← Table of contents
Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Note 5 — IV HELMONDSCHE NAMEN UIT DE MIDDELEEUWEN.

Reading edition

Wouter Maessoen die handschoemeker van Son (1418). Dat deze Wouter, zoon van Maes (Thomas), een broeder had die even als zijn vader ook Maes heette, en dat zoowel die broeder als vader Maes beiden ook handschoenmakers waren, blijkt uit de benaming Maes den Hantscomekersoen Maes Hantscomekers, die wij in eene oorkonde van den jare 1439 ontmoeten.—Willem Diddensoen van Grotel (1416): Godart Mathijs Bloxsoen (1450); Ruelken dien Scoemeker Lambrecht Ruelkenssoen (1401); Gherit wilen Aerts van den Put (1440). Daar was nog een andere Gherit van den Put in die jaren te Helmond. Maar de vader van dezen heette niet Aert gelijk die van den eerstgenoemden Gherit; hij heette Jan, en droeg den bijnaam van Hollander, waarschijnlijk omdat hij een Hollander van geboorte of herkomst was. Dies wordt die tweede Gherit in eene oorkonde van den jare 1413 genoemd: Gherit geheiten van den Put Jans Hollanders soen.—Symon Lambrechts Langsmeedssoen (1348). Willem van Eyke soen wilen Henrix Boyfaes van Eyke (1421); deze zelfde man komt in eene oorkonde van het volgende jaar voor als Willem Boyfaessoen van Eyke (1422). Hubrecht soen Happen Smolners, reeds op bladzijde 175 hiervoren vermeld. Willem den Weder wilen Dirc Sweederssoen (1428); Weder, ook met het lidwoord den Weder of die Weder, schijnt reeds als een vaste bijnaam, als of ’t een hedendaagsche geslachtsnaam ware, bij Willem en bij zijnen vader Dirk in gebruik te zijn geweest. Immers Sweederssoen in Willems benaming staat voor ’s weders soen, des weders zoon. De vader komt in eene oorkonde van 1427 voor als Dirck die Weder; en ook in een geschrift van den jare 1481 wordt een Dirc die Weder genoemd. Weder, ook saamgetrokken tot weer, is een goed Oud-Nederlandsch woord, dat ram, mannelijk schaap beteekent. Het woord ram komt ook nog heden als maagschapsnaam (Ram en De Ram) voor. ↑

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings