1897
Reading edition
[42] [43]
VRIENDENZOEN VIS UNITA FORTIOR Waar zat gij dan gestoken gij, verduisterd en verdoken, gij, o vriendenhert: door vriendenhand zoo waandet ge in uw onverstand, gekwetst en afgewezen? ’k En hadde u nooit vergeten, ik, geen weêrstand u verweten, ik; geen stroo u in den weg geleid, geen werk gedaan, geen woord gezeid dat kwetsend u kon wezen. Nog meer als ik, zijt gij, misschien een vriendenherte, [44] en mij, misschien spijts al hetgeen ons beider liefde in stukken smeet, een ware vriend gebleven? Dat vriendschap is moet sterker zijn, moet sterk alzoo de kerken, zijn gesteund op vast- en dieper grond als vriendenhand en vriendenmond, zoo nu, zoo na dit leven. ’t Is dit alleen, dat scheiden ons zoo bitterlijk, dat beiden ons kon drijven om, gij hier, ik daar, verre af en zoo nabij malkaar, te porren en te pogen aan ’t gene ik wist, of waande, dat het was; en gij hieldt staande dat het niet en was; niet anders als een ijdel woord, een vuil en valsch, en opgesmukte logen. [45] Zoo ziet men ’t gene op dezen dag nog ijzervast gevezen lag, verworteld en verwassen, eer ’t ooit morgen is, met eenen keer, ter stede, in stukken vliegen; zoo komt men eere en trouw vaneen, zoo komt men man en vrouw vaneen, zoo vriendenherte en vriendenhand en volk intween te liegen. ’k Herbiede u dan de vriendenhand, het vriendenhert, den vriendenband, die, spannende en weerspannig aan ons beider bede, is losgegaan, nu weer aaneen te binden. ’k Herbiede u hulpe en bijstand, in den strijde, om weêr den vijand in te stormen: en dat ongekleed, dat edel Wicht dat Waarheid heet, te zoeken en te vinden. 30/1/’97
[46]
IK DROOME ALREÊ Ik droome alreê van u, mijn kind, en van de blijde dagen, de dagen dat samen wij, en welgezind, vliegt dagen, vliegt voorbij gezwind, ons lief en leed gaan dragen. Ik droome alreê van u, mijn kind, noch late ik mij gelegen, gelegen aan al dat aardsch en bitter smaakt, dat ’t lijf en ’t lijf alleene raakt, en daar de geest kan tegen. Ik droome alreê van u, mijn kind; gij hebt hem, doorgestreden, gestreden den nacht dien ’s vijands booze hand gespreid had om ’t beloofde land: gij zijt erin getreden. Ik droome alreê van u, mijn kind, en ga ik langs de straten, de straten, daar heimlijk in mijn herte weunt ’t gedacht daar al mijn hope op steunt: God zal u mij toch laten. Aan Eug. van Oye. 12/2 ’97.
[47]
O BAND o Band, om oost en west te snoeren, om zuid en noord, om zee en zand ter overwinning heen te voeren, o hert- en ziel- en tongenband, vereent mij, lijf en ziele en aderen, met de overeeuwde onvalsche vaderen en.... leve vrij ons Vlanderland! 12/2 ’97.
[48]
WIJ NADEREN Hoe komt het, dat de lucht, zoo hel, geleên twee stonden amper, nu vol duisterheên, vol donkerte is? Hoe komt ’t dat ’t gers, zoo net een’ schreê te ruggewaard, is al besmet met onraad nu? Hoe ligt alomme hier gebroken handalaam en drukpapier? De zonne is blindgedoekt en rookgeweld, dat bitter is van bete, omhooggesnelt, of doolt de wegen langs, en stinkt! Wat is ’t, dat ’t overal, omtrent mij, goort en gist en geil is nu? Dat zacht en zoete om gaan [49] en zijn de paden meer? Dat ’t steen voortaan, dat ’t tanden ongetemd, dat ’t schorren scherp, dat ’t kale keien zijn, die ’k ommewerp? Waar ben ik, meldt het mij: verdoold in schijn? —Wij naderen ’t gebied daar menschen zijn! 16/2 ’97.
[50]
ZEGEPRAAL De zonne vecht! Het noordervolk komt woedend opgestoven, de diepten uit, afgrijzelijk verbolgen. Bergen boven malkanderen zij werpen gaan, in ’s hemels aangezicht: den al te schoonen dag uitdoen, en dooden ’t zonnelicht! Het spettert, uit de wolken, vier en vlamme; kwade steenen, van rammelenden hagelslag, en bliksem, al met eenen, vergâren mij de reuzen in hun vuisten vol geweld, en ruien ze, onbermhertiglijk daarheen in ’t zonneveld. ’t Is donker nu, ’t is donkerder, nog donkerder! Gevaren, als machtig, overmachtig groote, en mammothsche adelaren, [51] omslaan de wolken alles, en voor ’t nachtelijk bedwang, onthemelt al dat hemel is, in ’s hemels zwart gevang. ’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn, dat overheerlijk blaken, dat altijd even schoone van de schoone zonnekaken? ’t Is nacht! En zijt voor goed nu gij gedompt en doodgedaan? Gij, beeld des Alderhoogsten, zult gij, stervend, ondergaan? Staat op! Het worde dag weerom! Staat op, en slaat die booze, die duistere onbedachten, gij, des hemels schoone rooze; gij, onverkrachte lichtvorstin, staat op, uit uwen schans, en plettert, onbermhertiglijk, die domme reuzen gansch! De zonne vecht! Zij duwt den spiet, den onverwonnen gaffel des zonnelichts, de reuzen in den zwartgezwollen naffel; ze bersten, en ze bulderen malkander slaande, intween; en, hersens in de kele valt het reuzenrot ineen. [52] Ze pletteren te grondewaard, ze pletsen en ze plassen, dat ’t bommelt in de lucht alom: lijk honden zijn ’t die bassen. De wereld stroomt, afgrijzelijk, van ’t bloed alsof het waar’, van de eindelijk verwonnen, en verwenschte reuzenschaar. Ze ’n zijn niet meer,... ze ’n zijn niet meer. Ze waren!.... In hun stede komt helderheid, komt hemelsblauw, komt goud, dat schittert, mede. De zonne vocht, de zonne won, en, tierende overluid: „Hier ben ik!” roept ons zonneken „des vijands vonke is uit!” Kortrijk, 12/3 1897.
[53]
DIE MIJN HERT BEMINT Die mijn hert bemint, o konde ik hem gevinden! Heere, vonde ik U, mijn hert, mijn toeverlaat, wiste ik waar hij henengaat. Ver van mij, dat ben ik zeker, is de liefde- en troostinspreker, want mijn herte zwemt, o wee, in een wijde tranenzee. Is hij in de blommen? Neen-hij: in goud, rijkdom of gesteen hij, als hij in mijn hert niet is, neen-hij, neen-hij, neen gewis. —/3/’97.
[54]
HALF APRIL Gij blauwgekaakte wolken daar halfwit omtrent uw boorden, die gruwzaam in den hemel moert, en grimt in ’t gramme noorden: hoe lange speelt gij, koud en kil, den baas nog hier? ’t Is half April! ’t Is onbermhertig koud; en ’t kan, de zonne ondanks gebeuren, dat ’s morgens, al dat gers is, wit geruwrijmd, staat te treuren! Waar wilt gij, boos geweld, naartoe, des winters? Wij zijn wintermoe! ’t Moet zomer zijn, geen koude lucht, die bijt en straalt; ’t moet open, dat, wachtende, in de botte zit, of weer in ’t gers gekropen, van schuchterheid, voor ’t nijpen van den hardgevuisten winterman! [55] Staat op, gij oostersch zonnelicht, en schiet, bij volle grepen, uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt het graf, daarin, genepen, de zomer zat: verrijzenist des konings kind! te late al is ’t! Hallelu-jah! dan zingen zal, dat ’t wederklinkt alomme, den gorgel los, de vogel en de luidgekeelde blomme; de klepel zal de klokke slaan en kondigen den Koning aan. 12/4/’97.
[56]
GROENINGE’NS GROOTHEID OF DE SLAG VAN DE GULDENE SPOOREN I Daar zat, in ’t gers, een blommeken zoo liefelijk gedoken; het hadde geren, luide en lang, zijn eigen woord gesproken. De zonne zei: „Staat op, mijn kind, ontluikt uwe oogskens, welgezind, en lacht uw’ moeder tegen: noch wind en zal er schade u doen, noch hagelslag, noch regen!” ’t Had wortels in den taaien grond, dat blommeken, verkoren; en ’t bloeide geren, vrij en blij, daar ’t weunde en was geboren; ’t zou menig lente kommen zien, ’t zou menig meidag omme zien, en menig najaar sterven, maar nooit en zou dat blommeken, ten gronde toe, bederven. [57] De Leye liep erlangs, zoo zoet, zoo lavend, in heur loopen; De vogel kwam er drinken bij, en liederen verkoopen; de meiskes en de mannekens, de Grietjes en de Jannekens, ze kwamen en ze zagen— ’t hiet Vlanderland!—dat blommeken zoo geren,... in die dagen! II ’t Is oorloge in de locht en in de boomen; de wind berent de Leye, en doet ze stroomen te bergewaard. Den oest zal, op het veld, de hagel slaan, en ’s hemels wild geweld! ’t Is hooimaand. In den meersch is man en vrouwe, den arrebeid, om God en land, getrouwe: eenieder, haastig, henenvimt en vorkt.... Naar huis! De donder dreunde daar al! Horkt! ’t Is heet! De zonne duikt heur in de wolken. „Te wapen!” roept er een: „Waar zijn de dolken? [58] De vijand is in ’t land! ’t Zij waar hij zit, bereidt den goedendag, en—elk in ’t lid!” III Het Vlaamsche heer staat immer pal, daar ’t winnen of daar ’t sterven zal: alhier, aldaar, aan lange lansen, de leeuwen dansen. De winden schudden, met geweld, de zwarte blomme in ’t geluw veld: de kwaden zien, beneên de transen, de leeuwen dansen. Met bezemen, zoo komen ze af, om ’t Vlaamsche Volk, als ijdel kaf, dat ’t zweerd onweerd is, af te ransen. De leeuwen dansen! Hardop! Hardop! De trompe steekt: de boeien los, de banden breekt! Ten vijande in! Dat op z’n schansen, de leeuwen dansen! Sta vuist en voet de vane omtrent! En, gij, die God noch eere en kent, ruimt bane, eer, op uw veege bansen, de leeuwen dansen! [59] IV De peerdehoeven staan in ’t zand, bij duizenden, gedreven; geen hooi en is er meer in ’t land, geen haver schier gebleven: ’t is al gestolen, al geweerd, voor vee en volk, voor man en peerd! Waar gaat gij, edel died, naartoe: gaan strijden op de heiden? gaan straffen, met de geeselroe, die u den vrede ontzeiden? „Geen heidenen,” zoo roepen ze al: „de Vlaming is ’t, die ’t boeten zal!” „Daar groeit en bloeit, te landewaard der Vlamingen, een blomme, die honing druipt, die boter baart en goud: daar gaan wij omme! ’t Is munte slaan, dat wij gaan doen, terwijl de Vlaamsche bargen bloên!” o Sigis, van Majorken, gij, die koning zijt geboren, wat hebt gij, man van ’t zuiden, bij den noordeling verloren? Verliezen zult ge er... Winnen, neen, ’t en zij, voor graf, nen tichelsteen! [60] En Robbert, op uw ros, Morel, —pekzwart is het—gezeten, gij zult uw’ hoogen hals, in ’t spel, uw ros Morel vergeten: Jan Breydel zal, in ’t riet gevaân, ten tweeden male, u ridder slaan! Die heeren hunne rossen ’t staal nu stooten in de lenden: verjagen zullen ze, altemaal, en slaan die boersche benden! Harop! De storme is los, en ’t gaat om dood!—De goedendag slaat! slaat! V Harop! De goedendag slaat! slaat! Harop! Den goeden slag slaat! slaat! Ruimt bane, eer, op uw’ vuile schansen, den doodendans de leeuwen dansen! Harop! Den goeden slag slaat! slaat! Harop! De goedendag slaat! slaat! [61] Door hooge en leege en liên en lansen, den zegedans, den zegedans de leeuwen dansen! Harop! Den—goeden—dag! De peerdehoeven staan in ’t zand, te Leyewaard gedreven; maar keerwijs om, naar ’t zuiderland, geen twee, geen een op zeven; ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen: ze gingen al, ’t en keerde geen! VI Onze Vrouwe, onze Vrouwe, wij dragen ze u op, de spooren der schoone gevelden: de blinkende spooren, gevonden—harop!— op Groeninge’ns guldene velden. ’t Zijn de guldene spooren van menigen man, die, gister nog, gekte, in zijn tale: „Wie is er zoo dapper van u, die mij kan doen ruimen de rompvaste zâle?” [62] Hij verzuimde te keeren terug: in den meersch daar blonken zijn’ dappere hielen; gebluscht was de woede, en daar lag, overdweers, het ros, op den ridder, te ontzielen. Onze Vrouwe, onze Vrouwe, de zege is aan ons: een riet heeft den reuze gedwongen: tot ’t einde der eeuwen vertelle nu ’t brons van „’t Vlaamsche gespuis, en hun jongen! Keizer Boudewijn’s kerke is, van beuken, te nauw, om Groeninge’ns grootheid te hooren: te Kortrijk vereeuwige een beeldengebouw den slag van de Guldene spooren!” Kortrijk, 15/4 ’97.
[63]
IN SPECULO Hoe kan dit zijn, o Schepper van hierboven, dat ik U maar en zie als in een’ glans, als in een glas te zelden onbestoven van doom en stof, en nooit geheel en gansch? Zoo Gij bestaat, en God zijt, moet het wezen, dat ik U zie: dat, zonder doek, entwaar, ik schouwen kan en, schouwende, in ’t nadezen, vanbij U zie en eeuwig op U staar! Hoe kan dat zijn: om niet en is gegeven, uit Uwe hand, het leefvermogen, dat [64] mij zuchten doet en zoeken, naar een leven dat alle goed, in ’t zien van U, bevat! Daar komt toch eens, ten oosten uit, een dagen, een dageraad, eene eeuwigheid, die niet meer weg en kan noch weder, noch vertragen het zielgezucht dat zoekt en niet en ziet. Mijne ooge zal eens vol U zien, en varen zoo ’t druppelken in zee, dat is versmoord: zij zal U zien, verafgrond in de baren der ziende zee, die bedde en heeft noch boord! Kortrijk, 16/4 ’97.
[65]
TWIJFELZONNIG Maar twijfelzonnig lente en is ’t, de wind en wilt niet zoeten: ’t geboren loof zijn moeder mist en wachten zal ’t mij moeten, zoo lange er buien bovenslaan, om schielijk weer zijn gang te gaan. Zijn gang te gaan, in weide en bosch, in heesters en in hoven, begeert het, alle boeien los en alle buien boven; dan wilt het al vol zonne zijn, vol wellust en vol wonne zijn. Vol wonne zijn mijn herte zal, herlachen en herleven; voor winden noch voor ongeval van bange buien beven. Och, lente, weest mij willekom en werkt uw edel werk weêrom! [66] Uw edel werk zoo wille ik dan een liedeken vereeren, daar ’t vogelvolk niet aan en kan, en zingen ’t duizend keeren; maar al zoo lang ’t uw wonne mist, mijn herte, twijfelzonnig is ’t. Kortrijk, 18/4 1897.
[67]
EN DAARMEÊ AL ’k En heb vandage, o levensbronne, geen eenen keer gezien u, zonne, ’t en zij te noene, en bij geval, een witte plekke, en daarmeê al. Een witte plekke, in ’t grauw gesteken, der blind gedoekte hemelstreken: hoe is ’t dat ik u heeten zal? Een witte plekke, en daarmeê al! ’t Is duister ommentomme en ’t leven van ’s werelds ooge is uitgewreven, op, over mij en ’t aardsche dal, een witte plekke, en daarmeê al! En, krijge ik, nu dat Paaschen hier is, dat levenslustig mensche en miere is, voor oosterlied en lofgeschal, een witte plekke, en daarmeê al? Het deert mij zoo de zonne moeten zien uitgaan en goênavond groeten, mij dezen dag! O, al te smal: een witte plekke, en daarmeê al! [68] Maar moet het zoo, heropgerezen laat, morgen vroeg, uw aanschijn wezen mij zoete, o zonne, en liefgetal: geen witte plekke, en daarmeê al! 19/4 1897
[69]
JANTJE Op en neêr, in de elzentronken, neêr en op, gewiegewaagd, toutert Jantje, en, omgezonken, raakt de stam, die Jantje draagt, de aarde bijkans: op en neder rijst het weg en zinkt het weder. Op en neêr, in ’s levens wegen, Jantje, zal ’t bij beurten gaan; lief en leed zal, voor en tegen ’t herte u en de schenen slaan: wiegewagen zult ge, en dansen, tusschen goê en kwade kansen. Breekt de tak, dan zie ’k u vallen diepe in ’t goor, beneên u daar; zwicht u, en bezien ze u allen, helpende u met handgebaar, om nog hooger op te schrijden, zwicht u, Jantje, en rust in tijden. 21-22/4 1897.
[70]
ZWART Hoe zwart, hoe zwart is, ommentomme, dat zwellend hout in ’t boomenland; noch blad en leeft er nu, noch blomme, maar geilheid al en spon, dat spant: geliggen zal ’t en groene vlagen, van schoonheid en van schaduw, dragen. Hoe zwart, hoe zwart nu, allenthenen, hoe donkerbruin is ’t lindenhout, dat kenen wilt, dat is aan ’t kenen, tienduizendmaal tienduizendvoud! ’t Zal, schier of morgen, groen bedijgen dat zwart is nu, en blâren krijgen. Hoe zwart, hoe zwart! Onzwarter rijzen de wolken zwart, in ’t luchtgebied; maar hemelsteen en hagelbijzen en werpen ons de boomen niet; één vlage zal ’t, eer lang nadezen, een’ storm van al dat groen is, wezen. Hoe zwart, hoe zwart is ’t, heind en verre, ’t wijduitgestrekte boomenland; maar nauwlijks heeft de „middagsterre” [71] des winters vaartuig afgebrand of seffens gaan, uit al hun’ knopen, de boomen en de blijdschap open. ’t Zal regenen dan reuke, alomme, ’t zal wierookwerk en honingdauw, van ieder blad, van ieder blomme, zoo, ’s heiligdags, in Gods gebouw, het volk ontvangt den hoogtijdszegen, in spaarsvat- en in wierookregen. 29/4 1897.
[72]
LOOFGEBOUW Noch groen en is noch geluw, dat nog onvolworden lenteblad, terwijl April te Meie gaat, dat schielijk op de boomen staat. Men ziet erdeure als deur een glas, dat verwig is, en ’t loofgewas, zoo enkel en zoo ijdel in de lucht, is als een goudgespin. Een aksternest zit, boven op den achtkante, in den hoogen top des hoogen booms gebouwd. Hij zal eer morgen hier is, groen zijn al. Nu zie ’k hem nog, die zwart en zwaar bewolkt de hooge toppen, daar; eer morgen hier is, heel, voortaan, zal nest en al in groen vergaan. Hoe heerlijk is mij altemaal dat onvolworden boomgepraal: elk houtgewas één wondernis van boven tot beneden is! 30/4 1897.
[73]
SPREEUWEN „’k Zie-’t!” zoo vliggert, vlug te vlerke, recht den torre in van de kerke, daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!” piept de spreeuwe, en anders niet. Maar wat is mij, scherpgebekte, zwart-halfgroen gevliggervlerkte, vage vogel, dan ’t bedied van uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t?” Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden, ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden, in uw pierende oogskes, iet dat elk mensche niet en ziet? Zegt, of is ’t de zonne rijzen, dat gij ziet, is ’t buien bijzen; kwade wichten of kwa died zitten ievers, diepe in ’t riet? „’k Zie-’t!” zoo piept gij; ziet gij, binnen deze borst, mij iet beminnen, haten, willen, wenschen iet, blijdschap hebben en verdriet? [74] „’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delven diepe in ’t diepste diep mijns zelven en ontdekken daar ’t bedied van uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!” Een daar is, die aan de leeuwen ’t leven gaf, en aan de spreeuwen, Een die, vrij van al ’t verdriet, hooge zit en verre ziet. Een... Hij zit in zijnen torre; zonder schaalje en zonder schorre; en, van ’t gene in mij geschiedt, Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!” 30/4 1897.
[75]
WEDERWIJVEN Hoe wijsterwaster vliegt de lucht vol witte en lange stressen van wolken, die ontvlochten zijn lijk haar van tooveressen. ’t Zijn wederwijven, boos en fel, die, kwaad van hande en vinger, malkanderen te keere gaan en vechten slag om slinger. De wind zit in ’k en weet niet welk geweste, ’t buischt en ’t bommelt alhier, aldaar een zwepe los, die deur de wolken schommelt. Ze stuiven heinde en verre, en van malkaar gescheurd, in stressen van wijsterwaster vechtende, en verwaaide tooveressen. 30/4 1897.
[76]
EXCELSIOR ’k Zie liever die te bergewaard zijn roekloos opgeklommen, als die, om loon, zoo zaan de vaart gedaan is, nederkommen. Die stijgt noch af- noch om en ziet naar die in de eerde wroeten; noch, dwee van halze, en kust hij niet of waren ’t keizersvoeten. ’k Zie liever die de zegevaan mij deur de wolken steken, excelsior, en, vóórgegaan, mij moed in ’t herte spreken. Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan, dat kan, dat wil, dat zal ik: geen oneere en geen schande en kan mijn durven deren, valle ik.” Hooveerdigheid is valsch van doen, van zeggen en van zeden: ootmoedig wil ik, ridder koen, tot stijgen mij besteden. [77] Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist, op Libans hoogste kragen, of vielender omtrent mij duist, nog wil, nog zal ’k het wagen. Kortrijk, 10/5 1897.
[78]
’T SCHEERWIEL Het versch geschoren gers is zoet om zien, en, in de zonne verpreuvelen ’t mijn herte doet, van louter levenswonne. Het scheerwiel hoor ik rijden, met gerul, en zijnen draf aan ’t draven, alles snijden met zijn’ scherpe tanden af. Geen scheerder, die zoo scheren kan; geen wever die zoo weven: geen een en kent de konste van zijn laken doen te leven. ’t Doen leven kan ’t de zonneschijn, ’t doen blinken in den glans des hemels en nog groender zijn als ’t groenste laken, gansch. Nu loopt erin, en laat u ’t spel, de louter levenswonne verpreuvelen, en jeunt u wel, gij kinders, in de zonne; [79] daar ’t laken ligt en zult gij nu verwringen hand en voet: loopt spelen daar en zegene u de zomerzonne zoet. 13/14/5 ’97.
[80]
DE DOORNENBOOM De schamele, oude boom, die midden in de vaten, veracht en ongetroost, des olieboeters staat; hij weet dat ’t zomer is en zou hij, zou hij ’t laten, te bloeien, nu dat al, dat blomme is opengaat? Gestapeld, rondom hem, zijn tonnen, tonnen, tonnen, die olie zweeten al, en stinken. Schouwen ook, verheven boven ’t dak des oliebouws, en jonnen maar bitterheid den boom en afgerolden rook. Hij bloeien zal nochtans, en, blij, de zonne bieden de vreugde van zijn hert: maar éénen keer in ’t jaar [81] en wilt het zomer zijn, en mag’t den boom geschieden te bloeien in den dwang van al die tonnen daar. Hij bloeit en staat in ’t wit getooid langs alle kanten één vlage blommen duikt zijn’ takken, scheef en krom; de bietjes zie’k er zog van zuiver zeem in zanten, de blommen in en uit en uit en in, weêrom. Bloeit helder, helder op, o boom, en luide pralen laat al uw lief gewaai, deur dikke en dunne. Neen ’t, ’t en is maar éénen keer, dat ’t meie is: hillen, dalen zijn blijde; blijde zijt, genoeg, genoeg geweend. De tonnen staan alom gestapeld: zwarte, zware gedaanten, ongehier van leelijkheid. Welaan, o taaie doornenboom, daar midden in, verjare nog menigmaal uw hoofd, vol bloeiend wit gelaân! 16/17/5 ’97
[82]
QUIS NOS SEPARABIT? Ad Rom. viii:35. Bemint men iemand recht en wel, zoo zal men hem voor metgezel begeren en betrachten: bemint gij God, waarom en gaat, daar God zoo lange u wachtend staat, gij God, o mensch, niet wachten? Waar vinde ik hem? o, „vinde ik hem!” zeg liever: waar ontvinde ik hem? Hoe zal ik hem ontvaren? Hij roert in mij, hij waagt in mij; hij nacht in mij, hij daagt in mij: wie zalder ons ontgâren? o Wondernisse, o wonderheid, o zonderbare zonderheid, dat overal, gesmeten bij ’t karrevoer, getuigenis van God en van zijn’ goedheid is en wij ’t zoo weinig weten! Kortrijk, 18/5 ’97.
[83]
MIETJE ’t Meiske, met zijn’ teele melk, op zijn bloote voetjes, lang, gelijk nen terruwstelk, zoetjes, zoetjes, zoetjes terdt het voort, en anders niet als zijn teele melk en ziet’t. ’t Meisken hoorde: „Goedendag!” zeggen, zoetjes, zoetjes: „Mietje!” ’t Meisken ommezag.... op zijn bloote voetjes viel de melk en, vol verdriet, wie dat ’t was en wist het niet. Meiske, meiske, meiske snel op uw bloote voetjes, melk aan ’t dragen, wacht u wel: zoetjes, zoetjes, zoetjes, mijdt u, meiske, en hoort gij iet, vóór u, maar niet omme en ziet! 20/5 ’97.
[84]
ZONHOEDEN Onder hun’ hoeden zoo liggen ze, in ’t vlas; boos is de zonne en zoo heet als een oven: rood in hun aanzichte, als ongepijnd was.... boos is de zonne en ze bakelt erboven. Schaduwt hun’ hoofden gij, hoeden van stroo; strekt u, zoo verre als gij kunt, op hun leden; laat ze, die wieden, al rusten ze noô, halen een asemke, uw’ schaduw beneden. Tavond zal ’t branden gedaan zijn, en dan, laat ze weer vrij, lijze en koele, om de slapen, [85] laat ze verlost van den arbeid en van.... u, groote hoeden, een rustje gaan rapen! 21/5 ’97.
[86]
BUIGEN OF BERSTEN Het jong hout staat, den rugge krom, ootmoedig neêrgestopen; terwijl de wind, den afgrond van zijn diepe longen open, gevaren komt, door bilk en bosch; en, bruischende in de boomen, losbandig, al den gruwel van zijn’ gramschap heen laat stroomen. De boomen staan geworteld in den bodem diepe, en, weren en zal de wind hun sterkheid noch hunne oude stammen deren; ze zuchten en ze stenen wel, ze roepen en ze razen, maar wederstaan, zoo willen ze, en.... dat durven ze, die dwazen! Ze ’n buigen niet. Hun’ wortels staan in de eerde neêrgegrepen als ankers, die gebonden staan doen ijzervast de schepen; [87] ze ’n buigen niet. Hun hoofdgewaai scheurt af en weg: om ’t even, en zullen noch en willen ze, en voor wie dat ’t zij, begeven. Het jong hout ligt den grond nabij, voorover, neêrgedwongen; verplettert en vernietigd haast.— De wind komt losgesprongen en, stampende op dat ligt.... „Zoo wel den naasten als den versten,... die boomen daar zal ’k buigen doen, of willens nillens bersten!” ’t Is donker, van al ’t zand dat vliegt. Geen hersendolle koeien en kunnen, zoo de wind nu doet, zoo ongedoevig loeien. Ei! poffen nu, en paffen gaan de pezen af, en kraken de wortels: als geweren zijn ’t, die dood en donder braken. De doelen staan, bij vijftigen, bij honderden, te perre, ter aarden uitgeheven, en.... de boomen zijn omverre, de teenen in de lucht; tot in den vasten grond gezonken, verdwijnt, al even slaggelings hun’ kroone, in de elzentronken. [88] Het jong hout heft den hals weer op: allengskens stilt het weder, en legt het, op de rompen van geroeide boshout, neder zijn grimmigheid. Een slagveld is ’t vol lijken. Ongeschonden, zoo staan de jonge stammen daar nog, al die buigen konden. 22-23/5 ’97.
[89]
CYTISUS LABURNUM Gevlerikt, na der vliegen aard; gereesemd, al omleegewaard eenvervig, en van goude fijn, des goudenregens blommen zijn. Zij staan in krabben, lang en smal van lijve, en recht een regenval gelijken zij, van goude,... neen, van zijde en licht en edelsteen, ’t En is van al dat bloeit entwat zoo geluw, in geen blommenstad; ’t is geluw, naast aan ’t groen,... ’t en doet, ’t is groen, ten geel’wen uitgezoet. Als, ievers in den hof gestaan, de goudenregens opengaan, de duisterheid van ’t groen verdwijnt, „het regent en de zunne schijnt.” Hoe jammer dat zoo gauw voorbij, uw vlagen gaan van goude, en gij, o gulden regen, al te broos van leven zijt ge, en tijdeloos! [90] Gij strooit den weg, nen dag nadien, of twee, dat wij u open zien: zoo derf is dan uw dood gelaat, als kaf, daarop de vlegel slaat! En, eens dat eene aan ’t vallen is de stervenstijd van allen is gekommen: geen een blomme en kan ’t meer houden: ’t goud is uitgebrand. O goudenregen, heel en al het jaar, zoo heet gij regenval: doch regenval van goude, aleer het meien zal, en zijt gij meer. ’k Verlange al, eer de maand daar is weêromme, en tend de hoven, frisch, vol goudeware en zonneschijn geregend door uw’ blommen, zijn. 24/5 ’97.
[91]
GIERZWALUWEN (Cypselus Apus) „Zie, zie, zie, zie! zie! zie! zie!! zie!! zie!! zie!!!” tieren de zwaluwen, twee- driemaal drie, zwierende en gierende: „Niemand, die... die bieden den stiet ons zal! Wie? wie? wie?? wie???” Piepende en kriepende, zwak en ge- zwind; [92] haaiende en draaiende, rap als de wind; wiegende en vliegende, vlug op de vlerk, spoeien en roeien ze ringsom de kerk. Leege nu zweven ze, en geven ze bucht; hooge nu hemelt hun’ vlerke, in de lucht: amper nog hoore ik... en, die ’k niet en zie, lijvelijk zingen ze: „Wie??? wie?? wie? wie...” 25/5 ’97.
[93]