PASCENT IN ÆTHERE CERVI
Reading edition
VIRG.
Och, Tone, tend de tijd daar is, en zal ’t geen rijspap regenen; maar, is de tijd daar, Tone, ton, sta vast, en valt aan ’t lepelen.
Nog nieuwer nieuws, als nu, wie weet, mag iedereen verwachten, en zoo ’t al gebeurt dat beuter mag[1], de koeien kunnen kachtelen!
Kortrijk, 25-26/5 ’97.
[94]
DE SPERRETAKKEN De sperretakken staan, nabij den boom, alsof hun blâren gestorven, over langen tijd aan jeugd en jonkheid waren; maar, al zoo zaan de zomer komt herzie ’k hun verste vingeren met jeugdig groen en zappigheid den ouden boom omslingeren. Nog winter is ’t, men zeggen zou, omtrent het bol; en neven het bol, zijn zwart de takken, die maar tendenwaards en leven: het oude draagt het nieuwe dat nog jong is; maar van dagen ook oud geworden, beurtelings zal ’t oude ’et nieuwe dragen. Op de ouden blijft gesteund, en zijt voorzichtig, jonge spranken; ’n laat u niet verleiden, om te vroeg u vrij te danken [95] van ’t oude: uit de oude grauwte van de schiergestorven boomen zal nieuwgeboren schoonheid eens, en sterkte, henenstroomen. 30/5 ’97.
[96]
SAMBUCUS NIGRA. L. Vlienderboom, ’t is al verloren, dat ik, u voorbijgeschoren, henenvare, in ’t snelgerij, overal ontmoet gij mij; overal voorbij mij drijven zie ’k uw witte blommenschijven. ’s Zomers lange en schoone dagen schijnen u, met welbehagen, toevertrouwd; en evengoed ’s avonds u de zonne groet, als des vroegen morgens. Edel groen zijt gij, van lijf en schedel. ’t Moet entwat omtrent u wezen, met u uit den grond gerezen, door ons volk u toegedicht, dat, voor mij, in ’t donker ligt: iets dat overal uw’ twijgen vrijdom laat, en woonsteê krijgen. [97] Overal! ’k En weet geen hoven, of, gij zijt erin geschoven, eens of anders, hier en daar staat gij, vlienderboom, entwaar: bachten ’t huis, aanzijds het water, zoo daar iet kan staan, gij staat er! ’t Ovenbuur beschut uw zware looverschaduwe en, ’t en ware versch, ten gronde nieuw gemaakt, ’t steenen huis daar Turk in waakt, verre niet van ’t messingbekken, vlienderboom, uw vlerken dekken. Om den hoogen essche, in ’t wenden van den weg, daar ’t water, tenden ’t hofgat, hier en daar gedekt met een brugge, zijwaards strekt, ringsom de oude mote, schoone spant ge alweêr uw’ looverkroone Ja, en, lieflijk uit der maten is ’t, om zien, hoe al uw platen vlakke witheid stijgen op, trapwijs, naar den esschentop, die daar staat,—hij zonder blommen— treurig, in den wind te brommen. Vlienderboom, gij schaduwt wielen, wagenbossen voor ’t vernielen van de zonne; en meermaals is ’t kindervolk een kerremis, als gij ze, aan uwe armen, zwingen luide laat, en liedtjes zingen. [98] Waterspeiten, klakkebossen, zwartgezunde beiertrossen, wijn daaruit, en zoetigheid, heengedaald en toebereid voor die ziek zijn, doen de lieden altemale, u eere bieden. Maar, gij waart, in ’t grauw verleden, meer als om de dienstbaarheden uwer goedheid, wel bekend: gij waart heilig; u omtrent biechtte men, te lijzer spraken, ’t geen men wilde onweetbaar maken. Gij hebt ooren! ’t Zijn wel heeren, in de groote steên, die leeren dat het zwammen zijn, gedaan net als ooren, die u staan om den lijve; maar, zij droomen: ooren hebt gij, vlienderboomen. „Ooren hebt ge, maar geen tonge”, dicht het volk; „en, wat men dwonge, menschenmond en zou verraân, ’t gene in de oore u is gedaan diepe, en toevertrouwd”. Nog roeren hoort me’, in ’t Dietsch, van zulker voeren. Edel beeld, uit vroeger dagen, blijft maar vast de takken dragen uwer schoonheid, houw en trouw, naast des Vlamings hofgebouw, nijgt uw’ blom- en bezieschijven. Houw en trouw zal Vlanderen blijven. 26/6 ’97.
[99]