V FRIESCHE NAMEN. (continued 2)
Reading edition
Slechts zeer kortelijk en zeer oppervlakkig, slechts als ter loops heb ik de zaak der Friesche vleinamen hier te berde gebracht, ofschoon er juist van dit onderwerp zoo oneindig veel ter verklaring van de eigenheden en bijzonderheden der Friesche namen in het algemeen, te zeggen valt. Ik heb slechts voorloopig willen aanduiden, dat vele Friesche mans- en vrouwenvóórnamen anders niet zijn dan zulke vleivormen, afgeleid of verbasterd van volledige, oorspronkelijke namen, die de Friezen met andere Germaansche volken gemeen hebben of hadden. (Zie ook bl. 205). Pibe bij voorbeeld is reeds sedert vele eeuwen onder de Friezen in gebruik in geijkten zin, dus schijnbaar als een echte, een volslagene mansvóórnaam; en toch is deze naam ontwijfelbaar een vleivorm van Sybren (Sigbern), en anders niet; evenals Jeye en Reye slechts vleivormen zijn van Jelle en Reitse, Pim en Kei van Willem en Gerrit, enz. Die dit niet weet, moet Pibe wel houden voor eenen onverklaarbaren, geheel bijzonder Frieschen naam, die zijn weêrga bij andere Germaansche volken niet heeft. En zoo moet hij ook denken over dat zeer groote aantal Friesche namen, die reeds sedert eeuwen en eeuwen, en nog heden ten dage, onder ons in zwang zijn, en die, evenals Pibe, onder de Germaansche namen geheel op zich zelven schijnen te staan, geheel bijzonder Friesch schijnen te wezen. Toch is niets minder waar, dan dit. Honderden Friesche namen zijn eigenlijk slechts zulke vleivormen van volledige, algemeen Germaansche namen. (Zie bladzijde 211). Maar dit kan niet altijd en in alle gevallen met zekerheid worden aangetoond. Integendeel, het is veelal hoogst moeilijk om het bewijs daarvan te leveren, ja ondoenlijk, uit gebrek aan oude oorkonden en bescheiden, waar dit uit zoude kunnen blijken. Immers die vleivormen zijn reeds sedert eeuwen, velen reeds sedert 1000 jaren, in volle, geijkte gebruik; zij werden reeds in de vroege middeleeuwen, veelvuldig als zoodanig, en niet in hunne oorspronkelijke, volledige, onverbasterde vormen geschreven. Bij de Friezen kwam dit zeer menigvuldig voor, terwijl Sassen en Franken en andere den Friezen naverwante volken, in geschrifte, in den regel de volledige, onverbasterde namen hun recht gaven, ook al hadden ze, even als de Friezen, in het dagelijksche leven vleivormen van die volle namen in gebruik.
Ik heb eens eene oude oorkonde, een koopbrief, in het Friesch geschreven, en uit de 15de eeuw dagteekenende, in handen gehad en gelezen. Dat stuk begon alzoo: „Ick Wolbrecht Hayesin hlye end dwa cond mei dissen jenwirdigen breve, dat ic in caep jowen habbe”, enz. Verder op, in dezen koopbrief, noemt de schrijver, die zich in den aanvang voluit Wolbrecht, de zoon van Haye, had genoemd, zich eenvoudig en plat weg: Wobbe („Ic Wobbe voersein”). Wobbe geldt dus hier ontwijfelbaar voor den dagelijkschen noemnaam dezes mans Wolbrecht, en was ontwijfelbaar de vleivorm zijns naams, die hem nog van moeders schoot af was bijgebleven. Wobbe was de naamsvorm, waarbij Wolbrecht dagelijks genoemd werd, en bij iedereen bekend was. Toch wist de man, dat zijn naam, in volledigen vorm eigenlijk Wolbrecht was, en zóó noemt hij zich dan ook te recht, in den aanvang van de voor hem gewichtige oorkonde, die hij schreef.
Evenals wij nu weten, dat de volledige naam Sybren (Sigbern) tot Pibe en ook (minder verbasterd) tot Sibe geworden is, en dat Wobbe (met den verkleinvorm Wobke, misschreven als Wopke) als vleivorm van Wolbrecht is afgeleid, zoo mogen wij met alle waarschijnlijkheid, schier met zekerheid stellen, dat de Friesche mansnaam Abbe zulk een vleivorm is van Albert (oudtijds voluit Adelbrecht, Athalbercht). En waar wij nu weten, dat de oorspronkelijke vorm Adelbrecht niet enkel tot Albrecht, Albert is geworden, maar (bij de oude Hollanders vooral) evenzeer tot Aalbert (Aelbrecht); waar ook de oorspronkelijke, volle naam Adelhart bij de Friezen zoowel tot Aldert als tot Aaldert is vervormd, daar mogen wij toch wel aannemen, dat ook Abe, zoowel als Abbe, een vleivorm is van Albert of Aalbert. Abbe nu en Abe behooren al tot de oudst bekende Friesche mansnamen. Zij komen, al de laatst verloopene acht eeuwen door, in verschillende schrijfwijzen of spellingen, in oude geschriften voor, hebben ook aan talrijke geslachtsnamen en plaatsnamen oorsprong gegeven, en leven nog heden onder ons. Dit alles wordt in mijne Friesche Naamlijst aangetoond.
Mij zelven is wel nooit, onder het Friesche volk, ter oore gekomen, dat een knaapke, als Albert gedoopt en ingeschreven, door zijne moeder, „uit lievigheid” Abbe (of Abke) werd genoemd (ofschoon dit zeer mogelijk is); maar wel hoorde ik dat eene Hollandsche moeder haar zoontje, Albert geheeten, liefkoozenderwijze Appi noemde, en dat hare andere kinderen hun broerke evenzóó heetten. Heden ten dage zal nu niemand in Holland den naam van dit kind ook als „Appi” schrijven. Maar de oude Friezen, in dezen hunnen schier al te nuchteren zin voor huiselijken eenvoud ook in het openbare leven, schreven wel Wobbe als de man voluit Wolbrecht heette, of Pibe en Sibe voor Sybren, Wibe voor Wybren (Wigbern), Tjamme voor Tjadmer (Thiadmar), enz.
Dit een en ander is slechts eene vingerwijzing, slechts eene oppervlakkige aanduiding ter verklaring van zoo vele honderden bijzondere, bij de verwante Germaansche volkeren niet voorkomende Friesche namen—namen, die juist door hunne bijzonderheid, velen taalgeleerden navorschen, oudtijds en nog heden ten dage, zoo veel hoofdbrekens gekost hebben, en zoo menigmaal tot averechtsche beschouwingen aanleiding hebben gegeven, en die toch zoo eenvoudig en geleidelijk als vleivormen van volledige algemeen Germaansche namen ontleend zijn.