Note 3 — IV HELMONDSCHE NAMEN UIT DE MIDDELEEUWEN.
Reading edition
De dubbele vermelding van het woord soen of zoon in bovenstaande benamingen was toch op den duur in ’t dagelijksche spraak- en schrijfgebruik te lastig. Men liet dus dat tweede woord soen achter wege, waardoor de benaming toch niet van hare duidelijkheid inboette. Van zulke ingekorte namen, die toch nog achter den doopnaam van den drager, met of zonder zijnen toenaam, den naam van zijnen vader en grootvader vermelden, levert onze naamlijst vele voorbeelden. Zie hier eenigen daarvan: Hoegard wilen Jans Godartssoens van Bruheze (1423); dat is Hoegard de zoon van wijlen Jan, die een zoon was van Godart van Bruheze, of anders gezeid Hoegard van Bruheze, zoon van Jan, enz. Lambrecht Alairts Salensoen van Bakel (1416); Art Peter Meeussoen (1418); dat is Art de zoon van Peter, de zoon van Meeus (Bartholomeus). Een zoon van dezen Art droeg weêr naar zijnen grootvader den naam van Peter; hij komt in eene oorkonde van den jare 1439 voor als Peter Art Peter Meeussoens soen3. De toenamen van Bruheze, van Bakel, enz. achter deze namen, aan plaatsnamen ontleend, zijn geenszins als vaste geslachtsnamen te beschouwen, maar wijzen enkel aan, duidelijkheids halven, dat de dragers dier namen in die plaatsen wonen of van daar herkomstig zijn.