WIE IS ALS GOD[1]
Reading edition
WIE IS ALS GOD[1]
„Wie is als God!” zoo wierd het woord, in lang verleden tijden, omtrent den throon van God, gehoord, als Michaël ging strijden. „Wie is als God!” Hij won den slag en satans volk vernederd lag.
Tusschenzang:
De vane omhooge! en immer voort, die weerbaar is, gestreden! „Wie is als God!” weergalme ’t woord des zegepraals, nog heden!
De vijand wierd verwonnen, maar zijn hoogmoed niet gebroken; met lichaamsrampe en zielgevaar blijft satan ons bestoken; doch, stuive en storme ’t nog zoo fel, „Wie is als God!” roep Michaël.
Tusschenzang:
De vane....
[130]
De wereld is een worstelperk vol vijandschap en veeten; geen winnen, of een wapenwerk van dapperen mag ’t heeten: die weerbaar is den vrede haalt,
Tusschenzang:
De vane....
Bewaart ons in den wijg, en doet ons allen, die u eeren, tot tenden uit, met kloeken moed de slagen slaan des Heeren; bevrijdt ons van der kwaden dood, o Michaël, Gods engel groot!
Tusschenzang:
De vane....
„Wie is als God!” zij ons geschreeuw, zoo ’t uwe was, voordezen; verwinnaar zal de vlaamsche leeuw door Michaël, nog wezen; staat, Engel Gods, zoo bidden wij, ons, lijdend, wijgend, stervend, bij!
Tusschenzang:
De vane....
10/5 ’98.
[131]
OCH WARE IK.... Och, ware ik ongevoelig en mijn herte een steen bedegen, wanneer de boosheid bijten komt van die mij toegenegen en dankbaar wezen moesten! ach! ’t en is geen een verschenen, of was er een, hij verre weg van hier is en verdwenen. ’n Ware ik maar gevoelig als ik tranen zie en lijden, bereid om al dat doenlijk is te doen en hen te blijden die, troostloos zijnde, zeggen: „Helpt: u wille ik al mijn leven, bedanken!” Neen: beloven is een ander ding als geven! Ach, weze dan mijn herte zoo’t voor u, moet zijn, o Vader, die meer mij als ik immer mocht verdienen, altegader [132] ontvangen liet; die vroolijk zijn mij doet, mijn herte pramend; en al te menig keeren mijne ondankbaarheid beschamend! Kortrijk, 25/5 ’98.
[133]