← Table of contents
Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Note 6 — VI DE NAMEN DER INGEZETENEN VAN LEEUWARDEN ten jare 1511.

Reading edition

Het is geheel volgens Oud-Friesche zede dat de benamingen in het register over het algemeen zoo kort en eenvoudig mogelijk zijn, eensdeels zonder geslachtsnamen, anderdeels zonder bij- of toenamen ter onderscheiding, of ook zonder bijzondere titels van edeldom of rang. Slechts zeldzaam komen zulke toenamen en zulke titels voor. Alles geheel anders als in andere Nederlandsche gewesten, bij voorbeeld in het hoofsche Brabant, waar men zich met zeer lange en omslachtige benamingen uitsloofde.6 Ja, men ging in Friesland nog wel verder in dien eenvoud, en liet ook den vadersnaam achterwege, zoo dat enkel de eigentlijke naam, de doop- of vóórnaam overbleef. Dit was vooral het geval bij zeer geringe of bij geheel arme lieden, die ook nog heden onder de Friezen veelal enkel en alleen bij hunnen vóórnaam genoemd worden. Zoo vinden wij in de Leeuwarder naamlijst „Lambert een knecht.” Verder een Alef, een Jarich, een Hommo, een Tiebbe (Tsjebbe), een Ocko, een Fedde, een Rolof, zonder meer. Dit waren geringe lieden; zij bewoonden slechts eene „camer”. Dit zelfde was het geval met sommige arme vrouwen als Fem, Baeff, Eelck, Aeff, Foeck, Lubbrich, die „alheel Paupers” (armen) worden genoemd, en, zekerlijk om Gods wil (of „propter Deum” gelijk herhaaldelijk in het register voorkomt), „camers” bewoonden, die aan Sint-Vyt, aan de hoofdkerk van Oldehove, toebehoorden. Zoo ook Ariaen, Wybe, Jesel, Rynths, Gosso, Griet, Geert, Focko, Feyck, Jeths, allen geringe en arme lieden, zoo mannen als vrouwen, die „cameren” bewoonden. Nog heden noemt men in Friesland eene kleine en geringe woning, die slechts één vertrek bevat, een keamer, en spreekt men niet van huis- of woninghuur, maar van keamerhier.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings