Note 6 — IV HELMONDSCHE NAMEN UIT DE MIDDELEEUWEN.
Reading edition
Nolle van der Egelmeere (1401); Jan Tempeler (1498); Florens van den Vijfeyken (1439); nog heden dragen drie verschillende maagschappen, die echter zeer wel allen van dezen zelfden Helmondschen Florens kunnen afstammen, de geslachtsnamen Vijfeiken, Van Vijfeyken en Vijfeyken; Michiel die Keteler (1472); Klaes Mijs (1472); Heynric van den Kerckhove; dat deze toenaam aan de ligging van ’s mans huis ontleend was, blijkt uit de oorkonde die zijnen naam vermeldt, van den jare 1414, en waarbij hij zijn huis verkoopt, gelegen te Helmond, „bij den kerckhof.” Dit zelfde is het geval met den toenaam van Peter van den Doseldonck (1469), die eigenaar was van het landgoed Doseldonk. Verder Art van den Paependonck (1439); Heyn van den Berken (1416); Gherit die Volre (de volder, lakenvolder: 1492); Jan de Blake (1416); Heyn Queyen (1429), Jan de Berre, geheiten van Eyndoven (1419); Henric Kuylman (1416): Reyner van den Wintmoelen (1348); Godert van Bistervelt (1348); Jan van Stipdonc (1395); Art den Wize van Asten (1416)—een bijnaam aan ’s mans wijsheid ontleend? Ook zekere Henric had vroeger dien zelfden bijnaam gedragen, zoo als blijkt uit de benaming waaronder diens zoon ten jare 1416 voorkomt. Godart Henric Swisen soen, dat is Godart Henric des Wisen soen, Godart zoon van Hendrik den Wijze. Eindelijk nog Jan van Honthuys (1418); Yde van Roezel (1481); Udeman van Thefelen (1439); Godart van der Capellen (1460); Lemmen van de Laer (1416); Henric Scuerman (1394); Jan Wyflet (1417); Marcelys Bruynswyck (1477), waarschijnlijk een Duitscher, en van de stad Brunswijk herkomstig; Wouter Terlink (1427)—terlink, teerling, dobbelsteen, de bijnaam van eenen speler, eenen dobbelaar?; Jan die Vleeschouwer (1404); Jan Colibrant (1450); Jan van den Bocht (1450); Henric van den Hoeghenhuys (1386); Willem Cortsmet (1462); Vranck van den Dijck (1462); Henric Waunays (1429); Lodeken van Lofen (1410), reeds vroeger vermeld op bladzijde 175; Willeken van Ghemert (1410); Reynier Haengreve (den Hanegraaf of Pluimgraaf was oudtijds het toezicht op het pluimgedierte van eenen heerenhof, kasteel of landgoed opgedragen) van Stakenborch Matheus soen van Boesscot (1389); Jan de Blake (1416). ↑