VI DE NAMEN DER INGEZETENEN VAN LEEUWARDEN ten jare 1511.
Reading edition
De oorsprong, de beteekenis van zeer velen onzer hedendaagsche namen is onduidelijk, ja vaak, in schijn, volkomen onverklaarbaar. De oorzaak daar van is hier in gelegen, dat de hedendaagsche vormen der namen veelal zeer verbasterd, ontaard, ingekort, ook door onwetende schrijvers in hunne spelling verknoeid, schier onkenbaar gemaakt zijn. Met de Friesche namen is dit vooral en in sterke mate het geval. Dies is de kennis van de oude en oudste, van de oorspronkelijke, volledige of althans slechts weinig verkorte, weinig versletene vormen onzer namen, gelijk die in oude oorkonden uit oude tijden ons overgeleverd zijn, ons dringend noodig, zoo wij een helder inzicht in den oorsprong en in de beteekenis onzer namen ons willen eigen maken. Gelukkig vloeit die bron onzer kennisse niet zuinig—gelukkig leveren vele oorkonden die ons ten dienste staan, het zij dan in ’t oorspronkelijke, het zij in afschrift of in afdruk, ons eenen waren schat op van de doopnamen, de vadersnamen of patronymica en de maagschapsnamen onzer voorgeslachten, en van hunne woonplaatsen, in steden en dorpen, in huizen, burchten en stinsen, staten en saten, van akkers en weiden, enz. enz. Zulk eenen rijk beladenen boom van kennisse vinden wij onder anderen in de zoogenoemde „Registers van den Aanbreng”, die in vier deelen, ten jare 1880, door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde zijn uitgegeven, en die uitgebreide lijsten bevatten van de bebouwde en onbebouwde eigendommen, huizen en landerijen, in sommige steden en grietenijen van Friesland, met de namen der eigenaars of der pachters en huurders daarbij. Die registers, opgesteld door de regeering tot regeling der belasting, zijn van veel belang voor den taal- en naamkundigen navorscher in het bijzonder; maar eveneens in het algemeen voor iedereen die belang stelt in de kennis van het leven onzer voorouders, van de omgeving en van de toestanden waar in zij verkeerden. Zij vormen inderdaad eene leerrijke bladzijde in het boek van de beschavingsgeschiedenis der Friezen in het begin der zestiende eeuw, in een belangrijk tijdsgewricht dus, toen daar nog geen sprake was of gedachte van de groote omwentelingen op kerkelijk en staatkundig gebied, welke die 16de eeuw in haar verder beloop gekenmerkt hebben—een tijdsgewricht dat nog ten volsten gerekend moet worden als tot de middeleeuwen te behooren.
De persoonsnamen, voorkomende in een dezer „Registers van den Aanbreng”, te weten: in dat der stad Leeuwarden, willen wij als het onderwerp onzer beschouwing nemen.
De personen, die in dat Register genoemd worden als eigenaars van landerijen, gelegen onder den zoogenoemden „Klokslag” of het rechtsgebied der stad Leeuwarden, of ook als pachters en anderszins gebruikers daarvan, of als eigenaars en als huurders en anderszins bewoners van huizen binnen de wallen der Friesche hoofdstad, behooren tot allerlei rang en stand. Wij vinden daaronder zoo wel de aanzienlijkste en de rijkste edellieden als de armste bedelaars vermeld, zoo wel de aanzienlijke regeeringsambtenaren als de kleine handwerkslieden, zoo wel de groote kooplui en neringdoenden als de geringste daglooners, zoo wel de eerwaarde geestelijken, hoog en laag, en de deftige geleerden, als de beoefenaars der schoone kunsten—kortom de gansche bevolking der stad, rijk en arm, groot en klein. Bij de beschouwing van de namen al dezer personen valt in de eerste plaats op te merken, dat slechts de edelingen ware geslachts- of maagschapsnamen dragen, de aloude patronymica, in bijzonder Friesche vormen, die van zeer oude dagteekening zijn, en vermoedelijk nog wel uit den Heidenschen tijd des volks stammen; bij voorbeeld: de namen van Frans Mennama (Minnama), Tiard Burmannie (in onze hedendaagsche spelling Tjaard Burmania), Peter Kamminga (Cammingha) en anderen. Maar de onedelen, al waren het ook zeer aanzienlijke lieden, hadden in 1511 te Leeuwarden nog geene vaste geslachtsnamen, zoo min als ergens in de Friesche gewesten. Of, zoo zij, als bij uitzondering, wel zulke maagschapsnamen hadden (en dit was in der daad met vele eigenerfden ten platten lande het geval, en ook met sommige oud-ingezetene geslachten in de Friesche steden), dan voerden zij die namen in het dagelijksche leven toch niet. Zij worden dan ook niet onder hunne maagschapsnamen, die even als de geslachtsnamen der edelen bijna uitsluitend Oud-Friesche patronymica zijn, in ons register vermeld. Waar, als bij groote uitzondering, een onedele met eenen waren of schijnbaren geslachtsnaam genoemd wordt, blijkt het, juist uit den vorm van dien naam, dat die man geen Fries—dat hij een vreemdeling was; bij voorbeeld: Thomas Schleyswick, Jan Hollander, Geert van Dorsten.
Feitelijk bestond in 1511 te Leeuwarden de zelfde toestand, die tot in onze dagen vooral ten platten lande in Friesland heeft voortbestaan; namelijk, dat men iemand noemde bij den doop- of vóórnaam, en dan, ter onderscheiding van andere, gelijknamige personen, den vadersnaam in den tweeden naamval, dus als een waar patronymicum, daar achter voegde—terwijl men den eigenlijken geslachtsnaam geheel verwaarloosde. Ja, dit gebruik in de benaming heeft nog tot in onze dagen onder de Friezen stand gehouden. Menig man wordt nog heden door de lieden in zijne omgeving nooit anders genoemd als bij zijnen doop- of vóórnaam (dat is eigenlijk ook de naam bij uitnemendheid) en zijn vadersnaam daar achter; bij voorbeeld: Tsjalling Hiddes, Folkert Oenes, Hoatse Sjuks, enz. De geslachtsnaam Algra, Romkema, Brongersma, of hoe ook, blijft dan volkomen buiten spel, en schijnt slechts in aanmerking te komen, als de volle naam, in geijkten zin, geschreven worden moet. Zoo gebeurt het nog wel heden, dat men, op de vraag naar den naam van dezen of genen man—ho hjit er?—ten antwoord bekomt: Sjirk Obbes, of Fokke Franks, of Hayo Rommerts, zonder meer. Wil men daarenboven den geslachtsnaam van dien man weten, dan moet men vragen: ho skriuwt er him? Eerst daarop wordt dan Andla, Homminga, Weerstra of eenige andere maagschapsnaam ten antwoord gegeven.
Ter nadere onderscheiding van zulke éénnamige lieden, en zoo men daartoe geen gebruik wilde maken van het gewone redmiddel in zulke gevallen, het bijvoegen van den vadersnaam, had men eenen bij- of toenaam noodig. Zulke namen vinden wij dan ook in het register vermeld, als Groote Jeldert, Olde Wybrant, Witte Dirck, Blynde Gertza, enz. Deze bijvoegsels tot den naam zijn gereedelijk te verklaren; ze zijn nog heden wel in gebruik, b.v. Blyne Bauke, Greate Hantsje, Lytse Sipke, Reade Tsjerk, enz. Bij de benamingen van Nye Gerryt en van Leeuwerder Jelle is die verklaring niet zoo gereedelijk. Was die Gerryt (nog heden wordt deze naam in het Friesch uitgesproken als Gerryt, met duidelijk hoorbaren, zuiveren, openen i-klank in de tweede lettergreep)—was die Gerryt ny, nieuw, te Leeuwarden komen wonen en had die omstandigheid aanleiding gegeven tot zijnen bijnaam? Maar waarom Jelle, te midden van duizenden Leeuwarders levende en wonende, in het bijzonder den toenaam van „Leeuwerder Jelle” verdiende, blijft mij een raadsel.
De onderscheiding met oud en jong, waarvan Olde Wybrant ons een voorbeeld geeft, ligt, bij twee gelijknamige personen, bijzonder voor de hand. Wij vinden die onderscheiding dan ook herhaaldelijk in het register toegepast; bij voorbeeld, bij Olde Peter Symonsz en Jonge Peter Symonsz, bij Olde Her Dowe en Jonge Her Dowe, bij Olde Her Albert, enz.
Eene andere onderscheiding voor sommige gelijknamige personen werd ontleend aan het huis, waar in zij woonden, of naar den naam, naar het teeken van dat huis. Die onderscheiding was ten jare 1511 te Leeuwarden nog weinig in gebruik; hadden misschien de huizen aldaar toen nog weinig eenen bijzonderen naam, een eigen huisteeken of uithangbord? Het register vermeldt slechts eenen Ewt int Ancker, eenen Ewald, die in het huis het Anker woonde. Was dit het zelfde huis aan de Voorstreek bij de Korfmakerspijp te Leeuwarden, dat nog heden een anker als teeken, en dus ook als naam draagt? Opmerkelijk, dat de hedendaagsche eigenaar en bewoner van dat huis, de Heer Ottema, bijna vier eeuwen later, ook nog wel in de wandeling als „Ottema in ’t Anker” wordt aangeduid.—Verder noemt het register nog eenen Her Johannes int Gasthuus.
De bovenstaande benamingen van Olde Peter Symonsz, van Olde Her Dowe en Olde Her Albert luiden zoo vertrouwelijk, zoo gemoedelijk en ongekunsteld, niet waar? Zij worden in die eigenschappen nog overtroffen door de benamingen, waaronder sommige rijke en aanzienlijke, bij het volk om hare deugden en milde, moederlijk weldadige eigenschappen beminde oude vrouwen, ware matronae, bekend waren. Te weten: Tialcke moer, Heill moer en Tyethsmoer (Tsjalkje, Heiltsje en Tsjetske naar onze spelling). En dat deze eerwaardige vrouwen onder die eenvoudige, gemeenzame, maar van achting en eerbied getuigende benamingen in het register vermeld staan, strekt nog heden tot hare eere.
Nevens deze matronen worden nog een paar aanzienlijke of welgestelde vrouwen in het register vermeld, die echter, ongehuwd en kinderloos, met het vertrouwelijke moer niet konden worden aangeduid. Dies worden zij genoemd en beschreven met het woord dat haren ongehuwden staat in eere aanduidt, als Greet Joncfrow en Aecht Jonckfrouw. Eene andere, waarschijnlijk minder aanzienlijke, ongehuwde vrouw wordt als Lysch Menne dochter (Lisk of Lyskje, de dochter van Menno of Minne) vermeld.
Bij de benamingen der weduwen wordt haar staat steeds bijzonderlijk vermeld, gemeenlijk als toevoegsel bij haren enkelen vóórnaam; bij voorbeeld Amck wedue, Lysbeth wedue, Aefwedue, Lyoethswede. Deze laatste vrouw was eigenaresse van vele huizen; zij komt dus herhaaldelijk in het register voor, ook als Lyoets wedue en als Lyoeds wedue. Andere weduwen voeren ook nog den naam van haren overledenen echtgenoot: Styn Reinerts wedue; dat is: Stijn (Christina), de weduwe van Reinert of Reinhart; Ymck Joenke wedue, Mincka Ghyse wedue, Bauck Jans wedue en Rynths Sypt Unama wedue, anders gezeid: Rynths (Rinske) de weduwe van Sypt Unama (Sibalt Oenama). Eene enkele wordt in het geheel niet bij haren eigenen naam, enkel bij dien van haren man vermeld; het is Powels Fleyskers wedue, de weduwe van Paulus de vleeschhouwer.
De geestelijken der Christelijke Kerk werden door de Friezen, vóór de hervorming, steeds getrouwelijk met den titel van Heer (Her) vereerd. Geestelijken worden niet zeldzaam in ons register genoemd, steeds met dien titel, welke meestal, naar Oud-Friesche zede, bij hunnen enkelen vóórnaam gevoegd is: Her Dowe (Heer Douwe), Her Hotthio, elders Her Hottye genoemd (Heer Hoatse), Her Feddo, Her Syffriet (waarschijnlijk een Duitscher, Siegfried—of anders is dit Syffriet de gebruikelijke verlatijnsching [Suffridus] van den mansnaam Sjoerd; zie bl. 217), Her Sipke, Heer Albert, enz. Soms komen deze namen ook met toevoegsels voor: Her Johannes Jorretz, dus met zijn patronymicum; Her Douwe sacrista, Her Peter commissarius, Her Pier to Leckum en Her Dythio by Galilee (het klooster Galilea bij Leeuwarden, waar nu nog de buurt Olde-Galileën haren naam af draagt), enz. De kloosterlingen worden met de toenamen Broer en Suster onderscheiden (in het register is herhaaldelijk sprake van eene, zekerlijk rijke nonne in het klooster Fiswert, Suster Ansck); terwijl een rijke kloosterpater een en ander maal, zonder eigennaam en zonder nadere aanduiding, als de Pater wordt vermeld.
Deze titels en namen voeren ons geleidelijk tot die soort van benamingen die aan een handwerk ontleend zijn, en die zeer menigvuldig in het register voorkomen. Het schijnt omstreeks den jare 1500 te Leeuwarden gebruikelijk geweest te zijn om den handswerkman, ’t zij hij aanzienlijk ware of gering, een kunstrijke beeldsnijder bij voorbeeld, of een nederige ketellapper, te noemen met zijnen enkelen vóórnaam en daar den naam van zijn handwerk als toenaam achter. Ook anderen, die geen eigentlijk handwerk uitoefenden, maar die met de handwerkslieden in hunnen burgerlijken stand werden gelijk gesteld, de kleine koopman of kramer, de sjouwerman en de houtzager, zoo wel als de koster en de stadsbode—zij allen voerden hunne benamingen op die wijze: Adam Scomaker en Upke Smidt, Obbe Scriuwer en Pybe Rogdrager. Als de zoon het zelfde handwerk uitoefende als zijn vader, ’t welk dikwijls voorkwam (vroeger by ’t bestaan der gilden nog meer dan tegenwoordig), dan ging de toenaam van den vader natuurlijk ook op zijnen zoon over, waardoor deze toenamen wel den aard van ware geslachtsnamen verkregen, en als zoodanig ook nog heden veelvuldig voorkomen. Zie bl. 179: Maes den Hantscomeker soen Maes Hantscomekers.
Herhaaldelijk komen in het register mannen voor, die den toenaam Scuteferger of Scutefergier voeren: Claes Scuteferger, Hille Scuteferger, Upke Scutefergier, Jetthie (Jetse) Scutefergier. Dit is een Friesch woord en het luidt naar onze hedendaagsche uitspraak en schrijfwijze als skûtefarjer, schuitenvaarder. Dat waren lieden die koopwaren en andere vrachten, om loon, in hunne schuiten vervoerden, gelijk nog heden de zoogenoemde schuitenvoerders te Amsterdam; dus het zelfde te water, wat de „Wagenaers” te lande waren? Deze „skûtefarjers” waren wel te onderscheiden van de aanzienlijkere „scippers”, de eigenaars van groote schepen, tjalken en „cagen” of koggen, waar mede zij, in dienst van den handel, reizen ondernamen naar andere plaatsen en landen over Zuider- en Noordzee, en elders. Het schijnt dat deze schippers zeer bekende mannen waren bij de Leeuwarder ingezetenen; immers zij worden in het register enkel bij hunnen vóórnaam vermeld met het woord Scipper daarvoor, als of het een titel ware, gelijk Her en Mester, op bladzijde 205 hiervoren aangetoond. In het register worden Scipper Hommo, Scipper Eeme, Scipper Sybren, Scipper Oenthie (Oentsje) en anderen meer genoemd. Opmerkelijk is het dat ook nog heden, nu het noemen der lieden naar hun beroep of bedrijf nagenoeg geheel buiten gebruik gekomen is, bij de schippers toch nog wel, juist als voor vier eeuwen, de naam van hun bedrijf aan hunnen eigenen naam, ’t zij vóór- of geslachtsnaam, wordt gekoppeld: „Skipper Damsma” bij voorbeeld, Skipper de Jong, Skipper Skelte, enz.
Vrouwen, genoemd naar een beroep dat zij uitoefenen, komen uit den aard der zake zeldzaam voor. Te Leeuwarden, ten jare 1511, waren zij zeer zeldzaam. Trouwens, de tijd der zelfstandige, ongehuwde, allerlei ambt en bedrijf uitoefenende, naar gelijkheid met den man strevende vrouwen was in den goeden tijd van 1500 gelukkig nog lang niet aangebroken! In ons register vinden wij geene andere vermeld als Sack Dekennaister (Sack = Saakje; nog omstreeks de helft dezer negentiende eeuw was er te Leeuwarden eene „dekennaaister”, eene oude vrouw die er in het bijzonder haar werk van maakte om dekens te naaien, over te kleeden, door te stikken); verder eene Aleyt Weefster, eene Hilck Naaister, eene Joest Naister en eene Sape Bakster. Bij deze twee laatste benamingen valt het zonderlinge gebruik op te merken, dat in de middeleeuwen niet enkel in Friesland, maar ook evenzeer in Holland en in de andere Nederlandsche gewesten voorkwam, en dat zelfs heden ten dage nog niet geheel in Friesland uitgestorven is, namelijk dat eene vrouw eenen mansnaam of anders den mannelijken vorm van eenen naam draagt, bij voorbeeld Jacob, en niet Jacoba. De Hollandsche gravinne Jacoba van Beieren komt in oude oorkonden als Vrou Jacob voor; en zulke voorbeelden zijn bij honderden aan te wijzen (zie bl. 184). Zoo ook worden deze Oud-Leeuwarder naaister en bakster Joest (Joost) en Sape genoemd, in stede van Joestken of Joestyne (Joostje, Justine) en Saepkje. Verder doet het register ons nog eene Lysbeth Olyslager en eene Griet Backer kennen. Omdat deze bedrijfsnamen in den mannelijken en niet in den vrouwelijken vorm staan, dien ze anders toch moesten vertoonen in overeenstemming met de vrouwelijke vóórnamen, zoo vermoed ik dat Lysbeth en Griet het olieslagers- en het bakkersbedrijf slechts waarnamen als weduwen (bij Lysbeth worden hare kinden, kinderen, vermeld) van eenen olieslager en van eenen bakker, en niet uit en op zich zelve. Ten slotte vinden wij in het register nog eene Gheert Froedmoer (Geartsje—Geertje) vermeld, de eenige vroedvrouw die destijds te Leeuwarden was, naar het schijnt; even als het register ons ook maar één apotheker en één doctor noemt. Ook onder de ingezetenen van Dokkum vinden wij ten jare 1511 slechts ééne vroedvrouw, Ken Froedmoer.
Even als men de beroepsnamen wel als toenamen, ter onderscheiding en ter nadere aanduiding, achter de persoonsnamen voegde, zoo plaatste men ook wel, voor dat zelfde doel, eenen plaatsnaam achter den persoonsnaam. Dat was dan de naam van stad of dorp, waarvan de betrokken persoon herkomstig was. Die plaatsnaam werd dan onmiddellijk achter den persoonsnaam gevoegd, of door bemiddeling van het woordeken van daaraan gehecht. Zulke benamingen, waaruit zeer vele hedendaagsche geslachtsnamen ontstaan zijn, waren vooral in Holland en in andere Nederlandsche gewesten zeer gebruikelijk; veel meer dan in Friesland. Ons register vermeldt dan ook slechts weinigen van zulke benamingen. Het zijn die van Johannes Goch, van Henrick Bylefelt en van Thomas Schleyswick (Sleeswijk, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voorkomende); verder Marten van Straesborch (Straatsburg) en Geert van Dorsten. Dit zijn allen namen van buitenlandsche plaatsen. Binnenlandsche en bepaaldelijk Friesche plaatsen hebben oorsprong gegeven aan de benamingen van Jacob van Franicker, Sybe van Hallum, Henrick van Sloten, Jacop van Wyringen, Sywert van Holwert, Jacob van Scalsen (Schalsum), Jan van Horen, Peter van Harlingen en Betthie van Staueren. Ook de namen van Jan Hollander en Hans Hess moeten tot deze afdeeling gerekend worden; misschien ook die van Claes Flammingh (Vlaming?), en, in zekeren zin, ook die van Leeuwerder Jelle (zie bladzijde 283), met die van Jan van den Gouwkamer, een naam die ik niet nader verklaren kan.
Allerlei andere woorden, soms als bijnamen en zelfs als spotnamen, werden oudtijds ter nadere onderscheiding achter den eigenlijken persoonsnaam gevoegd, en ook deze namen kregen veelvuldig de geldigheid van ware maagschapsnamen. Als zoodanigen levert het register de benamingen op van Dirck Steenwerper en van Grythie (Grietje) Onbeleefd, van Jan Wytbroot en van Jan Hoysack. Verder Mester Ghysbert Spalman, Matthijs Beck, Jan Rattaler, Arien Busschut (de naam van een schutter, Schütze, die met een bus of buks, Büchse, schiet). Eindelijk nog Bernert Lucht, Hans Cruysschar, Peter Trap en Rolof Gryp.
Wat nu de vóórnamen op zich zelven aangaat, enkel uit een taalkundig oogpunt beschouwd, zoo leveren de benamingen der Oud-Leeuwarder ingezetenen, gelijk zij in het Register van den Aanbreng voorkomen, ook nog menige bijzonderheid en merkwaardigheid op.
Grootendeels zijn deze voornamen bijzonder Friesche namen, en de zelfden die ook nog heden algemeen bij de Friezen in gebruik zijn. Natuurlijk, wat hunne spelling aangaat, wijken zij eenigermate af van de hedendaagsche rechtschrijving, en stemmen zij overeen met de spelwijze, gelijk die omstreeks den jare 1500 in Friesland gebruikelijk was: Duyff in plaats van Duif (Duifje), Tzalingh in plaats van Tjalling, Reynsck voor Reinske, Gerryt en Heyndrick in stede van Gerrit en Hendrik. De mansnamen die thans in den regel op eene toonlooze e uitgaan, maar die in de middeleeuwen op eene o, en toenmaals bij de Friezen bijzonderlijk veelvuldig op eene a eindigden, worden in het Register bijna zonder uitzondering reeds met eene e geschreven: Epe, Gabbe, Menne, Hette, Wilke. Omstreeks den jare 1500 was daar juist eene kentering in de Friesche taal; zij verloor hare oude, volle vormen op a (an) en o (on), niet enkel in de namen, maar eveneens in de gemeene woorden, en nam daarvoor, op het voetspoor der Nederduitsche (Hollandsche, Vlaamsche en Brabantsche, en Nedersassische of Platduitsche) taalvormen van de andere Nederlandsche gewesten en van Duitschland, eene toonlooze e in de plaats. Het schijnt, dat in de stad Leeuwarden, door vreemden invloed, ten jare 1500 en wat later, die kentering reeds grootendeels haar beslag gekregen had. Maar in het Oud-Friesch, gelijk dat toen nog ten platten lande in wezen was, bleven ook de oude, volle taalvormen langer in gebruik. Zoo vinden wij in onze registers de namen der dorpelingen nog veelvuldig met eene a of met eene o geschreven: (Aesga Syckaz, dat is: Easge, Sikke-zoon of Sikkes, te Wirdum, en Egga Jellazoen te Swichum; Sasko op de Dick te Blya, en Buwko op Westerfelden te Holwert), terwijl dit te Leeuwarden nog maar weinig voorkwam. De naamlijst vermeldt aldaar slechts een Halba en een Haya; verder Foppo, Ocko, Jelto, enz. nevens Halbe en Haye, Foppe, Ocke, Jelte en anderen.
Oude spelwijzen, bij voorbeeld ow in plaats van ou, treffen wij aan bij de namen van Dowe, Powels (Poulus, Paulus), Jowk wedue (Joukje); tz in stede van het hedendaagsche tsj, verhollandscht tot tj, bij Tzalingh, Tzomme, Tzem (Tsjam, Tjam, Tjamme, de weinig gebruikelijke mansnaam, waarvan het meer gebruikelijke Tsjamke, Tjamke, oudtijds Tzamck, de vrouwelijke vorm is). Verder ti (ty of thi en thy) in plaats van tsj, tj bij de namen van Tiebbe (Tsjebbe, Tjebbe), Tiepke (Tsjepke, Tjepke, eigentlijk Tjebke), Tierck (Tsjerk, Tjerk), Tyesse en Thyesse (Tsjesse, Tjesse), Tiard, Tyard en Tyaert (Tsjaerd, Tjaard), Tyalle (Tsjalle, Tjalle), Syoucke (Sjouke) en Her Sywck Peters (Sjuk); en ae (dat verwarring oplevert met ae = aa) in stede van ea, bij die van Aesge, Saeckle, Aebbe (Eabe) en Aepke (Eabke). In plaats van den uitgang ts (tz, ook verhollandscht tot tj) vinden wij tie, tye, thie, thye geschreven, in namen als Mynthye en Rynthye (Mintsje en Rintsje als mansnamen), Wattie (Watse), Hanthie, Inthie, Geerthie, Wynthie voor Hantsje, Intsje of Yntsje, enz. Ook Luytien en Luthie voor Luutsen, Luitsen, Luutsje; Wythie voor Wytse; Doythye voor Doaitsen; bijzonderlijk ook Jaythye Hilbrantz, want deze naam Jaitsje of Jaeitsje, Jaitje of Jaaitje is geen vrouwennaam, maar een mansnaam, zooals blijkt uit de aanteekening „Jaythye Hilbrantz van zijn wijff’s wegen”; en Tyatye Martena (Tsjaedje? de kleine Tsjade? of Tsjaerd?). Iw, Juw en Jowke met Jouke, een en de zelfde naam (Jou is de bijzonder Friesche vorm van den algemeen Germaanschen naam Ivo) in verschillende spelling. Sirck, Zierck en Syrick voor het hedendaagsch Sierk of Sjirk, en Sywrd, Syord en Syword voor Sjoerd vertoonen ook geheel verouderde schrijfwijzen, even als Renick (Rienk), Rioerd (Ruurd), Lywe (Lieuwe) en anderen.
Ingekorte vrouwennamen, die in de middeleeuwen zoo veelvuldig, schier algemeen in gebruik waren, en ook nu nog in geijkten zin te Hindeloopen en elders in den Zuidhoek voorkomen, gelijk ze ook overal in Friesland in de dagelijksche spreektaal nog in zwang zijn, vinden wij vertegenwoordigd in namen als Beyths, Wytz, Bauck, Fokel, Sibbel, Doed, Tryn, Ath, Auck, Hylck, Jel, enz. In Lysch staat de Hollandsche sch in plaats van de Friesche sk: Lysk, Lisk, Lyskje. Daarentegen vertoont de vrouwennaam Metta (hedendaags Metsje) juist den vollen, ouden vorm.
Vier bijzondere namen, die hier eene afzonderlijke vermelding en nadere bespreking eischen, komen nog in de Leeuwarder naamlijst voor. Het zijn twee mans- en twee vrouwennamen: Godfriond en Gernant, met Lwdw en Folzow.
De mansvóórnaam Gernand, in ons register voorkomende als de naam van den vader eener vrouw die met de patronymicale benaming van Tryn Gernants bekend staat, is een zeer bijzondere naam, die in zijn tweede samenstellend deel nand verwant is aan de namen Winand en Ferdinand. Deze naam schijnt bij de Germaansche volken steeds een zeer zeldzame geweest te zijn. Dr. Ernst Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch vermeldt hem uit de 8ste, 9de en 10de eeuw; en Bernhard Brons, in zijn werk Friesische Namen, vermeldt een Gernand in Oost-Friesland, in de 17de eeuw. En anders is deze schoone en volledige naam mij nooit voorgekomen.
Wat nu de twee bijzondere vrouwenvóórnamen Lwdw en Folzow aangaat, moet ik vooraf opmerken dat er onder de bijzonder Friesche namen eene kleine groep voorkomt van vrouwennamen, die uitgaan op ou (ook geschreven ouw, au, en oudtijds wel uw of enkel w); zie bl. 201. Deze namen, allen tamelijk zeldzaam, sommigen zeer zeldzaam voorkomende, zijn:
Jildou (Jieldou, Jeldou, Joldou), de bekendste, al was het maar omdat Gabe Scroar eene nicht had die zoo heette: „nift Jieldouw, fen Aldegea.”
Meinou en Reinou, tegenwoordig dikwijls verkeerdelijk als Meino en Reino geschreven, en, met Jildou, niet zóó zeldzaam als de volgenden:
Edou, Edouw.
Bernou, Bernw.
Fardou, ook Ferdou, heden ten dage, bij misverstand, ook wel Fardo en Ferdo geschreven. Nog kort geleden leefde er eene vrouw, Fardo Pieters Boersma geheeten, te Beetsterzwaag.
Kenou, door de Hollanders meestal Kenau geschreven, bekend door Kenau Simonsdochter Hasselaer, de Haarlemsche heldinne, in den tijd (16de eeuw) toen Haarlem nog voor een goed deel Friesch was.
Ferkou, Merkou of Merckw, Geldou en Gadou, waarvan de eerste en de laatste door Leendertz in zijne naamlijst (Navorscher XVIII) vermeld worden, maar die mij anders nooit zijn voorgekomen. Eindelijk nog Ludou, een naam die in de vorige eeuw nog geenszins bijzonder zeldzaam was, en toen ook nog wel in noordelijk Noord-Holland, onder anderen te Hoorn en aan de Zaan voorkwam in den vorm Luyduw. Deze naam Ludou of Luyduw is de zelfde dien wij onder de Leeuwarder vrouwennamen van 1511 als Lwdw vinden opgeteekend. De spelwijze Lwdw moet een hedendaagsch Nederlandsch oog zekerlijk wel zeer vreemd voorkomen. Maar deze bijzonderheid, ja schijnbare ongerijmdheid verdwijnt, als men bedenkt dat de oude w eigentlijk eene dubbele u is, zoo als zij dan ook nog in het Engelsch en in het Friesch heet, en dat de u, de v, de uu, de w oudtijds zoo wel den klank van onze hedendaagsche Fransch-Nederlandsche u, als dien van de Algemeen-Germaansche u = oe, en van ou (ow) had.
Vertegenwoordigt dus de 16de eeuwsche Leeuwarder Lwdw geen onbekende naam, dit is wel het geval met den vrouwenvóórnaam Folzow, dien wij almede, bij de benaming van „Folzow Piers”, in ons register vinden. Mij althans en ook anderen namenkenners en namenvorschers, bij wien ik onderzoek daar naar gedaan heb, is de naam Folzow (Folzou) nooit ontmoet. Het is niettemin een oorbeeldig Friesche naam, die wis tot de groep der ounamen behoort. Ik reken dezen naam zoo veel te meer als bijzonder Friesch, omdat het eerste gedeelte van den naam den bijzonder Frieschen vorm Folts vertoond, die in de 16de eeuw nog volle gelding had, maar heden ten dage in het Friesch meest tot Folk verloopen is. Immers de z van Folzou hebben wij zekerlijk voor eene Hoogduitsche z = ts te houden, dus Foltsou; en Folts = Folk (ts = k, tserke = kerk) vinden wij terug in vele andere mans- en vrouwenvóórnamen. Bij voorbeeld in Folkert (Folkhart) waar van de geslachtsnamen Folkertsma, Folkerda en Folkringa (Folkhardinga), met de plaatsnamen Folkerda-burcht te Noordwolde bij Bedum in Hunsegoo, Folkertsweer, verdronken dorp in den Dollart, Folkershusen, gehucht bij Seeriem in Harlingerland (Oost-Friesland), Folkertswerf, gehucht op de hallig Hooge in Noord-Friesland, enz. afstammen. Verder Folmer, voluit Folkmar; Folbed, voluit Folkbald, waarvan de oude maagschapsnaam Folkbalda, tot Folbada, thans tot Volbeda verloopen; Folger, dat is Folkgar, nog overig in den geslachtsnaam Folgera, enz. enz. Al deze Friesche namen hangen weêr samen met soortgelijke namen, aan Hollanders, Vlamingen, Neder- en Hoog-Duitschers in Duitschland, aan Engelschen en Skandinaviërs eigen; bij voorbeeld aan geslachtsnamen als Folkerts, Volkers, Volkaerts, Volmerinck, Vollbeding, Folers, Volkering, Volquardtsen, en met plaatsnamen als Volbringen (Folkbrechtingen), een dorp bij Soest in Westfalen; Volmerink, eene sate bij Ahaus in Westfalen; Vollmaringen, een dorp bij Horb in Zwaben; Volkerinkhove, dorp in Fransch-Vlaanderen, Frankrijk, (Departement du Nord); Volkerswurth, gehucht bij Meldorf in Dithmarschen; Volkwardingen, dorp bij Soltau in Hanover, en vele anderen meer. Dit alles strekt maar om den lezer de belangrijkheid en den omvang der Friesche namenstudie in het algemeen als met eene enkele vingerwijzing aan te toonen.