martens-kerke te Dokkum gebouwd is, enz. Dit maakt de duiding van Halbertsma, Holsgrêft = Hellegracht, zooveel te aannemelijker.