← Table of contents
Laatste verzen

DE DAGERAAD[1]

Reading edition

DE DAGERAAD[1]

In ’t blauwe van den hemel doekt een kleene, witte wolke de zonne mij; en ’t witte van die wolke en komt geen vlekkelooze molke, geen wolle bij;

geen witgewasschen wolle, noch geen snee die, versch gevallen, te gronde ligt; zoo wit is, op de boorden van die witte wolke, ’t brallen van ’t zonnelicht.

[118]

’k En kan ’t niet meer bezien bijkans, mijne oogen willen dolen; ’t is vermiljoen, dat, zwart in mijnen boek gedrukt, zoo zwart is als de kolen, en ’t rood is groen.

De Leye, die daar stille licht, het water in de beken, is rood voortaan: terwijl, van top tot tee’n mij als van ’t morgenrood ontsteken de boomen staan.

Het schemert hooge en leege nu, en diepe in ’s hemels gronden, vandage staat, beneên dien witten zonnedoek, in ’s middags hooge stonden, de dageraad!

Kortrijk, 8-9/3 ’98.

[119]

NEVELDUISTERNIS Gegrauwdoekt is de grond der kimme en allenthenen vol damp en duisternis; de boomen, half verdwenen, half zichtbaar, hebben, daar ze stille staan en stom, van wolkenweefsel elk een grauwen tabbaard om. ’t Hoogmorgent en, zoo ’t schijnt, ’t en wilt geen dag meer dagen: daar moet iets ongesteld of los zijn aan den wagen der zonnehingsten, dat ze in toom gehouden staan en, immer nippend, nooit een schreê vooruit en gaan. De wereld mist den troost dier zoete zonnestralen, die alles leven doen, daar ooit zij nederdalen; [120] die ’t schoone schoon doen en die ’t goede goed doen zijn: die God verbeelden in Gods beeld, den zonneschijn. De wereld mist dat nu: ze treurt en, langs de lanen, daar ’t eenmaal blommen droop en druipen nu maar tranen; daar ’k eenmaal stemmen hoorde en vogelzang en ziet mijne ooge onschoonheid maar en sprakeloos verdriet. Dat ’t schaduw nu nog ware en wolken daar de winden, zoo in een schapentrop de honden, weg in vinden, en bleve een plekske vrij, dat blauw is, hier of daar! Och, neen, ’t is nevel, al omtrent me, en nevel, maar. O nevelduisternis, bij nachte zien mijne oogen de duizend teekens nog, die ’t ommegaan vertoogen des sterrenhemels! Gij, o nevelduisternis, en toogt mij niets van al daar hope of troost in is. [121] ’t Is meer als leed genoeg, en droefheid in mij, zonder uw droef afwezig zijn, o ’t weergalooste wonder van al dat wonder is in ’s werelds heerlijkheid! o Zonne, en zij mij nooit te lange uw licht ontzeid. Kortrijk, 17/3 ’98.

[122]

WINDTOCHT ’t Is helderblauw, vandage, en warmer als twee dagen of drie geleên, de tocht die ’k aseme is voortaan zoo licht en onbelaân, dat door mijn longen ik hem lustig late jagen. Hij loopt omtrent me heen, hij speelt me vóór de voeten; mijn haar omwentelt, en mijn kaken kust hij koel; in lijf en leên gevoel ik weer den jongen dag den ouden dag verzoeten. Hoe raast die wilde wind mijne ooren vol! Ze tuiten, ze tieren allerhand geruchten in mij, recht een stamerend gevecht van stemmen is ’t, die ’k slaan en bermen hoore, buiten. [123] Dan buige ik mij vooruit en wil de borst hem bieden; ’k ga stevig, stap voor stap, en ’k leune, lijf sta bij; wie zalder, ik of gij nu zege halen, wind, of ’t zegeveld ontvlieden? Zoo wierd er vroeger, ’t is mij eeuwen lang geleden, door hem die „Israël” nadien voor name droeg, bij nachte en ’s morgens vroeg, op een die, na den strijd, hem zegen gaf, gestreden. Dan, laat mij zegen ook, uit uwen mond, verwachten, o sterke vechter, Wind, die, loopende achter ’t veld, mij schier omverrevelt en worstelt tegen mij, en wijgt uit al uw krachten. Ik bidde u, zegent mij: niet eer en wilde ik wapen omleege leggen, u ontwijkende, eer gij doet ontwaken mij dat bloed, dat al te langen tijd, gerust heeft en geslapen. Kortrijk, 22/3 ’98.

[124]

AKSTERNESTEN Nog ijdel staan de boomen, in de blauwe lucht, en blaren en zie ’k ze hebben, meer als of ze dood en duister waren voor goed nu. Lang is alles zwart en zonder zap gebleven, dat wijleneer zoo groene stond in ’t zoete zomerleven. ’t Is zwart nu al, tot boven in de hooge abeelensprangen, daar zwarte en zware bonken in van aksternesten hangen. ’t Zijn teekens in de lucht, en wel bekende hemelbaken, dat wederom de zonne zit aan ’t lieve zomermaken. Toch bladerloos is al ’t geboomte en, verre heen in ’t westen, in ’t noorden, ’t zuiden, ’t oosten zie ’k alom vol aksternesten [125] de abeelen staan.—Verdappert uw bezoek en wilt de bronne des aksterlevens duiken al in ’t groen, o lieve zonne! Moscroen, 27/4 ’98.

[126]

LENTEGROEN Hoe lief is, op het donkerblauw der zwangergaande wolken, die donderpijlen dreigen dra, het lieve lentegroen, daar schielijk, uit de zuiderlucht de middendaagsche dolken der zonne, ’et lustig meievier een deuntje op dansen doen. ’t Is groen, dat diepe in ’t blauwe bijt, zoo hel en zoo doorschijnend, of eerst het uit den regenboog geboren ware; en blauw, dat dieper nog als hemelsch blauw des avonds is, verdwijnend in ’t zwangergaande duister van de wolken, gram en grauw. De zonne loopt daar smijtende in heur middendaagsche dolken, die speiten zoo geweldig op het lieve lentegroen, [127] dat ’t pinkelt en dat ’t pierelt op de blauwheid van de wolken, die, zwangergaande, dreigen dra nen donderdeun te doen. Aan Eug. De Lepeleer, 4/5 ’98.

[128]

VOORBIJ Voorbij is, eer het woord voluit mijn tonge ontsnapt, het veêrgefluit des vogels, die is verre en wijd van hier, bijkans in géénen tijd. Voorbij, zoo vaart het stoomgetuig zijn vechtend vier- en vonkgespuig, de schenen langs, één stonde, en is verdwenen in de duisternis. Voorbij zoo loopt een schaduw langs de stappen meê mijns wandelgangs, dóór ’t onafmeetbaar veld, dat ik ontgroenen zie van stik tot stik. Voorbij, zoo valt een striepken licht, een valsterre, over ’t aangezicht des hemels, en ’k en zie daarvan geen speur, eer zesse ik tellen kan. Voorbij o God, u uitgespaard, gaat ’t al voorbij en tendenwaard, gaat al dat is of was voorbij: Gij zijt alleene en blijft God, Gij! Kortrijk—Brugge, 10/5/’98.

[129]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings