„VADER OVERLEDEN”[1]
Reading edition
„VADER OVERLEDEN”[1]
o Al te kwade boodschapper, die, bitsig als een horselbie; die, stekende als een degenstoot; die, snel gelijk den bliksemslag; die, stom en doof, noodzakelijk, te mijwaard op de snaren komt gevlogen van den teekendraad! Te gauwe, ach armen, vindt ge mij en biedt gij, in uw bitsigheid, de boodschap,—en geen troost daartoe!— dat „vader overleden” is! Ge’n zegt niet hoe hij, vroomgezind, zijn kruise en zijne ellenden droeg; g’en zegt niet, echt en recht, hoe hij onwankelbaar geloovig en betrouwende in Gods goedheid was; g’en zegt niet hoe, beneên den bast van buitenwaardsche onteederheid, hij teêrheid in zijn herte borg; g’en zegt niet hoe, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds, hij was werkzaam; hoe ’t gevaar hij niet en minde, niet en vreesde, daar ’t de plicht beval: [170] g’en zegt niet hoe nauwkeuriglijk hij omzag, daar te zorgen viel voor kinderlijke onschuldigheid; g’en zegt niet hoe noch wat hij was, vóór God en vóór de menschen: gij en steekt me.... en gij en stoot me maar door ’t herte, dat hij henen is, mijn broeder! Van geen zielenruste en rept gij!—Och, hoe herteloos doorslaat mij nu die bliksemslag en biedt hij mij, in zijn bitsigheid, de boodschap,—en geen troost daartoe!— dat „vader overleden” is!— Zijn ziele God genadig zij! o Al te kwade boodschapper!
Kortrijk, 1/1 ’99.
[171]