Note 13 — VI DE NAMEN DER INGEZETENEN VAN LEEUWARDEN ten jare 1511.
Reading edition
De eerstgenoemde, Godfriond (ook als Godsfrjond, Goedsfreond, enz. voorkomende)13 is een bij uitstek Friesche naam. Hij wordt ook in andere Friesche oorkonden van de 15de en de 16de eeuw wel aangetroffen; maar nooit menigvuldig. Heden ten dage zal er wel niemand meer zijn onder de Friezen, die zóó heet. Mij althans is deze naam zoo min in de vorige eeuw, als bij het thans levende geslacht te voren gekomen. In de 17de eeuw leefden er in Friesland nog dragers van dezen naam. Immers de dichter Gysbert Japicx geeft hem aan eene zijner verdichte persoonlijkheden in zijn gedicht Tydkirttige pittear lânze wey twissche Egge, Wynering in Goadsfrjuen. Ik noem dezen naam bij uitstek Friesch, omdat hij samengezet is met een woord in zuiver Frieschen vorm, met het woord frjeon, ook friund, frjon, frjeun en frjuen geschreven, en dat vriend beteekent. Dus Godsfriund of Godsfreond is te zeggen Gods vriend. In Holland, noch elders bij eenig Germaansch volk, is mij nooit eenen mansdóópnaam Godsvriend, Gottesfreund, Godsfriend voorgekomen. De Friezen zijn eenig met dezen schoonen naam. Trouwens, de Oud- en Algemeen-Germaansche mansvóórnaam Godswin beteekent geheel het zelfde als Godsvriend, naardien win (Oud-Hoogduitsch wini, Gothisch vinjis) in de Oud-Germaansche talen de beduidenis van vriend had. In de Skandinavische talen beteekent ven, vän (men spreke v = w) nog heden vriend. En deze naam Godswin, Godeswin was oudtijds ook den Friezen eigen, en komt onder de samengetrokkene, versletene vormen Goeswin, Goesewyn, Goessen, Goossen wel voor (zie bl. 162). Waarschijnlijk is in de 15de eeuw de Friesche naamsvorm Godsfreond opgekomen en in gebruik genomen, als eene vernieuwing, als eene overzetting in nieuwen taalvorm, toen men win = vriend, toen men den naam Godswin niet meer verstond.