← Table of contents
Laatste verzen

1895

Reading edition

[22] [23]

CRUCIFIXUS ETIAM PRO NOBIS; SUB PONTIO PILATO PASSUS, ET SEPULTUS EST. ET RESURREXIT. Credo.

[24] [25]

DE EERSTE STONDE: GEVONNIST. Magdalena, en de heilige Vrouwen: Waar gaat hij heen, dien ’t herte mijn bemint? In welke handen, gevallen, moet hij leed en pijn gedoogend en verdragend zijn, o schand der schanden? Gebonden zie ’k hem henengaan, gevonnist en verwezen aan den galgeboom te sterven! o Gij, die God zijt, laat gij nu uw’ kinderen onterven van ’t hemelsch licht?—Wij volgen u, want, daar gij gaat en zal, gewis, bedriegen ons de duisternis.

[26]

DE TWEEDE STONDE: NAAR GOLGOTHA. De vijanden ons Heeren: Sla-dood!—Hij ga ter galgenstraf! Biedt Barabbas het leven! Sla-dood!—Hij wilt den tempel af, en ’s keizers geld ontgeven. Sla-dood!—Wij hebben Barabbas! Geen hoofd en kent dit jodenras, —hem...gaan wij galgenboomen!— als ’t opperhoofd van Roomen. Op ons zijn bloed, op onzen stam: die ’t volk ontstak, die leeren kwam dat hij—op ons, op ons zijn bloed!— dat hij Gods zone is, sterven moet hij, sterven!... De vier heilige Evangelisten: Zoo roept men, en men haalt, verwenschende overluid, zachtmoedig als een lam, de vonnisdeuren uit, Gods zoon, die sterven gaat, en blusschen, in zijn bloed, de wilde ontuchtigheid van ’s wereld overmoed!

[27]

DE DERDE STONDE: EERSTE VAL. De vier heilige Evangelisten: Gebannen, gaat en draagt hij, lijdende langs de baan, den boom, die, nagelvast hem dragende, rood zal staan, eer ’t heden noene is! Helpt!—Te late is het!— Ach!...nu ligt ter aarden neêrgeveld, ’t aanbiddelijk aangezicht des Heeren! ’t Vallend hout der ongenade... och!—En ’t dwingt hem, als een’ druive, daar de wijnman den wijn uit wringt!

[28]

DE VIERDE STONDE: MARIA. Maria, de Moeder Gods: Wach-arme, ik, in Jeruzalem u zoekende, eer veel jaren, en vond u na drie dagen maar, bij de oude kerkleeraren; ik vinde u heden al te ras, en ’t eerste lang verlies mij nooit zoo leed en was als dit, wanneer gij mij, hervonden, vaart verloren! Mijn kind, mijn uitverkoren, mijn herte kent, mijn ooge u niet, die, moe van weenen, schemerziet, en doolt, op uwe schreden! Waar gaat gij heengetreden? Komt hier! mijn alderliefste kind, en zelve uws zelfs vrouw-moeder vindt!— Doch neen: aan ’s Vaders wil, die u mij heeft geschonken, blijft gij, blijve ik geklonken!

[29]

DE VIJFDE STONDE: SIMOEN VAN CYRENEN. De vrienden ons Heeren: Simoen, van Cyrenen nooit en zal ’t verdwenen, nooit en zal ’t verloren gaan, ’t geen gij hebt om God gedaan. Simoen, van Cyrenen, Jesus is verschenen: ’t eigen volk en kent hem niet: vreemdeling, gij, hulp’ hem biedt! Simoen, van Cyrenen, op de scherpe schenen stoot hij, van de rotsen, aan: Simoen, wilt hem bij gaan staan! Simoen, van Cyrenen, dragende gaan wij henen, ’t galgenhout met u; en hem volgen wij, dóór Jerusalem.

[30]

DE ZESDE STONDE: VERONICA. Magdalena, en de heilige Vrouwen: Veronica, gedoekte en deernisvolle, die ’k het minnend aangezicht, het jammerbeeld des Heeren, met medelijdend herte en monde, omhelzen zie, Berenice, Veronica, een’ lesse zult ons leeren. Wij dragen ook een beeld op ons, een penningwerk, gemunt met ’s keizers hoofd, met ’s keizers zegelmerk, maar moeten dieper als in dunne doeken halen, en in ons herte diep zien af te malen, het wezen Gods, die ons uit stof en aarde schiep, en riep om eeuwig eens, met u en hem, te zegepralen, in ’s hemels zalen, Veronica,—die ’t beeld zijns lijdens heeft gedoogd te worden, langs den weg, door u hier afgedroogd.

[31]

DE ZEVENSTE STONDE: TWEEDE VAL. De vier heilige Evangelisten: Hij ligt, door uwe schuld, o Lucifer, gevallen, die, nijdig opgestaan, met honderd duizendtallen der uwen, nedervielt voor Michaëls „Wie is Gods weêrga?” in den poel der diepe duisternis! —Gij stondt en wildet hem, gekropen vóór uw’ voeten, eens, in de wildernis, met ’s werelds eere groeten: hij brak uw’ boosheid dan. Gij vluchtet.—Neêr nu ligt in ’t stof der aarden, ja, zijn Godlijk aangezicht. Verkondt het al die u als opperheer aanschouwen, verkondt het, en verheugt, is ’t mooglijk, uw getrouwen: eer ’t morgen dag is, heeft hij u, in ’t voorgeborcht, geroofd de zielen, die gij in uw’ strikken worgt. —Van hier!—Gaat hangen hem, en galgen, op de rotse, en weet wie—hij of gij—zal zegepralen,—trotse!

[32]

DE ACHTSTE STONDE: DE WEENENDE VROUWEN. Ons Heere Jesus-Christus: Ach, moeders, moeders, moeders, en Jerusalemsche vrouwen, wel mag het u berouwen, die moeder zijt, of worden zult, hetgene, eilaas, uw herten vult met hope en met betrouwen! Aanziet mij, schamel moeders eerste en laatste kind, van jaren, zoo jong nog als de blâren, die blinkende op de boomen staan, verdorren en verbranden:— hoe zal ’t dan met het droog hout gaan, in ’s vijands wreede handen? Gij weent op mij, maar, moeders, meer moet op u zelven treuren, en op uwe arme schapen teêr, die ’t roomsche heer zal kwetsen en verscheuren!

[33]

DE NEGENSTE STONDE: DERDE VAL. De vrienden ons Heeren: Tot zevenmaal rechtveerdig man, hoe vast hij sta, bezwijken kan, op éénen dag; en even zoo menigmaal herleven. Gebroeder, gij vergeven zult, geen zevenmaal, uw’ broeders schuld, maar tzeventigmaal zeven gebreken—hem vergeven. De goede Herder driemaal is gevallen, om vergiffenis te biên u, en te geven, om uwentwil, zijn leven. o Herder, in uw eigen bloed, hier kruipende, over hand en voet, ach, wilt ’t gene ik bedreven heb duizendmaal—vergeven!

[34]

DE TIENSTE STONDE: ONTKLEED. De vier heilige Evangelisten: Aanschouwt, den wormen nu niet ongelijk, tot tegen het kale bekkeneel van Golgotha gekregen, den zone Gods; ontbloot van alles, moedernaakt is hij, en ha’ de roe hem eenen rok gemaakt, van roode wonden! Wie, wie kent hem? Van beneden tot boven toe, geheel en is, in al zijn’ leden, nu niets! Wie kent hem, wie, in ’t wisselverwig kleed van Jacobs lieveling, die m’n in den steenput smeet? Gods zone is ’t!—Schande op u, wier dertel vleesch geboren uit Adams vleesch, u ook, als Adam, liet bekoren tot zonde en schande! Aanschouwt,—want gij het hebt gedaan,— ’t Lam Gods, onschuldig, om uw’ schuld hier schande uitstaan!

[35]

DE ELFSTE STONDE: GEKRUIST. Spotlied. De oversten des Volks: Verloochend en verlaten, daar hangt hij,—onze Koning! hij!— ten spotliede, achter straten, —Eli! Eli! Sabacthani,— van elkendeen!—Eli! Eli! De Schriftgeleerden: Die alleman, voordezen, genaast, nu wilt genezen u zelven, zoo Gods zoon gij zijt; en leert ons, eer de dood u bijt, wach!—ons—geloovig wezen! De joodsche Priesters: Eli! Eli!—Wat wilt de man, die ’s Heeren bidsteê breken kan en maken, na drie dagen, —Gods zone is hij!—wat wilt hij dan der dieven dood verdragen? ’t Roomsch krijgsvolk: „Mij dorst!”—Laat ons Elias zien —haalt edik!—hem nu hulpe bien; [36] en, kan ’t, zoo moge ’t nu geschiên, hetgeen hij zei, voordezen, volbracht, dat ’t al ging wezen! Jesus: o Vader, gij die alles ziet hetgeen zij doen, ze’n weten ’t niet: vergeeft het hun! De vrienden des Heeren, 3 maal slaande op hunne borst: ’t Is onze schuld: Lam Gods, aleer gij sterven zult, vergeeft het ons!—’t Wordt middernacht...— Lam Gods!...—Lam Gods!... Jesus: ’t Is al volbracht!

[37]

DE TWAALFSTE STONDE: GESTORVEN. De vier heilige Evangelisten: —’t Dondert onder grond.—De graven gapen.—’t Splijt een klove, die tot in de moergebinten bijt der bergen.—Zonne en mane en sterren houdt de Dood, —al ’t licht van dezen dag,—geborgen in den schoot van heure afschuwlijkheid.—Zij nadert tot den stam, daar overwonnen, hij, die haar verwinnen kwam, uit vrijen halze, en eer zij hem aan ’t lijf besteelt, —bij ’t deinzen van de dood,—zijn’ ziele aan God beveelt en—sterft.

[38]

DE DERTIENSTE STONDE: DE VII WEE’N. De heilige Vrouwen, de vrienden ons Heeren: o Moeder van die lange en leede en scherpe zieledolken, die ’t spreken van één woord u in de zijde bracht, geheugt u nog die nacht, als de Engelen, in de wolken, geboren in uw’ schoot, aanbaden hem, onzalig moederherte,—o Zalig Bethlehem!— daar nu ligt, ontlijfd?—o Moeder van veel smerten, Maria, hadt gij meer als één, als honderd herten, in ieder zou, doordoornd, doorgeeseld en doorgaan, het zevenhandig zweerd van uwe droefheid staan! o Moeder, bidt voor ons,—daar bij den boom gezeten,— die einde aan uwe smerte, aan uwe liefde en weten! o Moeder, bidt voor ons, die Jezus’ Moeder zijt en onze Moeder nu,—nu—bidt voor ons—altijd...!

[39]

DE VEERTIENSTE STONDE: EN BEGRAVEN. Joseph van Arimatheia: Ons laat den Heere, na de rouwgeplogentheden, ’t nog onlangs uit den steen gegraven graf besteden, dat mij was voorbereid.—Het roomsche volk zal ’t waken, misschien, en joodsche wantrouw zegelvast het maken. De vier heilige Evangelisten: Zoo spraken ze, en ’t gebeurde recht alzoo zij spraken: van roomsche en ander volk, van zegelvast en waken; maar Jesus heeft de Dood, eer dagen drie geleden, —gestegen uit den steen, onsterflijk,—doodgetreden: Allen, eenmaal: Hallelu-jah!

[40] [41]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings