← Table of contents
Laatste verzen

GODDELIJKE BESCHOUWINGEN.[1]

Reading edition

GODDELIJKE BESCHOUWINGEN.[1]

o Hoogste, grootste goedheid, God, mijn herte haakt om u, tot smachtens, tot stervens schier; en immer wachtens, is ’t moe voortaan. Och, uit het slot, dat mij benauwd houdt en gevangen, verlost me, gij die mijn verlangen volleesten kunt alleen! Wie zal, in ’s werelds perk, in ’s hemels paden, mij buiten u, o God, verzaden, mijn eenig deel, mijn eeuwig al?

1898.

Edoch, o Heere God, hoe geren is ’t dat wij erkennen uw bestaan, aanbidden u en loven ootmoediglijk, die ’t al beneên berekt en boven, dat ’t voegende in getal, gewichte en mate zij!

Gij buiten alle macht, Zijt immer, meer als al dat grootheid heeten kan of mogendheid, almachtig; [157] de kracht van uwen arm, waar is er één zoo krachtig, die ’t geen hij willens werkt hem tegenwerken zal?

Het op- of nedergaan eens evenaars en heeft geen mindere achtbaarheid, in al zijn onbeduiden, als ’s werelds ommeloop, bij u; ’t en laaft de kruiden eer ’t dageraadt, geen dauw, of gij daar acht op geeft.

Ontfermens zijt gij vol, die God almachtig zijt, voor allen; al dat is bemint gij; geene zaken en zijnder, die gij eens gemaakt hebt, of zult maken, die gij geen jonste en hebt, geen liefde toegewijd.

Hoe kon dan ievers iet, uws nillens, blijven staan, van al dat staande blijft, een stonde? Zou het leven niet, zonder uwen roep, die dooden wekt, begeven? Zou al dat wezen heeft niet wezenloos vergaan?

[158]

Gij spaart intusschentijd, al ’t uwe en ongespaard en laat gij wicht van al dat lief u is; vernielen en zal de zielendief, o minnaar van de zielen, hetgeen gij, ’s Heeren goede en zoete geest, bewaart[1].

1898.

Hoe dankbaar moesten wij, ontfermnisvolle, wezen, u, grooten, goeden God, en die, van jongs af aan, nooit anders ons en hebt als immer goed gedaan: ’t zij, niet zijnde, ons gemaakt, ’t zij, dood zijnde, ons genezen?

Niet eer en leefde er licht in ons, en rechte reden, of wij erkenden, wij geloofden u, o Heer; beminden u, dien wij erkenden, immermeer en brachten u den lof onschuldiger gebeden.

[159]

Wij waren, aan de hand van ouders en van vrienden, geleidsmand en geleerd; wij zaten, door uw kerk, als teêre vogelkens geborgen in de vlerk van al uw goedheid, die geen goedheid en verdienden.

Hoe komt het dan, dat wij, die al uw goedheid wisten, al uw bermhertig, al uw vaderlijk voorzien; u varen lieten en, zoo dikwijls, bovendien, hetgeen gij geren gaaft al roekeloos verkwistten?

Te spade en is het nooit te leeren en te weten, dat u te weten ons rechtveerdig maken zal; dat gij ons redden kunt en wilt, die immers al rechtveerdigheid, o God, en macht zijt, ongemeten.

Och, laat, van nu voortaan, voor goed ons herbeginnen te leeren wat gij zijt afgrondelijke schat [160] van liefde en leven; laat ons u, in Sion’s stad, onsterfelijke liefde, onsterfelijk beminnen!

1898.

Nog nauwelijks hebben wij den mond aan ’t glas geleid der hemelschale, die, vol bruiloftswijn geschonken, ons de al te milde hand van God heeft voorbereid, of dadelijk ontspringt ons herte en, liefdedronken, vereert het u, o God, zijn volle dankbaarheid!

1898.

Verwonderd zien wij uw almachtig Voorbeschik, wijl de eeuwen ommegaan, de vaste gronden bouwen van ’t Huis- en ’t Kerkgewelf, dat, aller hellen schrik, dat aller menschen heil die op uw woord betrouwen staat eeuwig, Godvast, nu en elken oogenblik.

1898.

[161]

Belofte is al die Gods[1] goe vrienden zijn, gedaan, dat, als zij, zalig, eens het Leven binnentreden, zij wezen zullen zoo de vorsten zijn, voortaan, die heerschen in ’t gebied der hooge hemelsteden, en die, naast Michaël, getrouw zijn blijven staan.

Zoo zal Jeruzalem, des vreden vrije steê, van al Gods kinderen de moeder eens bedijgen; veel vreemde steden zal God ééne stad ermeê doen worden om alzoo ’t getal bijeen te krijgen van ’t Volk, dat eeuwig hem behooren moet, in vreê.

’t Getal der Heiligen en weet geen een; ’t getal geen een, der geesten, die Gods heiligdom ontvielen: toch weten wij hoe uwe ontvorste zetels al, o Hemel, zetten eens vol vrijgemaakte zielen de milde moederschoot van Roomsche Kerke zal.

[162]

O Roomsche Kerke, die, als kinderloos veracht, als barre wildernisse, op aarde, wierdt verwezen, hoevelen zijnder, die ge in ’t leven hebt gebracht of die ge in ’t leven nog zult brengen? In ’t nadezen, hoevelen zijnder, die Gods wil van u verwacht?

Hij weet alleen hoe groot is nu zijn eigen diet, hoe groot het wezen zal hierna, die alle zaken geschapen heeft; die al dat wezen heeft of niet te voorschijn roepen en[2] kan maken of ontmaken: ie ’t al op mate, wicht en tel geworden liet.

1898.

o Heere, God, uw licht hebt ge, en genade, mij gegeven, daarbij mij dieper, nu als ooit, is in de ziel gedreven, dat u alleen, o gever goed van ’t waar geloove, ik danken moet.

[163]

Zoo helder als de zonne, straalt de grootheid uwer gave ’t onschatbaar, hemelsch licht, daaraan mijn herte ik langend lave. Wie kent er... Ik en kenne geen zoo onbederfbaar edelsteen.

Noodwendig is ’t geloove, dat begrijpe ik, en geen zaken, geloove ik niet, en helpen mij ter zaligheid geraken: mijn eigen goed of ware ’t al, ’t geloove alleen mij baten zal.

Mijn wille en mijn verstand ben ik bereid, ten allen stonde, te vellen vóór uw voeten om één woord uit uwen monde: zoo is het en, die Waarheid zijt, betaamt het u, ten allen tijd.

Mijn redelijk verstand betuigt, dat ’t zoo behoort te wezen; en, komt mijne arme onwetenschap daartegen opgerezen, ’k geloove en helpt o God, voortaan, mijn ongeloove ook rechte staan!

Heel vaste en onberoerd is mijn geloove: niets en is er, van al dat ooit onloochenbaar of waarheid was, gewisser: ’k geloove en, uit mijns herten grond, bedanke ik u, ten allen stond.

[164]

’k En was maar eerst geboren, of gij goedheid zonder gronden, ’t geloof hebt in mijn herte diep, als heblijkheid, gezonden; g’ hebt levende als een zaad, voortaan, ’t geloove in mij doen wortel slaan.

In ’t Doopsel is ’t geloove mij, als deugd, eerst ingegeven, die werkzaam, is ontwaakt en, met der daad, in mij gaan leven, zoohaast haar en verstandigheid en wil den weg had voorbereid.

Zoo is t, door uw genade, o God, en ’t leeren uwer Kerke, dat eindlijk mijn gelooven en mijn willen kwam te werke: door ouders, herders, vrienden goed, geholpen eerst en opgevoed.

’t Geloove was mij, ’t leven door, een licht en, langs de paden des werelds, heeft het, recht en wel, mij, schamel mensch, geraden: het heeft mij, vaste en onverkeerd, de waarheid uwer wet geleerd.

Het heeft mij, daar, och arme, ik was gevallen of gaan dwalen, [165] weêr opgesterkt, mijn stappen mij doen wenden, doen herhalen: dat leed was, af- en weggedaan; dat goed is, al, mij toegestaan.

Ootmoedig, eerbiedvuldig, zal uw gave, o God, ik dragen, tot ’t einde toe mijns levens, en, daar ’t nood doet, hulpe vragen; totdat mijne ooge uw weerglans niet, maar vlak uwe eigen wezen ziet.

Intusschen, wille ik doen alzoo ’t geloove leert en winnen meer wetenschap om God, voortaan, meer wetend, meer te minnen. Zoo weze ’t mij en alle liên, die blind eerst, nu den dagraad zien.

Die blad voor blad, heeft opgemaakt dit werksken, wenscht, bij dezen, dat ’t voordeel doe aan allen, die ’t godvruchtig willen lezen; opdat uw’ name, God en Heer, vereerd zij, nu en immermeer.

1898.

[166] [167]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings