← Table of contents
Laatste verzen

GETIJDEN.[1]

Reading edition

GETIJDEN.[1]

VERNA.

Lente zal ’t, eer lang na dezen, eeuwig, eeuwig lente wezen, blijve ik, Priester Gods gewijd. U getrouw, die eeuwig zijt.

AESTIVA.

Maakt alom, te zomertijde, ’t zonneken de menschen blijde, hoe zal ’t, zonne Gods, mij gaan, als ik eens vóór u zal staan?

AUTUMNALIS.

Boomen, die geen ooft en schenken zal ’t gegloei der helle krenken: God, verleent mij daaglijks, dan werk en eens den loon ervan!

HIEMALIS.

Koude, sneeuw- en hagelvlagen, looft den Heer, die, alle dagen, hoe ’t geweld der winden drijft, waakt in mij en wakker blijft.

Cinxen, 1898.

[134]

CINXEN ’t Is stille, Cinxendag en, over ’t plekske vloers, van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven, de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal, ’t en zij, voorbij geschoven, een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog zegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!” ’t Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht, vervoere ik heel en al mijn innerwaardste wezen, tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf zijt heerlijk opgerezen; die in uw kerke rust en dáár, in ’t hoogste blauw, terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen. O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen, U in de sterren kan aanschouwen, groote God, zoo ver zijne oogen dragen, en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods, gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen? Kortrijk, 29/5 ’98

[135]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings