← Table of contents
Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Note 6 — IV HELMONDSCHE NAMEN UIT DE MIDDELEEUWEN.

Reading edition

Ook de bovenstaande namen leden al weêr aan het gewone euvel dezer willekeurige benamingen—zij waren door al die toe- en bijvoegsels te lang, te ongeschikt geworden voor het dagelijksche leven. Men zag in dat men, door iemand slechts met zijnen doopnaam en met eenen enkelen bij- of toenaam te noemen, eene betere, dat is kortere en duidelijkere benaming voor zulken persoon had, dan wanneer men ook nog al die patronymicale benamingen daar bij voegde. Te meer, omdat die vadersnamen toch gelijkluidend waren voor al de kinderen van eenen en den zelfden vader; terwijl een bij- of toenaam veelal slechts voor eenen enkelen man gold, dus geheel persoonlijk was. Zulke benamingen dan hadden volkomen het voorkomen onzer hedendaagsche eenvoudigste namen: één vóórnaam en een maagschapsnaam. Toch moet men deze toenamen achter den enkelen vóórnaam geenszins als onze hedendaagsche vaste en overervende maagschapsnamen beschouwen. Integendeel, zij golden dikwijls slechts voor eenen enkelen man, en gingen veelal niet op diens kinderen over. Voorbeelden van zulke benamingen biedt onze Helmondsche namenlijst in menigte. De toenamen zijn aan allerlei verschillende zaken ontleend; aan plaatsnamen, beroepsnamen, spotnamen zelfs, enz. Zie hier eenigen van die benamingen: Willem van der Rijt (1467); Henric Mortel (1389); Lambrecht van Liessel (1401); Jan die Kremer (1418); Daenel van Bruheze ende Art Staemelaertsynsoen6.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings