← Table of contents
Laatste verzen

DUC NOS QUO TENDIMUS![1]

Reading edition

DUC NOS QUO TENDIMUS![1]

Wilt ge een hof vol beukenboomen, zwarte en groene, als daken dicht, ondoorstroomd, de volle stroomen vangen zien van ’t zonnelicht; wilt ge een kermesse aan uwe oogen geven, ’k ga den weg u toogen.

Wilt ge geurig gers gerieken, versch gezeisend; dóór de wee’n op en af de houten rieken, ’t hooi zien dansen, al deureen, komt en laat, in ’t park getreden, vóór u gaan, of na, mij heden.

Uit en in de schaduwsluipen, te over ’t hoofd in ’t donker groen, wilt ge heen- en wederkruipen, duikske-weg, u zoeken doen; wilt ge vrij van zorgen leven, komt, ik ga de keure u geven.

[136]

Wilt ge, tien en twintig malen daags, het dampend reuzenros hooren zijnen asem halen, door end door den iepenbosch, slaande weg naar vreemde kusten komt nabij dien berk wat rusten.

Henen is ’t, en weêr een ander drakendier de bane bijt, bachten ons: een binnenlander is het nu, die henenrijdt!... Horkt hoe weêr de wielen ronken: ’t davert tot in de elzentronken.

Zich! Daar springt een haze! Och arme, laten moet hij noo’ den schat, dien hij, diepe in ’t hooi, in ’t warme woekernest geborgen had: ’t staat hem op den hals en sterven moet hij of zijn jongskes derven.

Groot van oogen, grauw van velle, lang van ooren, krom van been, zitten nu de lieve, snelle jongskes op mijn hand getween, weteloos of, weggedreven, vader nog en moeder leven!

Meermaals hoore ik menschen kouten, hoe verkeersels, wis en waar, hoe ze goede en kwa’ kabouten tegenkwamen, hier of daar: zijnder geesten hier, die dwalen, ’s nachts, het zijn de nachtegalen.

[137]

’t Doet: er komen goede geesten hier verkeeren, af en aan: lichaamlooze zielenleesten, uit het graf heropgestaan, daar ze, veel of luttel jaren voortijds, in begraven waren.

Hautscilt en de oude Eeckhoute-abten komen hier en doen alsof ze elkeen met elkander klapten, stemmeloos, in ’t wandelhof, van ’t oud huiswerk, dat, voorheden, hier end daar, zij bouwen deden.

’t Is al weg nu, zoo zij zelven weg zijn: wijde en waterland, boomen zijn ’t nu, boschgewelven, gulzig gers en zuiver zand. Henen zij ze, en andere ontzielden komen, daar zij dagvaart hielden.

Welby Pugin en, daarnevens, Jan Bethune, zijn gebroêr, die, den langen dag huns levens, trokken een en ’t zelve snoer, hoore ik nu, al zoetjes spreken, ’t beeld van een gebouw uitsteken.

„Dààr het ziedhuis, dààr het water, zus en zoo den trap gezet. ’s Zomers, noord de slaapsteê; later, wordt het koud, alhier het bed. Tenden zij, om God te loven, nog een bidsteê bijgeschoven.”

[138]

„Michaël zal ’t huis bewaken, met zijn zweerd. Wie is als God?” hoore ik in de samenspraken slaan van de edele twee; „en ’t slot zal Maria, zonder vlekken maagd, met heuren mantel dekken.”

„Jan-Baptiste moet hier hebben, nacht en dag; zijne eere, want zuiver water doet hij ebben, uit der aarde en over ’t land. Naast Maria moet, nadezen, Joseph hier gediend ook wezen.”

„Donatiaan, met zeven lichten, ringsom, op een wiel gepint, zal de vijandschap doen zwichten, van die alles uitverzint, ’s nachts, om in de terruwstruiken harik en vergif te duiken.”

Weêrom zijn ze weg, verdwenen! Al met eenen keer, zoo staan huis en hof mij daar verschenen: dag is ’t; en de hooiers gaan overal, bij zware slagen, ’t geurig gers omverrevagen.

Wee is mij! Waar zijn mijn zinnen? Dorst ik, in zijn eigen huis, dichten, bij den Bisschop, binnen? Neen! „Duc nos quò tendimus!” hadde ik liever zeggen moeten, neêrgeknield, aan ’s Leeraars voeten.

Sint-Michiels, bij Brugge, 29/6/’98.

[139]

IN ’T RIET Gedoken half, in ’t riet, half zichtbaar, in de rieten, aanschouwt de koeien mij, die, versch uit hunne slieten en vaste veters, nu op vrije voeten gaan en, gaande, ’s morgens vroeg hun lange steerten slaan. Omhooge heffen zij hun hoofd en doen de stalen van ’t omgebogen riet hun tongen nederhalen te mondewaards; de zwakke, ontgroende staven riet men rijzen toppeloos, en weerom rechte ziet. Ze stampen dat het kraakt, en ’t water van beneden hun voeten, spettert op en speit hen om de leden; de koeier djakt zijn djakke en, djakkend, rechtevoort hij koeiers overal hem tegendjakken hoort. [140] De dazen zijn daar aan en bij, bij bijzen weven zij, rings om elke koe, hun’ zidderende schreven; ze zuipen zuiver bloed, bij volle zeupen, uit de malsche bronnen van de diepe koeienhuid. Vaart henen, zonne, weêr ten avondwaard: de koeien en kunnen ’t herden noch gedragen meer; ze loeien om vrij te zijn van ’t zog, dat hun den uier spant; om vrij te zijn van ’t vier dat hun de balgen brandt. „Naar huis, allei—alla!” Zoo luidt het en, geladen met de ongevalschte gift huns overvloeds, zoo waden de koeien uit het riet en uit den meersch, verbeid, weêrom te stallewaards en in de stilligheid. Zillebeke, 27/9 ’98.

[141]

SORBUS AUCUPARIA. L. Nen zwicht van bloeroo bezekens, de weêrga van coraal, zie ’k hooge, op de averesschen staan, en blinken altemaal; de najaarszonne vonkelt op dien ongetelden pereldrop. De blaren zijn al afgewaaid en ’t hout is, heel ontkleed, met honderdduizend beierkens behangen, wijd en breed. „En hoe, o lustig lijsterdiet, en plukt ge mij die perels niet?” —„Gij draagt misschien een roer, dat ons het leven rooven moet; of peerdshaar hebt gij meêgebracht, bestemd voor onzen voet? Verlaat ons, want we leven, wij, van al dat man of maag is, vrij!”— [142] „Sa, merel, lijster, kwalster, al dat averesschenooft veroorbaart, hier! en dapper u nen vollen buik geroofd: geen mensche en ziet u, rep noch zeg en hoore ik meer, ’t gevaar is weg!” ’t Is menig, menig vogel zat gaan slapen en voortaan, de zonne is, in den oosten, en de dag weer opgestaan: geene averessche, of, ongeminkt, hij nog vol bloeroo bezen blinkt. En avereschhout staat er, met de macht, dat, ongekrankt, vol bezen, tusschen ’t ander hout, en boven ’t ander, hangt; maar wie die al de perels van die trotsche toppen tellen kan? Tot Iper, op de „werken”, staat dit wonder, ongekend; en menig weet zooveel daarvan of waar hij stekeblend: dat schoone is, en geen bate en bringt, is goed voor—een die liedtjes zingt. Zillebeke, 2/10 ’98.

[143]

... AAN DEN LINDEBOOM O! wat schoon, wat bolgekruinden lindeboom, van verre ik staan zie, blinkende in den morgendoom! Heel is hij gewelkerd al en duizendvoud van verwen, langzaam afgesleten guldengoud. Dag en schijnt er op nog noensche zonneglans: ’t is vochtig en de hemelkomme is duister gansch. Doch, ik zie mij, zonnewijs in ’t nedergaan, die najaarsche, ei, die bolgekruinde linde staan. Ringsom rijzen hooge en groote, zwart en zwaar getakte boomen, naast die lieve linde daar. [144] Diepe schaduw schieten ze en een donker groen gewelf zij om het wezen van die linde doen. Weest gegroet mij, nauwlijks uit den morgendoom erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den lindeboom! Sente, 29/10 ’98.

[145]

BLADERVAL De boomen strooien weêr den weg met wakke winterblaren, die, vol gevangen morgendauw, te gronde nedervaren. Ze wentlen, zoo de wouters doen, die weg en weder draaien, van de eene blomme op de andere, in het heetste zonnelaaien. Geen zonne nu, geen vlindervlucht, geen blommen meer, die blinken; maar blâren, die, verwelkerd, uit de hooge boomen zinken. Maar blâren die, al stemmeloos, in ’t gers en in de biezen, in ’t diepe van den wagenslag hun stille grafsteê kiezen. De lucht is heel doorwaaid ervan: de wegen en de weiden, de voren in den akkergrond en kan ik onderscheiden. [146] Zóó dapper, in de velden, zijn des zomers oude paden met allerhande verwen van gestrooisel overladen. Komt, koning Winter, komt nu maar; bij honderdduizendtallen, van blommen en van blâren is als ’t zomervolk gevallen. Sente, 29/10 ’98.

[147]

EGO FLOS.... (Cant. II:1) Ik ben een blomme en bloeide vóór uwe oogen, geweldig zonnelicht, dat, eeuwig onontaard, mij, nietig schepselken, in ’t leven wilt gedoogen en, na dit leven, mij het eeuwig leven spaart. Ik ben een blomme en doe des morgens open, des avonds toe mijn blad, om beurtelings, nadien, wanneer gij, zonne, zult, heropgestaan, mij nopen, te ontwaken nog eens of mijn hoofd den slaap te biên. Mijn leven is uw licht: mijn doen, mijn derven, mijn’ hope, mijn geluk, mijn eenigste en mijn al, [148] wat kan ik, zonder u, als eeuwig, eeuwig sterven; wat heb ik, zonder u, dat ik beminnen zal? ’k Ben ver van u, ofschoon gij, zoete bronne van al dat leven is of immer leven doet, mij naast van al genaakt en zendt, o lieve zonne, tot in mijn diepste diep uw aldoorgaanden gloed. Haalt op, haalt af!... ontbindt mijne aardsche boeien; ontwortelt mij, ontdelft mij!... Henen laat mij... laat daar ’t altijd zomer is en zonnelicht mij spoeien en daar gij, eeuwige, ééne, alschoone blomme, staat. Laat alles zijn voorbij, gedaan, verleden, dat afscheid tusschen ons en diepe kloven spant: laat morgen, avond, al dat heenmoet, henentreden, laat uw oneindig licht mij zien, in ’t Vaderland! [149] Dan zal ik vóór.... o neen, niet vóór uwe oogen, maar naast u, nevens u, maar in u bloeien zaan; zoo gij mij, schepselken, in ’t leven wilt gedoogen, zoo in uw eeuwig licht me gij laat binnengaan. Kortrijk, 17/11 ’98.

[150]

PLATANUS ORIENTALIS. L. Alhier, aldaar, wijd uit, wijd om, wijd afgevallen blaren bezabberen mij ’t wandelpad, alsof het vagen waren van verwers handen, geelwe op groen, die ’t grauw der aarde blinken doen. Een zure wind is opgestaan, die ’t schoone der platanen, zijns ondanks, al te langen tijd zag schaduwen de banen van ’t zomerhof. ’t Is winter haast en ’t oud, afjunstig noorden blaast. Die zatgezopen, zooveel tijd, aan ’t zalig zonneleven, daar stonden, ei! zoo roekeloos en ’t hoofd omhooggeheven, gevallen zie ’k nu los en loom, beneden den plataneboom. [151] Zoo valt, die op de winden schreed, ééns bliksemens, doorschoten, de vogel, bei zijn slagers af, en langzaam neêrgevloten, in ’t zand des wegs: met borst en klauw, vergeefs gewend naar ’t hemelsblauw. Plataneboomen, ’t deert mij, dat ik, wandelende, ’t zoete geweefsel van uw schaduwkleed, in ’t stof betreden moete, dat eens zijn bergzaam looverdak mij bood, wanneer de zonne stak. Dat eens mij zoete zangen zong wanneer, te lossen toome, de bolle wind zijn’ sprongen sprong en liep van boom tot boome; al zuchtende.... o, zoo schoon en kweelt geen vinder, die de harpe speelt. Dat eens!.... Maar nu is ’t veeg en ’t valt in ’t graf: de winden loeien zijn lijkgezang! Platanenloof, te zomer zal ’t hergroeien en wederom den zonneschijn mij zichtend voor de voeten zijn. Kortrijk, 20/11 ’98.

[152]

SLAAPLIED Waait mij nu zoetjes, o zuchtende wind; wiegt mij en douwt mij dat zuilende kind; speelt om zijn wichtelijk aanzichtje en laat Jesuken rusten; het slapen nu gaat. Palmen die roerende en wagende zijt, stilt om mijn kindeke uw takken nen tijd; engelkens, zoetjes, ach, Jesuken wilt slapen: uw’ tonge en uw’ harpe nu stilt. Vogelkes zwijgt, die daar huppelt en springt; dauwdruppels, zoetjes en belt noch en klinkt; [153] zonne, uw machtige stralen verfrischt: ’t kindeke Jesus.... in slape.... nu is ’t! Kerstdag 1898.

[154]

KROMMENISSE Rechte en zonder krommenissen, tusschen u en mij, beslissen laat mij, vaste en veilig, of gij mij of ik u, vandage, leggen zal aan ’t wijngelage, spijts uw ijdel wangebof! Steene, 12/12 ’98.

[155]

VERLORENBROOD Verlorenbroods zijn zulke lieden, die weinig hope of geene u bieden, ’t zij waar zij gaan of waar zij staan, van eens of anders meê te slaan: ’t zijn steiteniets, ’t zijn daghuurdieven, ’t zijn onbetaalde wisselbrieven, ’t zijn bodemlooze vaten, daar’t ’t gevangen water deurevaart; die wint voor zulke of werkt, voor nieten zal arbeid hij en geld verschieten; voor zulken bakt, geringe of groot, die bakken wilt—verloren brood! Steene, 12/12 ’98.

[156]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings