← Table of contents
Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Note 4 — VI DE NAMEN DER INGEZETENEN VAN LEEUWARDEN ten jare 1511.

Reading edition

Ware geslachtsnamen, en wel in het bijzonder oorbeeldig Friesche maagschapsnamen op a eindigende, komen er in ons register slechts weinig voor. Dit moge aanvankelijk eenige bevreemding wekken—de oorzaak daar van is echter wel uit te vinden. Immers zulke geslachtsnamen bestonden er toen wel evenzeer als vroeger en als heden, al is het ook dat er in de achttiende eeuw en in het begin van deze eeuw vele zulke namen in Oud-Frieschen vorm door de Friezen willekeurig gemaakt en aangenomen zijn (Zie bl. 237). Zoo waren daar, ten tijde dat ons register opgesteld werd, te Leeuwarden even als elders in de Friesche gouwen, ongetwijfeld vele Oud-Friesche maagschappen, ook al waren ze niet van edelen bloede noch van eigenerfden staat, zelfs niet van aanzienlijken huize, maar tot eenvoudigen en geringen levenskring behoorende, die eenen eigenen Oud-Frieschen naam voerden. Maar die namen werden veelvuldig verwaarloosd, in het dagelijksche leven werden ze zeldzaam, slechts als bij uitzondering gebruikt. Dien ten gevolge werden zij ook in geschrifte en in geijkten zin dikwijls veronachtzaamd en buiten spel gelaten, vooral als men met eene oppervlakkige aanwijzing der personen, bij hunne dagelijksche benamingen, volstaan kon, gelijk dit bij de „Registers van den Aanbreng” het geval was. Wij mogen dus veilig aannemen, dat vele personen, die in deze registers slechts met hunnen vóórnaam en met hunnen vadersnaam als patronymicum worden aangeduid, toch wel degelijk ook eenen eigenen, Oud-Frieschen, op a eindigenden geslachtsnaam hadden. Maar slechts zeer weinigen worden werkelijk ook met zulk eenen maagschapsnaam aangeduid; het zijn Wybren Bowtsma (Boutsma), Jelck Lywama, Hessel Intema.4 Voor de hand houd ik deze lieden niet voor edelingen. Maar het kan zeer wel zijn, dat ik mij hier in vergis (weinig ervaren als ik ben in de kennis der Oud-Friesche adellijke maagschappen), en dat de personen, die deze namen voerden, wel degelijk tot den adeldom behoorden. En zoo dit in der daad het geval is, dan vervalt daar mede de bijzonderheid dezer namen. Immers de leden der adellijke geslachten worden in ons register wel degelijk met hunnen Oud-Frieschen geslachtsnaam genoemd; althans in den regel. Zoo vinden wij vermeld: Frans Mennama (Minnama, Minnema), Tiard Burmannie, Peter Kamminga de voorstander der Oud-Friesche taal, Hessel en Doeke Martena, Jow Jowsma, Jow (ook Iw geschreven) Dekama, Wytz Jongema, Tryn Hermane, enz.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings