← Table of contents
Laatste verzen

GEKRUISTE GOD

Reading edition

O crux ave, Spes unica Mundi Salus et gloria, Auge piis justitiam Reisque dona veniam.

Gekruiste God die voor mij staat, des werelds eere en toeverlaat, gekruist, gekroonde Jesu zoet, onze eenigste hope, ons eeuwig goed, ik groete en bidde u, reik, o Heer, al die rechtveerdig zijn, nog meer, en geeft, door al uw lijen en bloên, vergifnisse aan die kwalijk doen,

[188]

AVE REGINA Heil u, heil u, Koninginne, vrije Vrouw der zoeter minne heil u, wortel, stam en poort; heil u, ’s werelds weergeboort! ’s Zaligmakers moeder milde, daar hij ’s hemels deuren wilde mede ontsluiten; sterre in zee, slaat ons gade en weert ons wee! Die zoo diep zijn neergevallen, helpt ons weder opstaan, allen, Jesu moeder, staat ons bij, dat ons vrede en vreugde zij.

[189]

AANZIET DE KRAAIEN Aanziet de kraaien die van zaai- noch oestgetij en weten, die schure en hebben noch schrapraai en God verleent ze ’t eten! Aanziet hoe dat ze, tem en fraai, hier spijze en drank vergeten. Ghistel.

[190]

’T WAS ’N WARE! „Past op,” zei Meester Heuverswijn, „dat iemand,—wie die snaken zijn, die ’k hoorde daar, met hand of mond, eens s...e nadoen, dezen stond,— nog durve! Wat bediedt mij dat? Een schande is ’t! En, ’k en weet niet wat ik doen zal met den deugeniet, die nog nen keer zal durven...!”—Ziet, daar hoort mij Meester Heuverswijn weerom entwat gelaten zijn, van zulken aard, dat ’t wonderwel geleek ’t onvoegzaam kinderspel:— „Komt hier, gij, Jan! Wat hoore ik! Gaat en seffens recht in ’t hoekske staat!”— „’K en doe,” zei Jantje Poupaert, als- of ’t heel onschuldig ware: „menheere, ’t was ’n ware!” Pet. v. Waereghem.

[191]

MOCHT ZULK EEN TALE Mocht zulk een tale eilaas geen enkel tale wezen, geen woorden, waarheid en onnagemaakte smert op willens voet gesteund, op biddens vlerk gerezen tot naast het evenbeeld der wenschen van Gods hert, dan zou wellicht de baan de duistere baan des levens verlichten in den glans van Hem die U bemint, van hem die naar u wacht, van Jesus, dien gij tevens al waart gij nog zoo boos toch geren ziet, mijn kind.

[192] [193]

Ten halven afgewrocht, ontvangen, niet geboren; gevonden algeheel, noch algeheel verloren, zoo ligt er menig rijm onvast in mij, en beidt den aangenamen tijd van volle uitspreekbaarheid. (Rijmsnoer).

[194] [195]

O stede- en vaste oude meuniksmoffen wat schijnt ge mij een beeld van veile vastigheid; de vlaamsche vuist heeft u eens in den leest getroffen, u in de scherpe zon te droogen uitgeleid; het angstig vier heeft u nadien opeengestapeld, gebakerd ommentom uw leên en sterk gemaakt, totdat gij een en al. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Neen, en schrijft, op rijm of onrijm, iets, of eer ge aan ’t schrijven gaat . . . . . . . . . . . . . . . . .

Luistert allen, luistert allen: Gods woord is mij ingevallen.

[196]

Ik had ne keer nen dicht gemaakt, en ’t stond van vooren aan zoo wat van God, gelijk geen een mij dat en dient te doen herdichten, . . . . . . . . . . . . . . .

Heere geeft dat wie, wanneer ooit dit schrift in handen kome . . . . . . . . . . . . . . .

Een lieftallig liedjen op het wijken van den wintere.

Een deuntje willen wij dichten.

Dat hier en daar en elders leeft, dat nimmer nog bestaan en heeft, ’t gebenedijde u al van in . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Dat kruis dat gij mij gaaft een jaar van hier geleden.

[197]

De zegen Gods, u, mij en al die met ons bidt, bewaren zal.

Een heel onvast onthouden van de onvaste voeren daar ze mij— . . . . . . . . . . . . . . . .

Gij die God zijt dezer eeuwe, God gemaakt, in steê van God.

Goevrijnacht, als Jezus gevangen, gesleurd, vol wonden geslegen, besmet en besmeurd.

Heere, komt, ik ben ellendig, ’k ben vol zonde en vol verdriet, komt, uw’ goedheid is onendig, lange en beidt, o Heere, niet.

Hoe verre buiten al ’t bereik der menschelijke macht gesteld . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . het worden van den zonnedag.

[198]

’k Danke u, van het leven, dat gij mij laat genieten.

o Bindt mijn handen alle twee, o bindt mijn herte aan u, en en laat ze nooit meer, losgegaan, uw Godlijk herte schuwen.

Oneindig wezen, God, drievuldig, een, almachtig, wat zijt gij dicht bij mij die niet en zie en hoor.

O Maria welk eene eere, dienstbaar zijn en God den Heere dragen, zoo gij, moeder zoet, Jesus uwen Schepper doet.

’t Was God die onze zonden zag, ’t is Hij die ze ons vergeven mag, en wij zijn ’t die de boeten daarvan God gelden moeten.

Zijn eigen zoon en spaarde hij niet en liet hem voor mij slachten.

[199]

Die elken vogel voedsel geeft gebrek voor mij geleden heeft.

Die nievers zijns gelijke en vindt voor mij wierd mensche en moeders kind

De wille des Heeren, zoo gister zoo nu, de wereld zal keeren, geen „individu”.

En niet uw straffen naar ons kwalijkdoen gemeten

Zijn leven stond hij af voor mij, gekruist, en voer in ’t graf voor mij.

’k En was nog in ’t bestaan niet, en, bestaat, zei God, mijn kind, en ’k ben.

[200]

Ons toekome, God en vader, dat wij immer nader, nader . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ons toekome uw Koninkrijk.

Oorspronkelijk en van eersten af is ’t God die mij dit leven gaf.

Moeder stond zij, vol van smerte, naast het kruis en ’t brak heur herte, dat heur kind daar hangend was.

Komt, de stem die roept tot u.

Denkt gij, vriend, dat dat niemen en weet dat in uwen boezem geborgen, daar ligt het diepste van al, ’t zij edel ’t zij leelijk ’t zij goed het zij kwaad, ’t gezien heeft een ooge en ’t bewaren, ontdekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Hij zal . . .

[201]

Men durft er nog naar kijken nu: ze is nauwlijks overleden, ze lacht, of ’t ware, en schoonder is ze, in de eeuwigheid getreden, als vroeger, daar zij lijdend lag en leelijk deed.

Mij schielijk is een vreemde ontroeringe ingevallen: is stervende iemand, of ben, veeg, ik zelf misschien bestemd om heen te gaan?

’t En gaat geen een verloren, geen dingen dat bestaat, ’t en wordt geen een geboren, dat heel en al vergaat.

Mijn schamel, schamel kind, hoe geren zou ’k het wezen van uwe eenvoudigheid zien staande blijven, dat . . . . . . . . . . . . . .

Maakt pompen van canons en speiten van geweren, al ’t vechten is voorbij, ’t is vrede weere in ’t land.

[202]

Broonood lijdende, lam ellendig, nooit verblijdende, en onbestendig.

Noch geld, noch wijn, noch brood en stilt den mensch zijn nood, daarbij begeert hij ook met herte en ziele...rook!

O vader, zorgt bevreesd dat ’t kind u geren ziet, opdat gij nooit en vreest: dat kind en vreest mij niet.

Pinte, ponte, palingpot, loopt ermeê naar ’t wagenkoot, loopt ermeê naar ’t overbuur...

Waarom bemint u, kind, zoo zeer ’t zij welke ontaarde ziele die kleen zijt, hulploos, arme en teer...

[203]

Ei! wat baat het slingervuisten, hadt gij nog zoo zware knuisten stondt gij nog zoo hooge en sterk...

Gij zijt, en zult het altijd wezen, zoo God u schiep, een vrije geest, geen lichaam, eene ziel, nadezen.

Ten dorse geschreden, zoo hing ’t harnas hem loodzwaar om de leden.

Over hem Gods handen waken, vrij van schade en schandeaanraken, waren ze ’t...

De dood, wat is de dood, herdenkt, o mensch, een stonde.

Noch wulvengier, noch evertand, en vreest die heeft gezond verstand,

Met uw vuil en stinkend vat vol gouden vruchtbaarheden.

[204]

Als ik jong was, zoo verlangde ik, dag op dag, naar iets of wat,

Dien man zie ik geren rusten, zie ’k geren slapen gaan.

Doet hetgeen gij moet, doet al dat gij doet[1].

En zeggen, zeker nu, zoo zult gij bij uw zelven

Geen bandenbrekend leven menigvuldiglijk...

Het leven is zoo kort, men kan ’t niet wel genoeg verleven.

[205]

Heel verarbeid, heel vermoeid, zit nabij den boord te wachten

Hoe schoon de weerde schat ook zij, ’k en zal hem nooit beminnen[1].

Hoe eer ik ware dood geweest, hoe min ’t hem ha’ gespeten

Hij riep met luider stem, daar alle dingen zwegen

’k Voele een traan mijne oogen ontzwellen. als ik denke: ’t is voorbij[1].

Maar haalt mij ievers een die half zoo eerbaar in zijn . . . . .

[206]

Wij hebben al niet veel anders meer, maar wij hebben nog vlaamsche leute[1].

Zoo is uw hand, zoo weze uw hert.

Het leven, welk geluk was het, met Adam’s zonde en zeer besmet?

Kleene visschen, zoo luidt het lied, en dappere dieven, en vangt men niet.

Handhaaft u brood van hand, maar niet van herten.

Daar is hij, roept er een, loopt weg, hij gaat u vangen!

vol goedheid en vol vriendschap onversleten . . . . . . . . .

[207]

Waar haalt hij ’t uit, waar haalt hij ’t al.

Verre van ouders, verre van huis, verre van

Erumpunt.... Bottende, en om uit te bersten, ziet mij al die boomen staan zoo de naasten zoo de versten, zwellen doen ze en zwaar nu gaan: daar ’t nu zwart is, zal ’t geworden lente zijn, van einde te orden, loopt het nog twee nachten aan.

Waarom, waarom bemin ik toch den donder? Ontleedt, o gij, die wijs zijt, mij dit wonder.

Ik hoore heel den nacht het gulzig slokken van die gote daar.

Hoe dood, hoe dood, in al de levendheden der lieve lente, staat gij daar onlief alleen....

[208]

Waar gaat gij, o geest van de blomme, wanneer zij ’t leven moet laten en liggen.

Hebt toch meelye, menschen, meelye met de schoone boomen Gods!

De boomen roepen allen, overluid en lang: wat loopt gij, stoere stormen, boos en bulderachtig voorbij op onzen hals.

De bleekgroene schaaiaards, nog nauwlijks geblaard, rijên, hooge in de wolken, hun’ lochtige vaart.

’k Zie u geren blauw en blank, blank en blauw geweven wolken

[209]

De mane zit en ziet dat aan; ze schijnt te zeggen: ’t is avond nu en ’t geen mijn zuster zonne zag is henen: rust nu wat en nederleggen de zorge gaat van dezen zwaren dag.

Ik weet een hoeksken in den hof, en, daar geborgen, ontvluchte ik voor ’t geweld der luide levenszorgen. Verheven is ’t van de aarde, op oude bouwselbraken, met boomen overal omzet, en ’t zonneblaken en vindt het morgens noch des middags; op nen stoel ontduike ik dikwijls daar . . . . . . . en ’t geterg des werelds . . . . . . . en daar en vindt des morgens mij daar zittend immer niet noch middags; menschenloos . . . . . . . . . . . . . . zijt God die mij daar ziet.

[210]

Pisseblommen. ’t Weer is helder lauw en zoet zoo ’t niet elken dag en doet. Laat mij in de groene weiden, bij der hand, u henenleiden, ’k zal u blomkes nu en dan toogen en gij zult daarvan later dit en dat mij klappen, nopens blomkes eigenschappen. ’t Blomke dat ik liefst van al zie en altijd blijven zal geren zien zoo lange er bloeien, ziet het daar beneen u groeien, reis en reis met de eerde, daar strekt zijn zedig loofgeblaar, en men ziet zijn groen verterre maar van bij en nooit van verre . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . wilt gij weten hoe ze nommen? ’t zijn, met oorlof, pisseblommen.

Uw vlerk, aan ’t werk in ’t zwerk, zweeft zwierend deur de wolken, o tier- end dier dat hier en ginder almedeens

[211]

Tallen tijden kan men nu versche blommen bloeien zien, bloeien te aller steden.

Bolle kake, roode mond, och, hoe zal ’k het zeggen, witgetande, blij en blond

Thorhout, Thorhout, heilige stede, wist gij waar uw voet op staat; wat uw’ bosschen rooken dede, wat uw naam vermoeden laat.

Steenratjes waar hebt gij van den nacht geslapen?

Wat zei dat vinnig stemgepiep dat uit dien boom mij tegenliep en groette.

Men kan aan de dieren zoo vele doen zeggen, en spreken ze niet.

[212]

De zage zucht en kerft het hout in kisteberd, in korsten

O meulewal, met al ’t geheugen der schuldelooze onnoozelheid mij vóór uw’ voet en lief geheugen

Hoe schoon, hoe schoon, wat zal ik anders zeggen, hoe schoon, hoe schoon en van geen menschenmacht (wolke met zwart haar dat er bij lange klissen uitschiet).

Zwarte eeken, olmen, donkergroene esschen, abeelen die grauwt

Gij merelaar met uw zwart habijt en uwen bek van goude, wat wondere ik hoe gij blijde zijt

Hoe stille is ’t om de stad nu hier is ’t op de kwaadste dagen verdragelijk, als ’t kiezinge is of lotinge

[213]

Hoe schoon zijt gij van verre uit uw beggijnhofboomen

O wat is ’t toch lief getal rondom mij en rondom al

O zingend kind, en wist’ gij niet en zongt gij zoo ’t de vogels doen

’t Was op nen dampen donkeren dag, ’t was ’s morgens in de vroegte

De zonne is weg die liên en land verblijdt, en ’t vlugge volk van ’s hemels harpenaren

Den nieuwen wegel werpt de zon vol oosterlicht,

Zegt mij hoe de sterren worden, zegt mij

Ze beven door de lucht, de duiven

[214]

Ik ben eens verre weg, bij donker nacht, gereden

En stoort de vleugels niet, ze zijn zoo bezig.

Van boomen die roerloos, en schoon zichtbaar, in den smoor bedolven staan. En die eer gedroomde boomen als gewisse boomen zijn

Eer dauw en dag, eer dag en dauw

’t Is stille, stille allengskens, en ’t is avond weer aan ’t worden.

De wereld draait nochtans.

’t Molenzeil, dat, bruingeboend

De wind die uit de stikken waait.

[215]

Hebt gij ooit een peerd zien pinnen?

Ik heb nen dreupel dauw gedronken, gesmaakt, geweeklaagd en geweend...

Peerden van de dood gelijk

’t Zij van oost of west of waar

Doomend lijk een reukoffrande

Ach, herontsteekt de lampe toch

Wat groot gebouw daarin wij wonen mogen

Brijkroode oude wanden

Ik weune bij de zee, de blauwe zee, de baren ze staan tot in mijn huis, en de onafmeetbaarheid

[216]

Welgekomen zijt mij allen, die na duizend ongevallen, op des werelds wilde zee, zoekt en ziet de blijde haven

Vijfden van de sture maand, die des winters wegen baant

o Sneeuw, gewolde dracht der witte wintervelden

Men hoort dat ’t koud is

Gekeend en gespleten van koude is mijn vel

De Maarte komt besneeuwd

Half rood, half groen de hagen staan, half beukenhout, half ieuwen; ik hope dat vrouw Lente zal verneschen en vernieuwen dat dood nu is;

[217]

in tusschentijd mij wellekom gij, winter, zijt omdat gij . . . . . . .

De dagen langen nauw genoeg, maar toch, ik kan bespeuren

Gij, winden, kunt o—o— o—o—o—o— o—o—o—o— ik bidden kan.

[218]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings