← Table of contents
Laatste verzen

1898

Reading edition

[112] [113]

DUIVEN Klap-klap-klap m’n dertien duiven slaan hun vlerken, de eene op de aâr; klap-klap-klap, en henenschuiven doen ze van mijn dak, mij daar. Klap-klap-klap ze spelevaren rinkelrooiende, altemaal; klap-klap-klap van harentaren ommentom, in éénen haal. Klap-klap-klap ze zijn daar weder: hoort ge vlug hun vlerken slaan? Klap-klap-klap ze vallen neder, beetende op mijn dak voortaan. [114] Klap-klap-klap de veêren stuiven, want hun baaike, groef en fijn, klap-klap-klap m’n dertien duiven boetende in de zonne zijn. Kortrijk, 10/2 ’98.

[115]

MUSSCHEN De musschen weêral, vrij en vrank, vergâren, en verzinnen hoe nog eens, naar den ouden gang, de lente gaat beginnen. ’t En vriest niet meer, ’t en sneeuwt niet meer, ’t en vliegen meer geen vlagen: ’t wordt dageraad in ’t oosten eer, en langer zijn de dagen. De zonne—’n wordt, in ’t zonnelicht, de weide nog niet wakker,— goêmorgent, met heur mooi gezicht, den moedermilden akker. ’t Zit ander verwe in ’t hout, voortaan; de botgebolde boomen niet langer meer zoo drooge en staan te druilen en te droomen. Daar gaat entwat gebeuren; ’t is geband en gebaar geworden, dat Leven en Verrijzenis zijn ’t graf weêr uitgetorden. [116] De musschen hebben ’t nieuws ervan vernomen, en ze vliegen ’t vermonden; geld noch goed en kan dat musschenvolk bedriegen. Zoo, weêral zijn ze, vrij en vrank, de haantjes en de hinnen, aan ’t rinkevinken, luide en lang: de lente gaat beginnen! Kortrijk, 11-12/2 ’98.

[117]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings