REQUIESCAT IN PACE![1]
Reading edition
REQUIESCAT IN PACE![1]
Ze hebben hier hem neêrgeleid, in de aarde der gestorvene, den kunstvierwerker, aan en bij Zijn grafsteê is[2] het oefenperk, daar dagelijks men schieten hoort en poffen van geweerschot. Wij stonden en wij horkten, in de stilte van den morgenstond, naar ’t halfgezwegen lijkgebed, dat iedereens begroetinge is, die komt alhier. In ’t oefenperk, daar schoten en daar poften ze zoo dapper, dat het, spotgewijs, den doode scheen te gelden. Hem die menigmaal tienduizenden deed roepen: „Och, hoe wonderschoon het schittert!” als hij bommen schoot in ’t luchtgewelf, bij nachte. Neen, nu ligt hij daar en zien en kan noch hooren hij ’t geweergeschut, dat henenbarst, omtrent hem. Nu en weet hij van geen duizenden, [172] die, opwaards ziende, roepen hoe ’t al hemel vier en vonke is. Geen volk en ziet hij vluchten en geen kinders, op den arm getorscht, die schrikkend schreeuwen. Poppen nu en raderwerk en ziet hij meer, die breken, braken, branden, schier alsof de lucht vol sterren en vol bliksemende zonnen zat. Het vier, dat in zijn herte leefde, is uitgedoofd: hier slaapt hij nu! Wij stonden daar...tienduizenden? Neen, twintig stille vrienden, die, omleege ziende en sprakeloos hem volgden, daar hij henenvoer voor eeuwig; die beminden hem, ten grave toe en verder nog! o Waker, die de dooden hier bewaakt, in uw gebeden hem indachtig zijt: des morgens, als de nooit vermoeide zonne uitgaat en leven strooit in ’t doodenveld. Des avonds, als ’t al slapen gaat en, moegeleefd, te sterven zoekt een stonde of twee; indachtig hem dan weest, aleer gij slapen gaat. Des nachts, als heel uw kudde ligt omtrent u, hunnen herder, dien alleen de lieve zonne zal ontwekken, als het morgen is: indachtig weest den doode dan, als ’t leven u de ruste ontzegt.
Kortrijk, 8/1/’99.
[173]
UIT DE DIEPTEN. Ik hoore ’t klokspel nauwelijks, en nauwelijks de slagen, die slaan de lange stonden van de stomme winterdagen; ’t is doof omtrent mij alles, en schier dood, hetgeen mij moed, mij mannelijken wil, te mets, en kracht in ’t herte doet: daar zit entwat in ’t luchtgewelf dat krank is; dat, beneden die krankheid, armen mensche, mij doet krank en ziek zijn, heden. Wat is dat? Aarde of hemel, wat ontbreekt mij nu, die wanen mij vrij van alle zorgen dorst, nog onlangs; die, de banen des levens gei doorgaande, hield den zin op u gericht, o zonne, die mij tegenblonkt in ’s hemels aangezicht! [174] Waar is nu alles henen en hoe zitte ik hier, gekrompen, vernederd en ontzenuwd, in des winters doove dompen? Ach! wis is mij de dood omtrent en, heimlijk aangekropen, des nachts ong’ hiere duisternisse in ’s herten grond gedropen; de droefheid,—of ik blijde was en helder eens van zin,— op mij heeft heure vuist geveld en giet mij tranen in. Waar berge ik mij? Waar vluchte ik u, o troostloos ondervinden der zware weemoedsketenen, die nu mij nederbinden? Waar vluchte ik mij? Waar schuile ik, of wie zal mij....? Zal ik vluchten, die bidden kan; die God bij mij, voor bijstand, heb: die zuchten in de oore Gods mijn lijden kan; die, sprakeloos, verstaan bij hem kan zijn; die, schaamteloos bij hem kan binnengaan? Aanhoort mij dus, o Vader; uit de diepten roepe ik henen; „Ontferme ’t u eens dooden en uw licht zij mij verschenen!” Gij ook zijt eens in ’t graf geweest, drie dagen en drie nachten; gij ook hebt uwe onlustigheid geklaagd; als al uw krachten [175] begaven u, om hulp gebeên, die aller hulpe en troost, God zelf, voor mij te lijden en, gegalgd, te sterven koost. Ontferme ’t u eens stervenden, die, naast u, neêrgebeden in ’t graf van zijne ellendigheid, verrijzen wilt ook, heden! Kortrijk, 15/1 ’99.
[176]
HET VLAAMSCHE VOLK Wanneer, wanneer zal ’t hier in Vlanderen zoo ’t vroeger ging, eens weder gaan? Of mag ’t niet meer dat is, veranderen, moet immer valsch de klokke slaan? o Neen, o neen, de duinen daveren de kerels zijn weêr opgestaan: Van hier, onvlaamsche volksbeschaveren, het jonge Diet is vrij voortaan. Te lange alreê zijn oud- en jongen het vreemde woord gewend alhier, en ’t Vlaamsche lied op Vlaamsche tongen doen galmen, ’t is een schande schier. ’t En zal niet meer zoo ’t was geschieden: de kerels zijn weêr opgestaan: het vrije lied past vrije lieden en ’t jonge Volk is vrij voortaan. Welaan, wie zal den stroom beteugelen, die breken wil door boei en band? Wie kort het Volk zijn’ vrije vleugelen wie temt het jonge Vlanderland? [177] Geen zuiderlings ontaarde krachten: de kerels zijn weêr opgestaan hun stem en zal geen dwang versmachten, het Vlaamsche Volk is vrij voortaan! 12/1901.
[178] [179]