← Table of contents
Laatste verzen

BIGNONIA CATALPA. L.

Reading edition

’t Heeft fel gezomerzijpt, en, water gieten, onthier een amerij, deed ’t immer aan; nu zijn de scherpgepinde zonnesprieten, na lang geweld, de wolken doorgegaan: ’t geluchte is los, in tween zijn al de banden, die lijndoek om geheel den hemel spanden.

Hoe helder blinkt het blanke wiel, dat even onzichtbaar, zichtbaar nu, en bloot, alom geworden, geuten giet van licht en leven in ’t blauwe van den blauwen hemelkom! ’t Slaan bliksems in de lucht, en louter sprangen van reinboogverwe omtrent de boomen hangen.

De wind is opgestaan; hij schudt de blâren dat ’t perels overal aan ’t leken gaat; in ’t groen catalpaloof hij, heengevaren, de schaduwe en de takken openslaat daaronder ik nu zitte en asem hale, nu zuchtte[1], in de al te heete zonnestrale.

[100]

Het voor- en ’t nagetij elkaar genaken, midbâmesse en midlente is ’t, almedeen; op ieder lapken loofs er blommen blaken, aan ieder taksken hangt er edelsteen, dat, geluw, groen, en rood en blauw, van boomen vol bleuzende appels doet, en peren, droomen.

Een wonderlijk aanschouwen! Hoe ’t gelooven, schoon nauwe ik zitte en zie, dat ’t anders niet als lekend loof en is, en scherpe schooven van stralen, die daarin de zonne schiet: ’t is alles even vrij, van verwe en voege, of Adams paradijs weêr opensloege.

Dat menigmaal mij worde een wonne als deze geschonken, onder u, Catalpa schoon; de hand die u daar zette ’et welzijn weze gegeven van Gods ongekenden loon! En, zie ’k u zelden weêr, in later tijden, uw zijden zeildoek zal een ander blijden.

Kortrijk, 19/8 ’97.

[101]

BEZIET DIE BOOZE KATTE Beziet die booze katte, hoe zij nalijks nijpt heure oogen toe. Nu mijdt u, muiske meest van al: die blende katte u pakken zal! Het muiske en ha’ geen acht en het, in een-twee-drie, is opgefret. 29/8 ’97.

[102]

’T IS STILLE ’t Is stille, stille, allengerhand, en weerom wordt het avond; het zonnelicht is henen, ’t is een ander’ land nu lavend. ’t Is stille, stille.... zoetjes vaart dat roerde alom, te rustewaard. 4/9 ’97.

[103]

HET GULDEN VLIES ’t Is scherenstijd in ’t houtgewas. De blaren vallen: grond en gras zijn effen, van den wind die waait vol zilver en vol goud gezaaid. Zoo groene en is de grond nu meer als wijlen, toen de lente teer, en ’t jonge jaar zijn herte ontlook, de weiden en de bosschen ook. ’t Is scherenstijd. De schapen niet maar ’t houtgewas men scheren ziet; en ’t scherpe van de windenschaar aan ’t knippen is in ’t houtgeblaar. Daar vallen en vergaderen nu honderdduizend bladeren, die reuzen af de rijzekens, zoo lustig en zoo lijzekens. ’t Is ’t boomenvlies dat nederstort, dat altemaal gesneden wordt; dat af en dóór de schare moet, zoo ’t al, en te elken jare doet. [104] Het gulden vlies, dat Jason zocht, en reeuwroofde op het wangedrocht, aanschouwe ik al mijn leven lang, als wangeloove en kwenenzang. Maar ’t geen alhier, aldaar gestrooid, den weg dien ik nu ga vermooit, dat menigvuldig boomverlies, voorwaar dat is mij ’t gulden vlies. Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt doorschoten van den zonneschicht, onmeetbaar, verre, één schapendracht van ooienwolle en lammervacht. Een kleed is ’t, als van engelkens, van louter liefdebengelkens, die zijde en wolle en gouden blaân doen liggen, daar ze spelen gaan. Het rilt, bij elker schree, die ’k doe; het roert en ’t ruischt, ’k en weet niet hoe; en ’t riekt, alsof er reuke fijn van amber uit zou dampend zijn. ’t Is scherenstijd, in ’t houtgewas; geen stap mij ooit zoo zoete en was als dien ik eens, in Ipersteê, deur de afgevallen blâren deê! Kortrijk, 26/10 ’97.

[105]

HEBT MEÊLIJEN Hebt meêlijen met de boomen, laat den bast hun ongeschonden; bewaart ze voor de nijdigheid der kwade nagelwonden; geen onbermhertig menschenkind ze dood en kwelle: geeft de vrijheid aan des scheppers hand, die in hun lenden leeft. Hoe schandelijk ontmaakselt en ontmooit gij mij de vrome, de vrije en blije boomen, die ’k zoo geren tegenkome omtrent uw huis en hof, o gij, dien God met herte en oog heeft toegerust, om hem te zien in ’t heerlijk boomvertoog. ’k Zie opgeroeste pikken, moe van kappen en van kerven, gehamerd om den esschenboom, den esschenboom bederven, [106] daaraan het hekken vastgehaakt de bilken sluit, en ’t vee belemmert, dat zijn vulte zoekt, en voedsel, in de wee. ’k Zie boomen, die gebonden staan, in ’s dwingers booze handen, die nooit geen duimbreed af en laat zijne ijzervaste banden, maar spannende en onroerbaar, al dat leeft en roert in ’t lijf der boomen, doet misdragen tot een eerloos wanbeklijf. Gebulte boomen zie’k, en die, doorhakkeld en dooreten, vol krammen en vol haken staan gespijkerd en gesmeten; die werken zoo Gods wet hun wijst, die tranen en die bloên, o mensche, om eenmaal vrij te zijn van al u dertel doen. Of staan ze meer niet vast genoeg, de wortelvaste boomen? En vreest gij dat zij henengaan en meê met ’t water stroomen; of vliegen in de lucht, omdat gij scherpe draden spint, en lange reken boomen al in snijdend garen windt? [107] Och, arme, en is ’t genoeg u niet dat, schier nog ongeboren, het hout alreê geknipt moet zijn, geschonden en geschoren; dat ’t, galoos en tot alles dat het niet en is, gepraamd, wordt „gloriette” en „pyramide”, en „espalier” genaamd! Hebt meêlijen met de boomen, laat hun schoonheid ongeschonden, die schoonder is, onaangeroerd, onvast en ongebonden, zoo God ze liet gewassen zijn, gewonnen en gebaard, als al hetgene gij, o mensch, verzint en hebt vergaard. Kortrijk, 1/11 ’97.

[108]

DE LEYE De Leye ligt zoo stille, alsof van staal ze zou bedegen, van louter staal en stijfheid zijn; zoo blauw en, allerwegen, zoo glad is en zoo effen en zoo bloot zij nu. De winden en roeren niet of, roeren ze, geen speur en is te vinden, geen asemtje op de Leye ervan, die staal is, onberoerd, en alletwee mijn oogen tot aan Harelbeke voert. De Leye en kapt mij ’t kezzelspeur niet af nu, en heur plasschen en komt tot vóór mijn voeten niet den trakelwegel wasschen; ze ’n slaat geen witte kladden op en neere, alzoo de rossen die, schuimende, in de stringen van de wagens hossebossen: [109] maar stille ligt en lusteloos ze omleege.... stille staat er tusschen in, het maantje dat zijn schapen gadeslaat. Noch nacht en is noch dag geheel en gansch het: tusschen beiden kan hofgebouw en boomgewas ik zien en onderscheiden, die omgekeerd in ’t water staan, zoo schuren doen en schelven en schepen uit de Zuiderzee vol vlas—en ’s luchts gewelven, die zeggen: „Komt en kijkt, o mensch, naar ons, met al uw macht, ge’n kunt niet dat de Leye kan, bij ’t vallen van den nacht!” 7/11 ’97.

[110] [111]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings