HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.
Reading edition
Ipah was een handig klein ding, dat Ten al aardig werk uit de hand kon nemen. Zij paste voornamelijk op de twee jongsten van het nest van acht, tweelingen, twee jongens, van nog geen vijf jaar. Ook Mariam, die na Ipah het licht aanschouwde, was een flink meisje, één jaartje jonger dan haar zuster en wel voor drie jaar coquetter. Ipah was een leelijk kind, door de pokken geschonden; Mariam daarentegen, die al wat vormen begon te krijgen, beloofde een desa-schoone van den eersten rang te zullen worden. Van Djamin, den vijfde, een bengel van tien jaar, en Djirah, die op Mariam geleek, was niet veel te zeggen. Na Djirah was er in vijf jaren geen spruit gekomen. Rekso was voor de desa laat gehuwd; Ten was ook heel veel jonger dan hij en bij de geboorte van de tweelingen scheen het wel of de natuur haar verzuim had willen goed maken in de mollige nakomertjes.
De tijden werden niet beter.
Dit wist Rekso niet. Hem trof slechts het negatief resultaat van het, in zijn oogen toch billijke, verzoek. En dit resultaat versterkte hem in zijn meening omtrent de nutteloosheid en doelloosheid van Europeesche ambtenaren. Hij had berust, gelijk hij berust had in allen tegenspoed. Hij had zijn padjeg betaald, met een zwaar hart, dat is zoo, maar toch had hij betaald, omdat hij bang was voor de gevangenis. Vele menschen, die niet betaalden wat zij aan het gouvernement schuldig waren, had hij zien wegbrengen onder politiegeleide en later had hij gehoord dat zij in de gevangenis waren gezet. En als eenvoudig desaman had hij een kinderlijke angst voor de boei.
Pah Rekso vreesde voor het oogenblik, dat hem dwingen zou de poesaka te verkoopen. Het is waar; er kon veel geld van gemaakt worden. Ver buiten Tjidamar was het bekend dat Rekso’s vader eens een tijger had afgemaakt met die kris en de oude regent van Walirang had, toen hij van het heldenstuk hoorde, een bod laten doen. Maar hij had de kris niet gekregen. Neen, neen, ook Rekso kon haar niet te gelde maken.
Maar dan overviel hem weder de angst dat hij zou moeten, moeten om den honger. Hij had de kris in gedachten reeds vermaakt aan Siman. Na zijn dood zou zij het eigendom zijn van zijn zoon. Siman was een brave jongen, die voor het werk niet schroomde. Hij zou het dierbare wapen in eere weten te houden. En toen was hij op de gedachte gekomen om de kris reeds bij zijn leven te schenken aan Siman, uit vrees voor zich zelf. Hij voelde dat er een beroep gedaan zou worden op zijn sterkte, en hij voelde ook, dat hij zou bezwijken. En zoo was het gekomen op dien avond dat vader en zoon gezeten waren voor hun nederige woning. Pah Rekso was naar binnen geweest en toen teruggekomen met iets onder zijn baadje. Schichtig had hij om zich heen gekeken of niemand hem bespiedde, als ging hij een misdaad begaan. Toen had hij het pakje van onder zijn baadje te voorschijn gehaald. Het was de kris, gewikkeld in een goor-witten doek. Met veneratie ontdeed Pah Rekso haar van den doek. Siman had zwijgend, met een uitdrukking van diepen eerbied in zijn klare oogen, toegekeken. De kris was nog gewikkeld in een fijn matje van nipabladeren. Daar lag zij in als in een rustbed. Het was een vrij gewone, weinig kostbare kris. Zij was met eenige valsche steenen bezet. Pah Rekso trok het lemmet uit de schee; zijn hand beefde. Hij voelde met zijn nagel langs het scherp.
„Siman,” zeide de oude met heesche fluisterstem. „Je weet dat deze kris een poesaka van je grootvader is. Je weet dat hiermede in het bosch van Tjilempoe een groote tijger werd gedood ...? Ik wil jou dezen kris geven, Siman; niet na mijn dood, maar nu, op dit oogenblik. Je moet niet vragen, je moet aannemen. Maar op een belofte.”
„Ik beloof u, vader.”
„Geef op, vader!” had de zoon geroepen. „Ik zweer hier op de gelukzaligheid van grootvader, dat ik deze kris zal behouden.”
Het was een eenvoudig tooneel; voor een dergelijken talisman-cultus zou de beschaafde Westerling de schouders minachtend ophalen. Voor deze beide eenvoudige menschen evenwel was de overgave van de kris door den nog levenden vader een aandoenlijke gebeurtenis van groote beteekenis: Pah Rekso had zijn zoon daarjuist een man verklaard.
Trots welde op in Siman’s hart. Hij voelde zich in staat met zijn djimat de wereld te veroveren. Hij geloofde nu niet meer aan ellende. Hij klemde zijn hand om het wapen, als om zich te overtuigen dat hij het werkelijk bezat. En hij zag in den schemer niet de scherpe groef, die er plotseling om den mond zijns vaders was verschenen, om niet meer te verdwijnen.
„Zoo gaat het niet langer, Siman. Wij hebben niet meer om van te leven, binnenkort. En wat dan?”
Het is ons gewoonlijk een behoefde te verklaren dat de inlander zorgeloos is, dat hij niet maalt om armoe, en bij gebrek teert op de buren. Dit is een soort verontschuldiging voor ons gebrek aan kennis van de inlandsche huishouding en aan zin tot hulpverschaffing. Die zucht tot geestelijke zelfreiniging wil gemeenlijk ook niet weten dat „de buren” wel eens niet in staat konden zijn op zich te laten teren.
Siman was nog te jong gelukkig, om diep te beseffen dat kommer in aantocht was. Zag hij niet elken nieuwen dag de lachende natuur om zich heen; las hij niet in het groen van bosch en beemd groote beloften? En liet hij al eens het hoofd hangen, dan was een blik in de groote, donkere kijkers van Djiah voldoende om hem weder op te beuren.
„Is het wezenlijk zoo erg, vader?” vroeg hij. „Ik kan toch gaan werken, in de kotta. Ik weet van Karta dat men in de stad geld kan verdienen, als men werken wil ...”
Maar de oude weerde hem af.
Neen, van de kotta moest hij als desaman niets hebben.
„Wij zouden kunnen wegtrekken van Tjidamar ...” opperde Pah Rekso.
Even trof Siman een schok van plotselingen schrik. Weggaan? Van Tjidamar heengaan, waar Djiah was? En waarheen zou men gaan? Het zou overal wel hetzelfde zijn. En hier was de grond toch rijk; als men slechts voldoende water op de sawahs kon krijgen.
De innige gehechtheid van den Javaan voor den grond, waar hij geboren werd, dreef Siman tot strijd voor dien bodem. Zoo meende hij. In waarheid kwam nog een groote factor in rekening: Djiah. Het was schoon trouw te blijven aan zijn geboortegrond, omdat hij ook was de geboortegrond van Djiah!
Maar de oude was koppig. Hij had al vaker aan de mogelijkheid gedacht, dat de nood hem zou dwingen weg te trekken. En toen hij onlangs over de Tjiboeroeng was geweest bij de desa Randoe-aloes, had hij den stroom langs gekeken, die in eindeloos geklots zijn golven naar het noorden voortjoeg. Gaf de rivier hem den weg niet aan? Hoog in de lucht had een eenzame koentoel een schreeuw gegeven, en toen Rekso opkeek, zag hij den reiger noordwaards vliegen met groote, rustige wiekslagen. Rekso twijfelde niet of de vogel had met dien eenen schreeuw zijn aandacht willen trekken. De toevalligheid had hem getroffen, en was hem bijgebleven. Zou hij niet wijs doen om de teekenen te gehoorzamen? Hij dacht traag, maar daardoor ook wisselde hij niet dan zeer moeilijk van gedachten.
„Het wordt koud, Siman,” zeide Rekso opstaande, „en de maan is al hoog geklommen. Morgen is het weer een zware dag. Laten wij gaan rusten.”
Het eenvoudige maal was spoedig afgeloopen. Rekso stak een strootje op; hij zette zich op de bamboezen zitbank, sloeg de armen om de omhoog getrokken knieën en verzonk weer in gedachten. Terwijl Siman de geit in den anderen hoek van den emper wat versch voeder in den stok gaf, waarvoor het dier uit erkentelijkheid zacht mekkerde en zich tegen hem aanwreef, wierp de jonge man steelsche blikken op zijn vader. Hij wist wat er bij den oude omging en dat verontrustte hem.
„Laten we maar gaan slapen,” zeide hij als nachtgroet.
Siman sloot de deur van den emper, legde zich neer op de mat in den hoek naast Djamin, die hoorbaar ademhaalde, vleide het hoofd op het gore, grauwe kussen en trok den sarong om zich heen. Lang kon hij den slaap niet vatten. Hij dacht er over, wat hij doen moest als zij toch Tjidamar zouden verlaten en Djiah achterbleef. Hij hoorde Rekso eenige woorden wisselen met zijn moeder. Als hij het hoofd oplichtte kon hij langs het gordijntje hen zien liggen. Och, wat zou het: voor de oudere kinderen, ook voor Djamin, bestonden geen sexueele geheimen meer. Hun hinderde de aanwezigheid van vader en moeder niet, en deze behoefden zich om hen evenmin in acht te nemen.
Buiten loeide de wind.
Vroeg was Siman reeds op. Binnen sliep men nog, toen hij de geit haar vrijheid gaf en zich in het beekje wiesch. Toen schepte hij zich wat rijst op, die er nog stond van gisteravond en ontbeet met sambal als toespijs. Uit de kamer nam hij zijn patjol en begaf zich naar de sawah. De leiding moest noodig uitgediept worden. Er was al weer minder water en wat er nog was, had nauw kracht genoeg om de sawah te bereiken.
Voor de woning van Djiah’s vader vertraagde hij den tred. Juist opende zich de deur en verscheen Pah Ran op den drempel. Hij wenkte Siman en voegde zich bij hem. Samen togen zij verder. Pah Ran’s sawah lag nabij die van Pah Rekso. Zij was nog kleiner dan Rekso’s sawah, maar lager en daardoor met het oog op het water beter gelegen. Ook was Pah Ran bezitter van een buffel.
Beide mannen waren spoedig aan het werk. Met eentonige regelmaat sloeg Simans patjol in de bedding der leiding. Het was nog vroeg, toch zweette hij reeds in de frissche morgenkoelte.
„Ik wou wel met u spreken, Pah Ran,” begon hij. De ander keek rustig op. Hij wist dat Djiah, zijn dochter, en Siman het met elkander eens waren. Hij had geen bezwaar. Hij hield veel van den flinken knaap, die iets ernstigs over zich had, al kon hij bij tijden toonen ook een goed deel luchthartigheid, het privilegie der jeugd, te bezitten. Pah Rekso bezat nog minder dan hij, dat is zoo, maar mariages de raison zijn zeldzaam in de desa. En hij hield zeer veel van zijn Djiah, zijn eenig kind, en zou haar niet gaarne verdriet doen. Zoo meende Pah Ran niet anders dan een verklaring en een aanzoek te vernemen van Siman en hij was wel verrast door de vraag van den jongen man:
„Zeg, Pah Ran, kunt ge mij zeggen, waarom er in de Tjikanding-Saät geen water meer is?”
„Ja, dat kan ik je wel zeggen, maar waarom vraag je dat?” antwoordde hij.
„Omdat ik gehoord heb, dat het water uit de Saät gestolen is.”
„Dat is ook zoo, Siman. Dat is zoo. Ze hebben het van ons gestolen, lang, heel lang geleden. Ik weet het van mijn vader. Die heeft het ons vaak genoeg verteld.”
„Maar ik begrijp niet, Pah Ran ...”
„Kijk, Siman, je weet dat bij de desa Tjisanoer in de Tjikanding een groote steenen dam is gelegd, niet waar? Vandaar loopt het water van de Tjikanding in een leiding op het land Alas Bamboe. Je moet je dat goed voorstellen, Siman. Vroeger ging de Tjikanding langs de grens van het district Tjioedik en dan verder naar het oosten, naar het district Tampo. Maar door dien dam bij Tjisanoer werd al het water afgesneden. En nu weet je ook zeker wel dat er een oude dam is in de droge bedding van de Tjikanding bij Bandar. Vroeger, zoo heeft mijn vader verteld, werd daaruit het water afgetapt voor de bevloeiing van onze sawahs. Dat kan nu niet meer.”
„Maar is het niet mogelijk om het water van de Tjipalang op onze sawahs te brengen?”
„Dus, Pah Ran, als ik u goed begrijp, is het ook ons water dat nu naar de particuliere landen wordt afgevoerd?”
„Juist. Daar is nu water genoeg, maar wij hebben altijd gebrek.”
„Is dat al lang geleden?”
„Al heel lang, Siman. Mijn vader was toen nog jong. Vroeger waren Alas Bamboe en Telatiga één land, weet je. En toen is het gescheiden in tweeën, en toen hebben ze ook de leidingen gegraven voor het water, waarop ook wij, lieden van Warnaleutik, recht hadden.”
„Maar dan, Pah Ran, de regent moet dat toch gemerkt hebben, dien diefstal, en de assistent-resident ...
De oude zweeg. Siman dacht over het gehoorde na.
„En dus daarom,” zeide hij na een wijle, „mislukt nog altijd een groot gedeelte van den oogst in ons district Tjioedik. En is dat ook de reden van de mislukking van de padi in het district Tampo?”
„Niet geheel, Siman. Want de landheer van Alas Bamboe heeft eigenlijk slechts het voorbeeld gevolgd van dien van Telatiga, die voorgegaan was met waterroof uit de Tjipalang. Het voordeel van dien roof was niet gering, en wat deze deed met de Tjipalang, heeft hij met de Tjikanding gedaan. Dat heb ik je al verteld.”
Weer trad een pauze in.
Toen nam Pah Ran zijn arit weer op. „Je moet er maar niet over tobben; dat maakt je ontevreden, en dat dient tot niets.” Hij wilde zich weer aan den arbeid begeven.
„Pah Ran, is daar nu niets aan te doen? Kunnen wij dat water nooit meer terugkrijgen?”
Er lag iets smeekends in de stem van den jongen man, waardoor Pah Ran hem met aandacht opnam. Zou de jongen verkeerde denkbeelden koesteren en ontevreden worden?
„Ik wou dat ik toch dat water op onze sawahs kon krijgen, Pah Ran. De padi kan niet zonder water blijven ... Wij zouden dien dam kunnen afbreken ...”
„Doe geen dwaasheden, Siman. Zoo iets wordt dadelijk gemerkt. En weet je wat er dan op staat? Eerst de gevangenis en dan veroordeeling ... wegens waterdiefstal,” zeide Pah Ran schamper.
„Maar dat kan niet. Wij stelen niet, Pah Ran; wij nemen alleen terug wat ons ontstolen is ... dat is toch geen diefstal ...!”
„Je bent nog erg jong en naïef, Siman.”
„Maar het moet, Pah Ran, het mòet, anders moeten wij weg ...!” Het was de angstkreet van een, die geen uitweg weet.
Pah Ran stond als van den bliksem getroffen. Weg? Moest Siman weg?! Was de jongen gek geworden?
„Wie moeten weg?”
„Wij, Pah Ran, vader, moeder en ik, wij allen.”
„Waarom?”
„Omdat er niets meer is om van te leven.”
„Maar dan kunnen jullie toch bij ons komen. Ik heb te veel voor mij en Djiah.”
„Dat kan niet, Pah Ran, we zijn met ons negenen. Ik dank u.”
„En waar wil je dan heen?”
„Vader wou naar het noorden. Ik weet zelf niet waarheen.”
Weer stokte het gesprek; te veel gedachten verdrongen zich bij beiden. Siman stond met een zucht op en verwijderde zich.
Pah Ran keek hem nog lang na, hoofdschuddend.
Vergeefs trachtte bij dien avond Pah Rekso er toe te brengen zijn plan te laten varen. De oude was koppig en de tegenstand, dien hij bij de zijnen ontmoette, maakte hem kregel. Hij nam zich daarom voor, om eerder dan zijn aanvankelijk plan was, te vertrekken.
„Morgen zoek ik een kooper voor mijn grond!” zeide hij vastbesloten. Dat was zijn laatste woord.
Siman vergezelde Pah Ran en Djiah, die meegekomen was, naar huis. Het drietal was in zeer gedrukte stemming. Bij Siman kwam het niet op tot zijn vader te zeggen dat hij blijven zou, om Djiah; zij vroeg het hem niet. En toch, als hij het fijne profiel van de jonge maagd en haar ranke lijf beschouwde, gevoelde hij, dat hij in staat zou zijn om den eerbied jegens zijn vader op te zeggen. Maar dan nog, wat zou het geven? Hij zou niets bezitten en het streed met zijn eer eerst te moeten leven door de goedheid van Pah Ran en hem dan zijn dochter tot vrouw te vragen, ook al wist hij dat Pah Ran hem het een zoo graag als het ander gunde.
Kon Pah Ran niet mee? waagde Djiah te veronderstellen. Maar haar vader schudde het hoofd. Hier had hij het goed, wie kon zeggen wat hem elders wachtte? En dan, hij was hier te Tjidamar geboren. Neen, het zou verkeerd zijn weg te gaan.
Het was een treurig afscheid tusschen Djiah en Siman voor de woning van Pah Ran. „Ik ben bang, Siman, als je weggaat,” fluisterde Djiah. „Saïd Alaidroes vervolgt mij overal. En als hij vader nu eens geld, veel geld bood, Siman; vader is arm, en ik ben maar een meisje ...”
Siman balde de vuist en zijn hand zocht de greep van de kris, die hij sedert den avond te voren bij zich had gestoken, omdat hij haar een djimat dacht. Alaidroes, die Arabier, die desa-hyena! Hij had hem al geruimen tijd in het oog, omdat hij Djiah niet met rust liet. Die gemeene woekeraar was rijk. Hij kon veel geld bieden aan Pah Ran. En wat kon hij zelf, hij, Siman, daartegenover stellen? En als hij weg was, zou Alaidroes de handen vrij hebben. Nu nam hij zich in acht voor den ontembaren, krachtigen, jongen Soendanees, in wiens blikken hij meer dan eens haat en vijandschap had gezien.
Neen, hij moest niet gescheiden worden van Djiah; hij moest haar beschermer zijn.
In zijn kamertje strekte hij zich moedeloos op zijn leger uit. Weer duurde het lang voordat hij den slaap kon vatten.
* * *
Op een afstand heeft deze muziek, de oedjan’mas, zelfs voor Europeesche ooren iets melodieus en weemoedigs, dat week stemt.
Zij treden de kleine woning binnen, waar zij voortaan hun leven zullen slijten naast elkander. Een deel van de muziek is meegetrokken en verscheurt de lucht thans voor de gesloten deur met helsche fanfares, waarbij de jeugd vooral op luidruchtige wijze van de heerschende vroolijkheid getuigt. Ruwe, toch niet kwaadgemeende kwinkslagen worden, maar niet luide, gehoord onder de ouderen, waarvan er menigeen Siman om zijn lief vrouwtje benijdt. Dan kan het huwelijk als ingewijd beschouwd worden en trekt het geleide weer terug naar het feesthuis, aan het andere einde van de desa.
Siman en Djiah kunnen nog lang de zachte klanken hooren van de gamelan, nu en dan verbroken door een hol klinkenden slag van go-ong of saron, wijdend het afscheid van Djiah van haar meisjesjaren.
In de binnengalerij van de woning van het desahoofd zaten, terwijl het feest nog in vollen gang was—het zou zeker niet voor het hanekraaien eindigen—op een rustbank Pah Rekso en Pah Ran genoegelijk te keuvelen. De zoon van den koewoe hield hun gezelschap. Mah Ten was voor een uurtje naar huis teruggekeerd; de slaap overmande haar. Hun woning stond zeer nabij die van het jonge paar, maar was te klein en te onaanzienlijk om er een feest in te geven, en de koewoe had hun bereidwillig zijn huis, het grootste in de desa, aangeboden. Van het aanbod was gretig gebruik gemaakt.
Siman en Djiah moesten een schitterende bruiloft hebben, dat was uitgemaakt. En waarom ook niet? Men was rijk nu!
Te vergeefs hadden Rekso, Siman en Djiah bij Pah Ran aangedrongen mede te gaan. De oude was zelfs voor de tranen van zijn dochter niet bezweken. Djiah was diep bedroefd. Haar lief gezichtje stond bedrukt en ze lachte niet meer. Ook Siman zag de toekomst donker in.
„Zeg, buurman, heb je gehoord dat de landrente verhoogd wordt?” barstte hij uit.
De ander keek verwonderd en met schrik op. De gewoonte deed hem er een oogenblik niet aan denken dat de verzwaarde belasting hèm niet zou treffen.
„Is het waar?” vroeg hij.
„En onlangs zijn de desadiensten al verzwaard. Het gouvernement schijnt wel arm te zijn, tegenwoordig.”
De brave wist niet dat er van zulk een verhooging der landrente geen sprake was. Wel had de nieuwe landvoogd—dat er een nieuwe toean besar was, ook daarvan wist men in de desa Tjidamar niets af,—een circulaire doen rondzenden aan de hoofden van gewestelijk bestuur om beter te zorgen voor de inning der door de bevolking verschuldigde belastingen. De opdracht had den weg afgelegd van de residenten tot de inlandsche bestuursambtenaren en dezen gaven in den meest practischen vorm aan het bevel uitvoering. Het kwam er immers maar op aan dat er meer geld binnenkwam; welnu, de eenige weg om een resultaat te kunnen aanwijzen, was: de belasting te verhoogen. Veel behoefde het niet te zijn. Bleef de ambtenaar in gebreke door meerdere opbrengst te wijzen op meer activiteit, het zou hem allicht slecht worden aangerekend.
En aan de andere zijde was die eigenmachtige belastingverhooging niet te controleeren. Wat lag meer voor de hand dan zich te beroepen op meerdere draagkracht der bevolking? Het was dwaasheid zich moedwillig het ongenoegen van de hooggeplaatste ambtenaren op den hals te halen.
„Schandaal of niet,” merkte Pah Rekso droog-wijsgeerig op, „je zult moeten betalen.”
„Ik moet niets. Ik doe het eenvoudig niet!” voer de jongere driftig uit.
Rekso zweeg. Wat zou hij op die driftige woorden zeggen? Maar Pah Ran zag aan zijn houding dat Rekso hem dwaas vond. ’t Ergerde hem. En in zijn toorn liet hij zich verleiden tot het doen van een gelofte, welke hij later verplicht was op geheel andere wijze na te komen dan hij bedoeld had:
„God hoort mij: eer zal ik het graf mijns vaders met mijn handen omwoelen, dan een cent meer te betalen.”
Het klonk plechtig. De aanwezigen waren onder den indruk en lang nog na het vertrek van Pah Ran waren de achtergeblevenen te zeer beklemd om te kunnen spreken.
Die gelofte was een dwaasheid en had tot gevolg dat Pah Ran weg moest trekken, wilde hij haar gestand doen. Want een strijd tusschen den assistent-wedana en Pah Ran moest wel in het voordeel van den eerste uitvallen. Pah Ran had zich nu juist regelrecht in de soesah gewerkt. Hij met zijn koppigen aard dacht natuurlijk niet aan het verbreken der gedane gelofte, gesteld al dat hij den moed bezeten had om het gevaar, daaraan verbonden, te trotseeren. Bovendien zou hij zich te zeer moeten schamen voor hen, die zijn gelofte hadden gehoord. Hij moest dus weg. En daar dit natuurlijk bekend werd, speculeerde de assistent-wedana er op zijn stukje sawah goedkoop in handen te krijgen, wat hem na lang loven en bieden gelukte. Het vertrek van het gezin Rekso was in verband met het hiervoor medegedeelde uitgesteld, want Pah Ran zou nu mee trekken naar het noorden. Twee menschen waren gelukkig bij dezen loop van zaken: Siman en Djiah. Dat laat zich denken!
Den eersten dag kwam men niet verder dan het armoedige boschgehuchtje Passanggrahan Tjikanding, waar de nacht werd doorgebracht. Den volgenden dag was men in het zwaardere bosch, maar de weg was nog wel te volgen. Het was een lange trek, dien tweeden dag. Bij Pondok Boeroeng kampeerde men. De drie volgende nachten moest men zich in het dichte bosch opschieten. Er werden groote vuren ontstoken om de wilde dieren verre te houden. Den laatsten dag vooral had men een vermoeiende reis op den drassigen bodem, waar de wielen vaak in wegzonken; terwijl door het dichte struikgewas over groote afstanden de weg moest worden gebaand. In den nacht eerst werd de desa Dojang bereikt, waar de eerste sawahs de eentonigheid van het woud braken. Na nog een stuk bosch doorgetrokken te zijn, ontplooide zich voor de oogen der reizigers de uitgestrekte laagvlakte; zoo ver het oog ging, zag men de sawahs. Water was er overal! Aan dit kostelijk vocht scheen nergens gebrek te zijn. In den vooravond was men in de groote desa Tjikoedoeng.
Hier werd de groote rust genomen. Pah Rekso en Pah Ran gingen op kondschap uit. Veel vernamen de vreemdelingen niet, wijl zij niet nieuwsgierig waren naar iets anders dan naar de mogelijkheid om gronden te krijgen en hoe dat geschieden moest. De koewoe gaf den mannen den raad naar Herea te gaan. De grond was daar zeer goed, zeide hij, en zuidelijk van de desa Gatok, aan den grooten weg, was grond te krijgen, ruim drie bahoes, had hij gehoord. De erfpachter was onlangs overleden zonder kinderen. En als men er vlug bij was, zou men dien grond wel kunnen pachten. Het ging heel gemakkelijk: men moest door het desahoofd maar aan den toean ziender doen weten dat men den grond wel wilde hebben.
En zoo waren de reizigers, na twee dagen oponthoud in de desa Tjikoedoeng, nog verder oostwaarts over het land Alas Bamboe getrokken, langs den grooten weg. De desa Gatok was een groote dagmarsch verder gelegen, nabij de grens van het land en de naburige particuliere landerij Telatiga.
Het was vlot achter elkander gegaan. Men had den koewoe, het dorpshoofd, een douceur gegeven voor de vele kosten, die hij verzekerde te moeten maken, en die inderdaad daarin bestonden dat hij naar den opzichter ging in de desa Herea en dien mededeelde dat hij den grond, die indertijd aan Pah Merdja had toebehoord, aan nieuwe opgezetenen had afgestaan. Hij kwam terug met de ingevulde contract-formulieren, welke nog slechts door Pah Ran en Pah Rekso behoefden te worden geteekend. Dezen konden evenwel schrijven noch lezen. Pah Rekso, die voorzichtig was, wenschte den inhoud van het contract te kennen, alvorens te teekenen. De koewoe verstond eenigszins de kunst van schrijven; in lezen was hij evenwel geen meester. Hij nam echter een houding aan als las hij den inhoud door en deelde hem bij gedeelten mede, wat hij wist dat het contract bevatte. Zij hadden zich te onderwerpen aan de bestaande bepalingen, neergelegd in het Reglement op de particuliere Landerijen van 1856, zij hadden den landeigenaar het ⅕ gedeelte van den oogst af te staan en eenmaal ’s weeks in heerendienst arbeid te verrichten.
„Zijn er geen andere belastingen?” had Pah Rekso gevraagd, en de koewoe had verklaard van niet. Rekso had evenwel nog bezwaar om te teekenen. Een soort instinct waarschuwde hem dat het dorpshoofd een handlanger was van den landeigenaar, en hij voelde hem als een vijand. Het desahoofd nam genoegen met het verzoek van Pah Rekso om hem het papier achter te laten.
„Maar talm er nu niet mee,” had de koewoe nog gezegd, „want de gronden kunnen elken dag aan een ander geschonken worden, zoolang jij geen erfpachter bent.”
Rekso beloofde over twee dagen te zullen terugkomen.
De sawahs besloegen bij elkander nog geen anderhalven bahoe, maar ze waren goed gelegen en konden vrij gemakkelijk bevloeid worden. Graag had Pah Ran een grooter stuk gehad, maar Rekso had hem onder het oog gehouden dat zij de eerste jaren toch nog geen uitgestrekteren akker zouden kunnen exploiteeren en dat men zijn aanplant langzamerhand wel zou kunnen uitbreiden. Gescheiden werd het stuk niet, althans niet officieel. Hoewel er nooit over gesproken was, zoo had men als het ware bij afspraak reeds uitgemaakt dat Siman en Djiah man en vrouw zouden worden en als dat gebeurde, kwam alle grond toch in één hand. Waarvoor zou men dan zich de moeite en de kosten van afmeting en scheiding op den hals halen?
Rekso vernam van hem den geheelen inhoud van het contract, die hem erg onschuldig toescheen. Hij dankte den penghoeloe en vergat de douceur niet. Den volgenden dag teekenden hij en Pah Ran met een kruisje het contract, welke handteekeningen door den koewoe en den penghoeloe werden gelegitimeerd. Het dorpshoofd had nieuwe kosten te maken en dus meenden de beide immigranten hem opnieuw met een kleinigheid te moeten schadeloos stellen.
Den dag daarop waren Pah Rekso en Pah Ran in het bezit van een duplicaat van de acte van erfpacht, waar ze wel niets van begrepen, maar dat zij, domme desalieden, met een kolossalen eerbied voor al wat papier is, een veilige plaats gaven in hun woning.
Zij waren erfpachters. Wat waren zij trotsch en hoe maakten de jongeren zich illusies over de toekomst! Met een kinderlijk genoegen werd het duplicaat-contract telkens open- en toegevouwen. Men had er behoefte aan zichzelf nog eens en nog eens te overtuigen van zijn bezit.
Dit bestond, gelijk wij zeiden, uit een stuk sawahgrond van nog geen anderhalven bahoe oppervlak. Het lag vrij gunstig. Een primitieve leiding bracht uit de nabij gelegen Tjikoentoel het water op de sawahs. In den westmoeson was er voldoende bevloeiing. En dit voordeel hadden de nieuwe erfpachters dat zij, althans in normale tijden, geen vrees voor bandjirs behoefden te koesteren. Hoe het in een droog jaar zou gaan? Och, Rekso en Ran waren Javanen en dachten dus geen moeson vooruit.
Het district Herea, waar zij zich hadden neergezet, stond niet bekend als het beste der vier, waarin het groote land Alas Bamboe verdeeld was. De gronden zijn er poreus en bezitten de eigenschap niet het water vast te houden. En een zeer groot deel van het district is dan ook hoofdzakelijk aangewezen op de regens. In de Tjikanding-leiding, in het boschgedeelte, is een dam gelegd nog slechts enkele jaren geleden. Deze dam heeft ten doel het waterpeil te verhoogen en het kostelijk nat voor de rijstvelden kan zich daardoor in kleinere leidingen over een naar verhouding toch nog geringe oppervlakte verdeelen. Zoo wordt het noordwestelijk gedeelte van Herea en het westelijk gedeelte van het aangrenzende district Sikarang geïrrigeerd. Op een wijze dan, die op den naam irrigeeren eigenlijk geen aanspraak mag maken.
Maar, gelijk wij zeiden, verder dachten Pah Rekso en Pah Ran niet.
Pah Ran hield van zulke aardigheden, ruw en laag bij den grond, maar kwaad waren die grappen nooit bedoeld.
En dus schoot er niets anders op over dan te geven wat gevraagd werd. Het was overigens niet veel: nu eens een kwartje, dan weer een halve gulden; meer dan dat nooit. Zeker, zij hadden zich kunnen verzetten tegen dergelijke knevelarij. Buren hadden hen wel reeds ingelicht dat zij niet voor al wat de koewoe hun in rekening bracht debiteur waren. Maar de koewoe had hun het gebruik van zijn woning voor het huwelijksfeest toegezegd en het instinct van den onderdrukte weerhield de lieden van verzet. Dat zou tot niets leiden; het gaf veel soesah; het dorpshoofd zou hen nog heel wat slimmer het leven kunnen verbitteren en op het eind was hij dan toch nog de sterkste. Neen, de kolonisten dachten eenvoudig niet aan verzet.
Overigens bekommerden zij zich met de zorgeloosheid van den Javaan niet veel om de geringe onrechtmatige belasting, die van hen geheven werd, zoolang er nog genoeg in de kous was.
Van het voorschot, dat hun was gegeven, negen gulden, en dat zij natuurlijk hadden aangenomen—daarvoor waren zij inlanders—hadden zij den noodigen voorraad zaadpadi ingeslagen in de desa Herea in het noorden, de standplaats van den opzichter, en toen de sawahs bewerkt waren, de grond voldoende had uitgezuurd en er genoeg water op de velden was gebracht, waren moeder Ten en de meisjes aan het werk getogen en hadden in de plantgaten de padi neergelegd. Het weer was gunstig, de padi kiemde krachtig uit en reeds begon een licht zachtgroen dons zich mijlen en mijlen ver over het land uit te spreiden.
Pah Rekso en Pah Ran, die op de baleh-baleh hun strootje zaten te rooken en, de herinneringen ophalend, de gebeurtenissen der laatste maanden nagingen, hadden geen spijt van den stap, dien zij deden, toen zij besloten Tjidamar te verlaten.
Laat, heel laat, legden zij zich ter ruste. Zij zouden morgen een dagje vrijaf nemen.
Toen zij voor hun woning waren gekomen, waar Mah Ten en de kinderen reeds ter ruste lagen, wees Pah Ran voor het naar binnen gaan over zijn schouder naar de woning van Siman en Djiah, waar in het vertrek op het oosten een zwakke lichtschijn viel door den bamboewand.
„Zouden ze al slapen?” vroeg hij met een trek van den mond.
„Goede kinderen,” antwoordde Rekso rustig. „Allah zal ze zegenen.”
* * *
Toch, er is nog een ander middel om den honger te bestrijden. Een eenvoudig middel. De grond moet gesterkt worden, zoodat misoogsten niet meer voorkomen. De slechte factoren in de natuur moeten geneutraliseerd worden door de kunst des menschen. Irrigatie zij daar waar de droogte zich doet gelden, opdat de bodem aan de opgezetenen in harde dagen voldoende voedsel geve om blijder tijd tegemoet te gaan. Natuurlijk hebben de landeigenaren gezorgd voor een irrigatie-stelsel, beter dan de regeering haar andere onderdanen schenken kan. Niemand kan echter van een zaak verlangen, dat zij het belang van anderen dient vóór haar eigen. Men kan dan ook niet verwachten dat de landeigenaar het land vruchtbaarder maakt en irrigeert, uitsluitend ten behoeve van de inlanders. De stelling moet deze zijn: Het eigen belang der eigenaren, die uit grooter oogst grooter contingent tjoeké trekken, en welk belang door een misoogst allerminst gediend wordt, heeft de landeigenaren doen zorgen voor een systeem van irrigatie, zoo deugdelijk ...
Een oogenblik. Het had zoo kunnen zijn. Helaas; het is zoo niet. En de fout zit niet in gebrek aan fondsen om over te gaan tot verhooging van de capaciteit langs dezen weg, gelijk elders op particuliere landerijen en door de Indische regeering met schijn van excuus wordt aangevoerd. Neen, het grappige in dit bijzonder geval is, dat er ... te veel winsten zijn gemaakt tot dusver. Men taalt niet om wat meer, en van de eigenaren, die daar ver weg in de lichtstad Parijs of in het vrouwenrijke Weenen hun gelden verteren in lachende minne en bruisenden wijn, kan toch waarlijk niet verwacht worden dat zij, in den genotsroes, zich de hersenen zullen pijnigen met zorgende gedachten voor de werkers, wier moeizame arbeid hun orgieën betaalt? Dat zou inderdaad onbillijk zijn.
Niet waar? En zoo is het dan dat de eenige levensbron voor Alas Bamboe is de kleine leiding der Tjikanding, gevoed met het, aan een andere bevolking, dat zijn: andere zwoegers, ontstolen water. De Tjikanding is evenwel slechts een onbeduidend stroompje, waarvan de benedenloop in den natten moeson zelfs niet is na te speuren, wijl zijn water zich al maar verdeelt over de sawahs en het zelf ophoudt te bestaan, zich verliezende in de reuzenvlakte. Anderen natuurlijken watertoevoer voor de vlijtige landbouwers op Alas Bamboe moet men niet zoeken, tenzij men de door heuvelwater gevoede beken en kreken, of de zijtakken der Tjikanding voor deugdelijke waterwegen wil houden, wat zij niet zijn.
De geringe watertoevoer is natuurlijk onvoldoende voor het gansche land Alas Bamboe. Slechts de beide afdeelingen Sikarang en Herea hebben het geringe genot van dezen waterzegen. In de andere, grootste en minst bebouwde, afdeelingen, Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, wacht de opgezetene op de genade des hemels voor zijn velden. Zonder regen op goede tijden, lijdt hij honger ... Dit is het akelig axioma van Alas Bamboe.
En toch, het kon zoo anders zijn!
De ruim drie duizend bahoes in het district Goenoeng Lawang, de ruim zeven duizend bahoes van het daarvan oostelijk gelegen district Alas Bamboe, en de overige twaalfduizend bahoes van de beide andere nog meer oostelijk gelegen districten, welke thans reeds bebouwd zijn met rijst, en vele, vele duizenden bahoes nog maagdelijke grond zouden doelmatig en ruimschoots geïrrigeerd kunnen worden door een enkele groote rivier, die in den zuidoostelijken hoek van de landerij haar bruine golven voortstuwt naar den stroom, die de grens vormt met de Peboeroengan- en Tjimanis-landen: de Tjikoembang. Maar de eigenaren hebben tot dusver niet noodig geacht het water dezer rivier ten nutte der bevolking aan te wenden. Ik zeide het reeds hiervoor: er komt genoeg geld binnen in de zakken der eigenaren en het altruïsme gaat gewoonlijk juist zoo ver, tot waar het nadeel voor eigen beurs begint. Bovendien, zoo voert men aan, de beide districten Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, die dan volgens de „onrecht-aanbrengers” zoo waterarm zijn, worden gescheiden door een rivier, de Tjilawedok. Dit is volkomen juist. Alleen wordt er niet bij gevoegd dat deze rivier een nietig stroompje is, dat, even nadat het in de bebouwde vlakte is getreden, doodbloedt.
Buiten den dam in de Tjikanding, waaromtrent reeds het een en ander gezegd is, bestaan geen kunstmatige waterwerken. Althans de beide setoes in het district Herea, door de opgezetenen ten eigen behoeve ingedamde kommen, kan men moeilijk aanhalen als een bewijs van de goede zorgen der eigenaren. In de andere districten is van kunstmatige irrigatie, buiten de primitieve leidingen der ingenieuze landbouwers zelf, in het geheel geen sprake. Daar is het in concreto dat men Gods water over Gods akker laat vloeien, en een geluk is het voor de inlanders dat de grond vruchtbaarder is in de westelijke districten en vetter, en dat hij daardoor het water langer weet vast te houden.
Dit is dan wat er omtrent de gesteldheid van het land Alas Bamboe valt op te merken. Ik kan mij onthouden van verdere misprijzing der landeigenaren, dunkt mij. De toestand, als hierboven geschilderd, spreekt voldoende voor zich zelf. Slechte regenjaren zijn rampjaren en wreken zich geducht op het product. In de maanden December, Januari en Februari komt de padi in den grond. Geoogst wordt van Mei tot Augustus. Maar wat men elders op het groene Java kan waarnemen: dat de tijd tusschen oogst en nieuwen aanplant benut wordt om tol te heffen van den geduldigen bodem in den vorm van tweede gewassen, dat is op Alas Bamboe, en ook op het aangrenzende land Telatiga, meestentijds niet mogelijk. Om de droogte. De riviertjes weigeren in die maanden den dienst, zelfs de levensader, de Tjikanding, droogt dan bijna uit. En de verbouw van palawidja-gewassen, zooveel hij nog bestaat, verdient den naam kultuur niet. Hij is geheel onbeteekenend.
Indische journalisten hebben meer dan eens de toestanden op de beide landerijen op de kaak gesteld en aangedrongen op onderzoek en verbetering. Daar evenwel over Insulinde de Hollandsche vlag wappert, valt op onderzoek en verbetering niet te rekenen, en de strijd der naïeve journalisten was weinig meer dan de kamp van ridder Quichote tegen de windmolens van Montiel. Het resultaat was, gelukkig voor de publicisten, minder onfortuinlijk dan het voor hun klassieken voorganger was. Werd deze in zijn dwaze maar vermetele poging de reuzen te verslaan door de wieken van den molen op de vlakte neergekwakt: de koenheid der journalisten om te durven wijzen op misstanden werd niet beloond met gevangenisstraf als gevolg van een aanklacht wegens „laster”. De wetten in dit land zijn er uitsluitend voor de schelmen, en er worden hier geen rechters gevonden, die den moed hebben te handelen en recht te spreken in afwijking van de wet. Het moet voor de dagbladschrijvers hard geweest zijn, te ervaren dat zij hun „straf” ontliepen door de goedertierenheid van de eigenaren zelf.
Het was eenige maanden verder. In de desa Gatok ging het leven voort, met al de kleine ongeriefelijkheden van het bestaan. Pah Rekso was ernstig ziek geweest. Een zware longaandoening had zijn krachten gesloopt. Zij hadden in een langdurige zware bui op het veld moeten wezen, hij, Pah Ran en Siman. Het had al dagen lang bijna onafgebroken geregend; het water werd een kruis. De sawahs met het jonge gewas stonden blank. De zware drop knakte de halmen. Met bezorgdheid hadden de landbouwers de gevolgen berekend. De afvoer was gebrekkig, en steeds meer en meer water wierp de hemel omlaag. Den derden dag moest raad geschaft worden, wilde men niet den geheelen oogst aan vernieling blootstellen. Het veld der nieuwe opgezetenen was door een smalle strook sawah van den desagenoot Rakiman van de Tjikoentoel gescheiden en vormde een hooger terras. Het was zaak het overvloedige water af te leiden, over Rakimans grond naar de kleine rivier, die reeds geducht gezwollen was. De buurman had geen bezwaar; hij begreep zijn belang, want ook het water op zijn sawah zou hij daardoor kunnen loozen.
Met groote van bamboe gevlochten hoeden op het hoofd, het bovenlijf naakt, waren toen de drie mannen in den neerplassenden regen en den gierenden wind aan het werk gegaan.
Het rijstveld helde naar het zuiden af; het was dus zaak aan de zuidzijde langs den galangan een voor te slaan. De patjols drongen in de weeke modder, die op zij uit, zoover mogelijk in de sawah, werd neer geworpen. Op den galangan kon zij niet worden neergelegd; daar zou de regen haar weer wegspoelen. Een goed uur hadden de mannen aan dezen voor gewerkt, nadat de galangan was doorgebroken. In een breeden, bruinen modderstroom viel het water af in de sawah van Rakiman, om hierover de Tjikoentoel te bereiken. Ook de galangan, die Rakimans sawah van het lager gelegen riviertje scheidde, had doorgebroken moeten worden. Maar hiermede was het werk niet afgeloopen. Het bleek dat de drainage aan de zuid onvoldoende was; langs den oostkant moest noodig nog een weg voor het water worden geslagen. En met nieuwen moed werden de patjols in de klei gedreven. Het water spatte de landbouwers in ’t gezicht; de regen doorweekte hen. De donder ratelde rusteloos; het licht was niet van den hemel. En steeds weer gierden en floten de windvlagen over de vlakte en deed de mannen rillen van verkleuming. Ruim drie uren waren zij bezig geweest, voordat het werk gedaan kon heeten. Zij hadden voldoening van den arbeid. Waar zij den blik heen wendden, zagen zij ondergeloopen rijstvelden; slechts die met voldoende helling, een nadeel bij normale weergesteldheid, en welke van beter te regelen afvoerwegen voorzien waren, hadden geen inundatie te vreezen.
Van Ten en Djiah hadden de mannen een warmen kop zwarte koffie gehad. Toen waren zij weer opgeknapt en bijeengezeten spraken zij over den gedanen arbeid.
„Het is hier toch ook niet alles even mooi,” merkte Pah Ran op. „Als de landheer wilde, zouden wij nooit behoeven te vreezen voor te veel of te weinig water.”
„Maar waarom kan het gouvernement niet gelasten dat er beter gezorgd wordt voor de rijstvelden?” vroeg Siman.
„Alsof het op de landen van het gouvernement zoo mooi is,” viel zijn schoonvader uit. „Je bent nu zeker al vergeten hoe prachtig ons water geregeld was in Tjidamar. Het gouvernement, wel ja! Dat vraagt alleen, maar geeft niets, evenals de bedelaars op lebaran.”
„Ik heb gehoord,” zei Rekso, de kalmste en meest wijsgeerige van hen allen, „dat de landheer ons wel wil helpen, maar niet kan, omdat er geen geld is. Dat wil zeggen, geld zal men natuurlijk wel hebben, want het land moet erg groot zijn en dus wordt er veel tjoeké ontvangen, maar de eigenaren willen niets afzonderen voor de irrigatie, begrijp je?”
„Hoe weet je dat zoo, Pah?” werd hem door Siman gevraagd.
„Ik heb het van den koewoe gehoord, mijn jongen. Deze toean besar moet voorgesteld hebben om leidingen aan te leggen uit de Tjikoembang—die rivier ligt hier ver vandaan, in het district Goenoeng Lawang, waar precies weet ik niet. Maar het zou heel veel geld kosten, misschien wel tienduizend gulden. En nu zegt de koewoe dat de landeigenaren er geen ooren naar hebben.”
Pah Rekso wist er niet veel van, maar in de desa vraagt men niet naar betere inlichtingen. De zaak zat eenigszins anders. Ruim twintig jaar geleden had de toenmalige administrateur van het land Alas Bamboe een ingenieur ter hoofdplaats van het gewest verzocht een ontwerp te maken van een irrigatiestelsel voor de meest daaraan behoefte hebbende districten, door aftapping van bevloeiingswater uit de Tjikoembang. De ingenieur stelde een grondig onderzoek in en maakte een uitgewerkt ontwerp op. Dit is evenwel nimmer van het papier losgekomen. Later is door een anderen administrateur,—deze werd door den koewoe bedoeld—den heer Nederman, de directie te Batavia weder op de kwestie gewezen. De directie deinsde natuurlijk voor de kosten terug en weigerde, even natuurlijk, het werk te doen uitvoeren. Er was drie en een halve ton mede gemoeid, en men wenschte er zelfs geen duizend gulden aan te besteden. Het kon van de gemiddelde winst van ruim twee ton gouds per jaar niet af. De gevolgen van deze ... kortzichtigheid—zoo zal ik het noemen—blijven natuurlijk niet uit. Men kan gerustelijk beweren, zonder vrees voor overdrijving, dat in Zuid-Herea, waar de magere gronden nooit een goed product geven, elk jaar in meerdere of mindere mate honger wordt geleden; dat daar elk jaar lieden zijn, die eens per dag eten, eens in de twee dagen misschien. Hoe een groot deel van de bevolking er dan leeft, zal later wel blijken.
Dien avond ging men vroeg ter ruste: den volgenden morgen wachtte weer werk, als het niet ophield met regenen. Pah Rekso voelde zich niet goed. Hij had een zware koude gevat, maar met de zorgeloosheid van den inlander wijdde hij daaraan slechts matige aandacht. Drie dagen later echter werd hij geplaagd door een beklemming op de borst en pijn in de longen. Hij begon te hoesten en te kuchen en moest aanvallen van voorbijgaande benauwdheid verduren. Nog achtte men de ziekte niet erg. Eerst toen hij na een week begon bloed te spuwen, maakte zijn omgeving zich ongerust. Een groote maand lang was Pah Rekso niet tot werken in staat. Toen hij zich eindelijk hersteld waande, zag hij er uit als een geest. Zijn gelaat was ingevallen, zijn oogen stonden flets, diep in de kassen. Hij kuchte nog steeds. Rekso zelf begreep zeer goed welke ziekte hij had: de tering, waartegen ook in de desa geen kruid gewassen is en die menigvuldiger voorkomt onder de inlanders dan men oppervlakkig wel meent.
Ook zijn gezin en de anderen beseften wat die droge kuch beduidde. Zij schikten zich in het onvermijdelijke. Het stond geschreven. Allah wilde het. Alleen Ten klaagde. Waarom had men ook Tjidamar en de bergen verlaten? Het was een straf van Allah, die niet wil dat de menschen het land verlaten, waarin hij hen heeft doen geboren worden. Siman volgde met groote bezorgdheid de vorderingen der sloopende ziekte, waarvan hij de schuld wierp op de landeigenaren, die weigerden de bevolking irrigatie te schenken.
De veldarbeid kwam thans geheel ten laste van Pah Ran en Siman. Zij hadden er de handen vol aan. Wel had Pah Rekso zich aangeboden voor diverse werkzaamheden, maar daar wilden de anderen niet van hooren. Later, zeiden zij, later, als hij weer geheel hersteld was, kon hij weer mee naar het veld. Maar niemand was er, die geloofde dat dit nog zou gebeuren.
En zoo was er dan reden tot vreugde in het gezin. Alleen de toestand van Pah Rekso wekte steeds meer bezorgdheid. De man teerde zichtbaar uit. Zijn bezigheden thuis bestonden in het maken van vogelkooitjes en het vlechten van manden, hetgeen hij de kleine Djirah nu ook had geleerd. De anderen schikten zich in den toestand en de ouderliefde, bij den Javaan zoo ontwikkeld, omringde den ongelukkige met kleine gerieven.
Djamin deed voorloopig niet veel. Tot ingespannen veldarbeid was hij nog niet in staat. Trouwens, nu er slechts gewacht werd op den snijtijd, was er niet veel werk meer op de velden. De regentijd was normaal verloopen en afgewisseld door het schoonste zonneweer, dat de aren deed zwellen door de rijpende vrucht. Siman, die in den geest reeds den karbouw op zijn erfje zag, had Djamin reeds den rol van botja angon toegedacht.
* * *
Niet alzoo is de panèn op Alas Bamboe en het was een groote teleurstelling voor Siman en Djiah en de beide meisjes, Ipah en Mariam, vooral, dat er van rameh en gamelan niet veel te merken was. Dat was in de Preanger, zelfs in het armoedige Warnaleutik, toch anders geweest.
De ouderen hadden den anderen geest, die op Alas Bamboe onder het landvolk heerschte, wel opgemerkt. Men was hier passiever, gedrukter. De stemming was zoo’n heel andere als daar ver weg in het zuiden over de bergen, dat zij waarlijk een soort van heimwee kregen naar de vervallen kluis in Tjidamar.
Zij begrepen nog niet dat de panèn op Alas Bamboe de aanvang is van een periode van veel leed. Zij kenden dat leed nog niet en geloofden ook niet de droeve verhalen van knevelarij en afpersing, hun door de desalieden gedaan. Dat moest wel overdreven zijn.
Reeds maanden geleden hadden Pah Rekso, Pah Ran en Siman de vrijwillige overeenkomst, waarbij zij zich verbonden hun contingent tjoeké te leveren in rijst, geteekend en zij hadden in hun domheid gemeend den landheer nog te moeten prijzen dat hij zoo goed was hen daartoe in staat te stellen. Zij toch meenden voor zich daar voordeel in te zien.
Desagenooten beweerden wel dat die vrijwillige overeenkomsten afgedwongen werden, maar Pah Rekso en de zijnen, die daarvan voor hen zelven nog niets gemerkt hadden, waren geneigd hun zegslieden te houden voor aarts-mopperaars, menschen, zooals men die overal vindt en wien niets naar den zin gemaakt kan worden.
Hij werd gaarne gezien in de woning van zijn neef Djeni, in Gatok, wiens vrouw overal met hem blufte. Het was maar goed dat zij niet de minste bekoorlijkheid meer bezat, anders was de vriendschap van Djeni voor zijn heer neef wellicht ras bekoeld. Nu was er geen gevaar.
Prawira nu had aan zijn hoorders rare dingen verteld. Hij had hun met een gewichtig air gevraagd of zij zich nog herinnerden den landraadspresident te Telatiga, mr. Hazelaar?
Djeni had verklaard van niet, waarop Prawira zijn geheugen had gescherpt door te herinneren aan verscheidene strafzaken van lieden, die zij beiden kenden. Ja, toen was bij Djeni de herinnering levendig geworden.
Nu dan, had Prawira gezegd, mr. Hazelaar, die zoo vaak bewezen had het wèl te meenen met de lieden, wier ondeugden hij geroepen was te bestraffen, had een boekje geschreven in het Maleisch, waarin hij uitlegde welke verplichtingen de opgezetenen hadden na te komen, maar ook welke rechten zij bezaten.
De nieuwsgierigheid was geprikkeld. Vooral Pah Ran, die nog vreemdeling was om zoo te zeggen, had veel belangstelling getoond. Hij had nog nooit eenige rechten bezeten, was zich deze althans nooit bewust geweest, gesteld dat zij bestaan hadden of nog bestonden.
En Prawira had hun, zoo goed als hem mogelijk was, uitgelegd dat de landheeren veel meer van hen vorderden, aan tjoeké voornamelijk, dan waarop zij aanspraak konden maken. Hoe dat alles verband hield met de bepalingen van een zeker reglement, dat er bestond voor de particuliere landen, wist Prawira echter niet te zeggen, maar hij was toch overtuigend genoeg geweest om bij Pah Ran, die nog al spoedig onder een indruk kwam, een gevoel van wantrouwen te doen opkomen, dat hem nu niet zoo spoedig verliet.
Hij deelde aan Pah Rekso mede, nog gebrekkiger dan Prawira hem had ingelicht, wat hij vernomen had. Pah Rekso was bedachtzaam en voorzichtig. Hij had Pah Ran kalm aangehoord en hem verzocht Mas Prawira bij hen te noodigen. Hij wilde gaarne meer van de zaak weten.
Den volgende avond was Prawira bij hen. De jonge man werd hupsch ontvangen en het was niet aller aandacht ontgaan dat hij zeer getroffen was door de schoonheid van Mariam, die zich extra-mooi had uitgedost, nadat zij Pah Ran zoo terloops had uitgehoord over Prawira.
Prawira nam zich dadelijk voor het gezin Rekso méér te bezoeken en zorgde ervoor bij deze menschen een goeden indruk na te laten. Hij sneed wat op over zijn positie en zijn inkomen, dat hij, het verdubbelende, op vijftien gulden in de maand bracht. Hij sprak met een tikje minachting over dingen, waar de anderen niet dan met zekeren eerbied van plachten te gewagen.
En toen het op het behandelen van zaken aankwam, waar Rekso telkens op aandrong, zeide hij dat hij bij zijn neef Djeni in een koffer nog papieren had, die hij wel even kon gaan halen.
Dit was nu maar bluf, want al wat hij had was een staat van tjoeké-aanslag, dien hij had moeten overschrijven en waarvan hij een afschrift meer had gemaakt; eigenlijk zonder dat hij wist, waarvoor het dienstig kon zijn. Dit papier stak hij in een jasje van hem. De „koffer”, waarmede hij gebluft had, bestond natuurlijk alleen maar in zijn verbeelding.
Toen hij weg was om zijn papieren te gaan halen, zeide Pah Ran tot Pah Rekso: „Wel, hoe vind je ’m?” en om kritiek te voorkomen voegde hij er haastig aan toe: „Hij weet heel wat!”
„Dat schijnt zoo,” antwoordde Rekso ontwijkend.
„Onze Mariam schijnt het hem al dadelijk aangedaan te hebben,” zeide Siman lachend. „Pas maar op je dochter, vader.”
Mariam was boos.
„Ach, wat,” zei ze, „jij ziet altijd dingen, die een ander niet ziet.”
„Daar zou ik rijk mee kunnen worden,” antwoordde haar broer grinnikend. „Maar het is toch heusch waar, hoor. Ik zag het aan zijn oogen.”
„Ik ook, Siman,” klonk het schelle stemmetje van een der tweeling-zusjes. Het was een welkome afleiding voor Mariam. Op de zusjes kon ze rustig lostrekken.
De kleine droop af. Dadelijk daarop werd de aandacht afgeleid door Prawira, die weer binnentrad. Mariam’s booze trek om de mondhoeken was als bij tooverslag verdwenen. Zij voelde dat Prawira een blik op haar wierp. Daarop vouwde hij een papiertje met streepen en cijfers open, en streek het vlak op de ruwgetimmerde tafel van geel nangkahout.
De drie mannen keken er naar met wezenlooze blikken van niet-begrijpen en Siman gevoelde wrevel bij zich opkomen over zijn domheid, die hem belette al die teekens op het papier te verstaan. Als hij ook eens lezen en schrijven kon als Prawira! Toen zij nog te Tjidamar woonden, had hij de school te Walirang wel willen bezoeken, maar de afstand was te groot om dagelijksch schoolbezoek mogelijk te maken.
„Kunnen jullie dit lezen?” vroeg Prawira, zeker van het ontkennende antwoord, terwijl hij bewondering trachtte te lezen in Mariams donkere kijkers. Maar het coquette nest deed hem dat pleizier niet.
„Neen,” antwoordde Pah Rekso.
„Ja, zie je,” zeide de schrijver weer, „je moet je nu goed herinneren wat er in de vrijwillige overeenkomst staat. Jullie hebt toch zoo’n overeenkomst gesloten met den landheer?”
„Neen,” zei Rekso, „wel met den opzichter.”
„Nou ja, dat is hetzelfde. Teekenen moet je toch, wil je het nu niet, dan dwingen ze je het volgende jaar.”
„Waarachtig niet!” viel Pah Ran in. „Ze kunnen ons niet dwingen!”
„Maar, om verder te gaan,” vervolgde hij, „je weet dat er een bepaling is in de overeenkomst, de vierde geloof ik ... ah, daar heb je het ding!” viel hij zichzelf in de rede, het contract uit de hand van Pah Ran nemende, die het was gaan halen. Hij sloeg de bladzijde om en las een poosje.
Toen vervolgde hij: „Juist, zie je, artikel vier. Luister!”
En met eentonige stem, half spellend, las hij, heel langzaam: „Van sawahs, waarvan de opbrengst minder bedraagt dan 6¼ kattie natte padi per Rijnlandsche roede, tot en met een opbrengst van 4½ kattie natte padi per Rijnlandsche roede wordt tjoeké-rijst betaald en wel veertig kattie voor elken picol natte padi.”
„Nu moet je goed opletten,” ging hij voort, „wat deze tjoeké-staat vertelt.” Hij legde de beteekenis van den hierachter curiositeitshalve opgenomen staat aan zijn hoorders uit.
„Kijk nu eens hier,” zei Prawira en hij legde zijn vinger op het eerste getal in de vierde kolom; „de landheer heeft dus 2191,10 picols rijst getrokken van ruim 1484 bahoes ...”
„Hoe weet je dat, Mas?” viel Siman hem in de rede.
AANSLAG der Tjoeké-heffing op het Particuliere Land Alas Bamboe in 19..
DISTRICTEN Goedgeslaagde sawa’s boven 6¼ kattie per roede Minder goed geslaagde sawa’s van 6¼—4½ k. per roede Slecht geslaagde sawa’s van minder dan 4½ k. per roede TOTAAL Mislukte sawa’s Totaal bewerkte sawa’s
Aantal Tjoeké aanslag Aantal Tjoeké aanslag Aantal Tjoeké aanslag Aantal Tjoeké aanslag Aantal Aantal
bouws roeden bouws roeden bouws roeden bouws roeden bouws roeden bouws roeden
Sikarang 1607 211 4018 55 1484 414 2191 10 3954 331 4443 13 7046 456 10652 78 1153 228 8200 178
Herea 1162 64 2905 32 980 148 1479 90 1679 75 1927 32 3821 287 6312 54 703 71 4524 358
Alas Bamboe 893 62 2232 80 785 76 1744 99 4522 362 4376 75 6201 — 8354 54 1000 491 7201 491
Goenoeng Lawang 1038 248 2596 24 239 325 524 17 1511 440 1445 06 2790 13 4565 47 235 416 3025 459
4701 85 11752 91 3489 463 5940 16 11668 208 12192 26 19859 256 29885 33 3093 206 22952 456
„Neen, die is goed,” antwoordde Prawira. „Het staat er immers vlak naast. Hier kijk maar, links, waar ik nu mijn vinger houd, staat dat de sawahs te zamen 1484 bahoes en nog 414 roeden groot waren en daarvan is geheven 2191 picols en tien kattie rijst. Begrijp je?”
„Ja, nu wel,” zei Siman.
„Nu, goed. Je contract zegt, niet waar, dat je van zulke sawahs, die niet minder dan vier en een halve en niet meer dan zes en een kwart kattie per roede opbrengen moet leveren tjoeké in rijst van veertig katties per picol natte padi. Is het niet zoo?”
„Ja, dat is zoo,” zeide Rekso.
„Dus die 2191,10 picols rijst zijn genomen uit twee en een half maal zooveel picols natte padi, begrijp jullie wel?”
„Nou, erg goed niet,” zei Pah Ran ietwat benepen. Het leek zoo dom om het niet te begrijpen, Prawira scheen het heel duidelijk te vinden. De uitlegger zuchtte en begon weer met het gewichtige vraagstuk hoeveel picols natte padi geweest waren een zekere hoeveelheid rijst, waarvan veertig katties gewonnen werden uit één picol. Het gelukte hem ten slotte den anderen een, zij het nog wat vaag, begrip te geven van dit wonder der mathematiek.
„Dus,” vervolgde hij, „die 2191,10 picols rijst zijn geweest ...”
Hij cijferde een poosje met een stompje potlood, dat hij uit zijn jaszak had opgediept, op den achterkant van zijn papier. Het ging langzaam, maar hij kwam er toch zonder fout uit.
... „Vijfduizend vier honderd zeven en zeventig picols en vijf en zeventig kattie natte padi.”
„Dat kan wel,” zeide Siman, „ik heb het uit ’t hoofd nagerekend, maar ik ben nog niet klaar, het zijn zulke groote getallen.”
„Doe maar geen verdere moeite,” antwoordde Prawira blufferig, „ik heb het becijferd. Zoo is het goed. En dus,” vervolgde hij, „hebben die 1484 bahoes zooveel padi geleverd aan tjoeké. En die bedraagt, of moet bedragen, het vijfde deel van den oogst. Nu kan je zelf wel uitrekenen hoeveel dat per bahoe en per roede is.”
„Doe jij het maar,” drong Pah Rekso, die een machtig respect kreeg voor de kennis van zijn bezoeker.
Deze zat heel lang te peuteren over het eenvoudige sommetje. Het stukje potlood moest telkens met de lippen bevochtigd worden. De eenvoudige lieden waren natuurlijk nooit uit dien staat wijs geworden, gesteld al dat zij lezen en schrijven gekund hadden, en zij beschouwden Mas Prawira als een phenomeen. Deze zat intusschen te zweeten over zijn deelsommetje. Eindelijk was hij er.
„Nou, weet je wat die sawahs dan gemiddeld opgebracht hebben?”
Hij keek triomfantelijk rond in gezichten, die een uitdrukking van angstige verwachting hadden. Toen nam hij, tartend, een slokje van het koud geworden kopje zwart koffie-afkooksel.
„Niet zes en een kwart kattie en ook niet vier en een halve kattie, maar een beetje meer dan drie en een halve kattie natte padi per roede.”
„Dus dat is nog niet eens achttien en een halve picol per bahoe!” viel Siman uit, na een indrukwekkend zwijgen.
„Ja, dat is zoo, geloof ik,” verklaarde de rekenmeester.
„Maar dat is bijna misoogst!” brak Pah Ran los. „Dat kan niet, je zal wel fout gerekend hebben.”
Prawira was op zijn teenen getrapt.
„Doe jij het dan maar beter,” wierp hij er stuursch tegen.
Prawira had werkelijk goed gerekend. De opbrengst van de „minder goed geslaagde sawahs” van Sikarang had precies 3,69 kattie bedragen, volgens dien staat.
„Maar,” zeide Siman schuchter en hij was bevreesd voor de conclusie, die hij zelf trok, „er zijn natuurlijk stukken geweest die veel meer dan dat hebben opgebracht, want jij, Mas, hebt maar een gemiddelde berekend; en als dat zoo is, dan zijn er ook sawahs geweest die minder, en andere, die heel wat minder hebben opgebracht ....”
De anderen zwegen. Alleen Prawira knikte.
Toen barstte Pah Ran uit: „Maar dat is laag, dat is gemeen ...!”
„Och, wel neen,” zeide Prawira schamper, „dat komt elk jaar voor. Het is maar knevelarij, zoo heet het in het reglement, zegt het boekje van mijnheer Hazelaar. En je merkt het niet, begrijp je. Er wordt hier een beetje gestolen, en daar nog wat; maar altijd kleine beetjes. En nu heb ik dat nagerekend, maar anders merk je het niet eens. Maar zoo kun je alles narekenen, dan zul je telkens zien dat de landheer altijd meer vraagt dan waarop hij recht heeft.”
„Maar,” zei Rekso, „het kan toch ook wel zijn dat de landheeren te laag getaxeerd hebben?”
Prawira lachte spottend.
Prawira wond zich op. Hij was au fond een goede knaap en revolutionair gezind en het ergerde hem, dat zijn landgenooten zoo werden geschoren. Hij kon dit nagaan, en hem liet het niet, als de meesten, lauw.
„Jullie zijn toch ook stomme kerels; eigenlijk verdienden jullie niet beter. Wat drommel, waarom teekenen jullie ook die vrijwillige overeenkomsten? Je moet weigeren. Alleen padi leveren en bij weging en anders niet. En als jullie nu maar eensgezind zijt en allemaal zoo doet dan kan de assistent-resident je ook niets maken.”
Prawira wist echter, gelijk nog blijken zal, ook niet alles, bij lange niet. Zoo is het verhoudingscijfer voor de verkrijging van rijst uit padi, waar de normale coëfficient op O,54 gesteld moet worden, veel te hoog genomen. En een berekening, op papier, van veertig katties rijst per picol natte padi met 20 % breuk is absurd hoog.
„Ik wou je nog wat vragen,” zei Pah Rekso tot Prawira, die een strootje gerold had; „je weet dat onze overeenkomsten worden ingeschreven op het kantoor van den assistent-resident, ten minste dat is mij gezegd door den koewoe. Die kan de dingen, die jij me vertelt, toch ook wel weten?”
De inconsequentie bij het registreeren van de overeenkomsten met de opgezetenen van Alas Bamboe en Telatiga gesloten, heeft ook anderen dan Prawira getroffen. Zij zal den lezer evenzeer treffen, wanneer hij zich de moeite wenscht te geven op die basis na te rekenen, zich houdende aan den hiervòòr medegedeelden staat dat in 19 .. aldus de opgezetenen van een vierde gedeelte van den gecultiveerden grond op het land Alas Bamboe voor ruim vierhonderd picols rijst werden bestolen!
Het was al heel laat toen Prawira opstapte, met het vaste voornemen weerom te komen. Om Mariam.
* * *
Het was midden Juni. Fel blakerde de zon de gouden velden. Reeds was men overal in den omtrek aan het oogsten. Weldra zou ook de dag daar zijn, dat Mah Ten en de meisjes de sawahs zouden ingaan. Drie dagen geleden had Pah Ran aan den koewoe kennis gegeven, dat zij weldra de padi zouden snijden. En den volgenden avond was Sastrawidjaja, de mantri-tjoeké, bij hen geweest.
Zoo’n mantri-tjoeké is een ondergeschikte van den landheer, die er voor te zorgen heeft dat het aandeel van den eigenaar, het vijfde gedeelte, bij den oogst ook werkelijk wordt afgezonderd. Dit werk is niet gemakkelijk, al lijkt het zoo eenvoudig dat men van elke vijf bossen padi er één voor den landeigenaar op zijde zet, en hiervan aanteekening houdt. Het kost heel wat tijd in de eerste plaats en het vordert groote oplettendheid. Immers, de landbouwer betaalt even ongaarne belasting als de meeste andere menschen en met anderen heeft hij gemeen de zucht om aan de verplichting tot betalen te ontkomen, als hem dat maar even mogelijk is. Hij zal zijn best doen om de minstwaardige padi als tjoeké af te staan, of minder te leveren dan het vijfde gedeelte van zijn product. Er zijn tal van middelen, die er alle op berekend zijn voor den toepasser voordeel af te werpen. Voor den mantri is het zaak de toepassing te verijdelen. In gevallen van twijfel aan de goede trouw van den landbouwer, van oneenigheid, van onzekerheid, e. d. zal de mantri de gesneden padi wegen, om langs dezen weg het aandeel des eigenaars vast te stellen.
Aan den anderen kant is de aanwezigheid van den mantri voor den landbouwer hinderlijk, vaak hatelijk. Zijn zij geen vrienden, dan maakt de eerste het den opgezetene lastig, kiest de beste bossen uit. De mantri staat gemeenlijk in ontwikkeling een trapje hooger, kan lezen en schrijven, en beschikt over een gezag, voortkomend uit zijn meerderheid en geschraagd door het gezag van den landheer, die achter hem staat. En ook zonder dat eenige animositeit behoeft te bestaan, is de mantri, uit welbegrepen eigenbelang, er op uit, zooveel mogelijk te requireeren. Dat geeft natuurlijk om kleinigheden vaak wrijving.
Er zit voorts nog meer vast aan die tjoekélevering, wanneer de landman zich bij „vrijwillige overeenkomst” gebonden heeft. Het eerste artikel van die overeenkomst bepaalt n.l. dat de sawah-opbrengst bij het rijpen der padi bepaald zal worden naar den maatstaf van het gewicht der gesneden padi van één enkele vierkante Rijnlandsche roede. Wat dit zeggen wil, zouden de bestuursambtenaren moeten begrijpen, wanneer zij niet al hun tijd wijdden aan het opmaken van staten en stukken, om daaruit te doen blijken, hoe goed het in hun gewest, afdeeling of district gaat. Daardoor ontgaat het hun, dat het hun plicht is te weigeren de vrijwillige overeenkomsten tusschen landheeren en opgezetenen op de landen Alas Bamboe en Telatiga te registreeren.
Het gewas toch van een sawah staat niet overal even goed en, is het bezit van den landbouwer uitgestrekt, dan vooral zal de gewichtsbepaling over één vierkante Rijnlandsche roede hem ernstig benadeelen. Want de erfpachter maakt geen deel uit van de met die gewichtsbepaling belaste commissie en de landheer wel, bij delegatie. De commissie bestaat, volgens datzelfde eerste artikel der vrijwillige overeenkomst, uit den mantri-tjoeké, een bezoldigd dienaar van den landheer, en twee leden van het desabestuur. En daar ook de laatsten slechts voordeel hebben te wachten van de goede gezindheid der landheeren, is het niet meer dan menschelijk en begrijpelijk, dat de vierkante Rijnlandsche roede, welke aangewezen zal worden voor de gewichtsbepaling, niet ligt in het slechtste gedeelte van den sawah, noch ook een gemiddelde opbrengst zal vertegenwoordigen. Er zal een gewicht bepaald worden, dat den landman tot een abnormale tjoekélevering zal verplichten, maar daar is dan niets aan te doen, want de bezitter heeft zich immers gewapend met de „vrijwillige overeenkomst”, in domheid en onwetendheid door den erfpachter geteekend.
Prawira’s berekening heeft reeds laten zien welke inbreuk gemaakt wordt op de wettelijke bepaling, dat slechts het vijfde gedeelte van het product als grondbelasting wordt ingenomen, maar de landheer kan ongestraft elke andere bepaling van het reglement van 1836 overtreden en meer nog: hij kan in zulke gevallen steeds rekenen op den steun van bestuursambtenaren, die, bepalingsslaven, slechts rekening houden met letters en geschreven woorden; hij kan, mochten de opgezetenen hulp inroepen van Buitenzorg, rekenen op de passiviteit van een Gouverneur-Generaal, die het schoone bevel der Koningin om vòòr alles een beschermer te zijn der inlandsche bevolking, niet telt, wetend dat deze lastgeving slechts een frase is geworden en zijn gebiedster hem nimmer ter verantwoording zal roepen, vragend:
„Hebt gij gedaan, wat Ik u bevolen had?”
Op het land Alas Bamboe, dus had Rekso, vóór het teekenen der overeenkomst van den penghoeloe vernomen, moet een halve kattie tjoeké rijst worden opgebracht als de opbrengst der aangewezen roede zes en een vierde kattie natte padi of meer bedraagt. Deze limiet bedraagt op het land Telatiga zeven en een halve kattie.
Waarom de assistent-resident van Telatiga, die de overeenkomsten van beide landen registreert, niet vordert dat eenzelfde maatstaf worde aangelegd, is een vraag, die door velen der minder onontwikkelde opgezetenen meer dan eens wordt gesteld. Waarom hij niet volstrekt weigert die overeenkomsten te registreeren, waar hij mòet weten dat zelfs een grens van zeven en een halve kattie nog te eng is? Dit is de vraag, die ik mij stel. Het antwoord is gemakkelijk te geven. Het luidt voor beider vragen: de assistent-resident is gedekt doordat de opgezetenen zelf de overeenkomsten teekenen.
Hij is gedekt! Dat is het, dat is de groote vloek van deze schoone landen. De ambtenaar verzaakt zijn plicht, verloochent zijn roeping, en wat nog erger is van regeeringsoogpunt: hij benadeelt het land. Maar hij zorgt gedekt te zijn; hij waakt er voor dat niet hem, maar anderen, gemeenlijk hen, die onder hem staan, blaam zal treffen; hij berekent vooruit de middelen, welke hem zullen in staat stellen de schuld van wat er verkeerd liep, te wentelen op anderer schouders. En de belooning voor zijn plichtverzekering vindt hij in handhaving in zijn gezag, dat hij misbruikte. Er zou veel minder verkeerd zijn in Indië, wanneer er slechter ambtenaren waren!
Het vierde artikel der vrijwillige overeenkomst is reeds uit de mededeeling van Prawira bekend. Daarbij worden de grenzen bepaald tusschen vier en een halve en zeven en een vierde kattie natte padi per roede voor een opbrengst van veertig kattie’s rijst per picol natte padi. Deze belasting is zwaarder dan die in het tweede artikel genoemd voor een opbrengst van zes en een vierde en meer kattie natte padi per roede. Dit schijnt niet het geval te zijn, maar ìs zoo.
En het is niet meer dan natuurlijk dat de landeigenaren, geraffineerd sluw, in de bepaling der overeenkomst, een voorstelling hebben weten te geven, welke de waarheid bedekt. Immers de productie van een zeer groot deel der rijstvelden beweegt zich tusschen die beide grenzen en het was dus zaak die productie vooral te treffen door een zware belasting, wilde men een nog redelijke inkomst hebben. Dit kan blijken uit de getalverhoudingen van den hiervoor vermelden tjoeké-staat, die reeds een zeer verkeerd beeld geeft van den waren stand van zaken, gelijk Prawira aantoonde en die bovendien een groot aantal sawahs vermeldt als goed geslaagd, welke dien naam niet verdienden, doch waarvan de opbrengst getaxeerd werd.
Maar er zijn sawahs, die een product leveren van minder dan vier en een halve kattie per roede. Hiervan wordt goedgunstig een belasting geheven, op papier, naar verkiezing des landbouwers in padi of rijst. Dit is niet waar, want wie zich den tijd wil gunnen den tjoeké-staat na te rekenen, zal ontwaren dat zulke mislukte sawahs voorkomen in de rubriek der in het vorige artikel bedoelde rijstvelden.
Het was noodig wat langer stil te staan bij den inhoud dier vrijwillige overeenkomsten: zij spelen zulk een groote rol in dit verhaal, zij zijn oorzaak van zooveel leed, dat zij daarom reeds verdienden in haar geheel te worden weergegeven, wat echter deze bladzijden niet aantrekkelijker zou maken.
* * *
Sastrawidjaja, de mantri-tjoeké, was dan op dien avond in de woning van Pah Rekso en Pah Ran geweest. Hij was er beleefd ontvangen. Sastra was een oud man, die jaren lang reeds in den dienst der landheeren was. Hij had er velen gekend, en bezat om zijn stalen geheugen en zijn nauwkeurigheid bij de opzichters van Herea grooten invloed; wie met hem oneenigheid kreeg, behoefde op gelijk niet te rekenen. Sastra was zich zeer goed van zijn onmisbaarheid bewust en hij maakte, autocraat als hij was, van zijn macht behoorlijk gebruik.
De desabesturen waren zijn werktuigen, want het kostte hem weinig moeite, met behulp der opzichters, die zoo op hem vertrouwden, degenen, die zijn vrienden niet waren of wilden zijn, het leven zeer onaangenaam te maken. Het was dus geen wonder dat Sastra de reputatie genoot een uitmuntend aanslager der tjoeké te zijn. Inderdaad was dit zoo; maar dat de oude zijn landgenooten benadeelde om zijn meester welgevallig te zijn, durfde niemand hem verwijten. Sastra was zeer kwalijknemend. Onvriendelijkheid en stugheid namen hem onmiddellijk tegen de menschen in. En zoo trachtte men het hem steeds naar den zin te maken en hem in het gevlei te komen. Hij was in Herea de heerscher en had er meer ontzag dan de opzichter, waarvan hij wist te profiteeren. Als de meeste inlanders, die een zekere macht hebben verworven, was hij despoot. Hij liet zich „smeren,” zonder zich daarvoor tot iets te verbinden. Hij bezat drie vrouwen, gold voor een kapitalist, was een don Juan en een vrek.
In de woning van Rekso had hij zich met het air van den meester een kopje koffie laten brengen, en met een gewichtig gezicht een aanteekeningboekje voor den dag gehaald, waarin hij de namen van Pah Rekso, Pah Ran en Siman had opgeschreven.
„Hoeveel sawah hebben jullie?” vroeg hij.
„Een bahoe en tweehonderd vier en veertig roeden,” antwoordde Pah Ran.
„Nu, ik zal maar opschrijven: anderhalve bahoe; dat is gemakkelijker voor de berekening,” besliste de mantri-tjoeké.
„Och wat, dat kan hoogstens maar enkele katties schelen, en bovendien, ik zal er rekening mee houden, en ze later van de tjoeké aftrekken.”
De anderen zwegen. Er was toch niets aan te doen.
„En,” vervolgde Sastra, „wil je dat wij wegen bij proefsnit, of reken je de opbrengst op meer dan 6¼ kattie?”
„Neen,” zeide Pah Ran haastig, „zooveel krijgen we nooit. Misschien 4¾, hoogstens vijf kattie.”
Pah Rekso kreeg een hoestbui; hij stond, de keel schrapend, op en begaf zich naar buiten, om een bloederige fluim uit te spuwen.
„Wat heb jij, Pah?” vroeg Sastra, maar deelneming was in de vraag niet te vinden.
Pah Rekso legde de hand op de borst.
„Hier is het niet goed, mantri; de regens hebben me de longen bedorven.” Hij kuchte weer. „En nu komt er ook bloed.”
„Ja, nu en dan. Het geeft natuurlijk niets.”
Ipah vulde het kopje van den mantri nog eens, en zette een grof glas zonder voet op tafel, waarin kaoeng-strootjes.
„Is dat je dochter?” vroeg Sastra op de vertrekkende deern wijzende, aan Pah Ran.
„Neen, dat is Ipah, het oudste meisje van hem daar,” antwoordde de aangesprokene. „Ik heb maar een dochter; die is getrouwd met Siman, hier.”
Hij zeide den laatsten zin langzaam, met veel nadruk op elk woord.
„En dan?” vroeg Siman gretig, toen de ander ophield.
„Wel, zie je, de opbrengst daar is zeker meer dan zes en een kwart kattie en je zou dus drie en driekwart picol tjoeké-rijst moeten opbrengen.”
„Ja, maar dat geeft je niets. De landheer mag zelf aanwijzen, welk stuk voor de tjoeké moet worden gesneden.”
„Maar er zijn toch ook nog de leden van het bestuur van de desa; die kunnen toch ook wat zeggen?” verweerde zich Pah Ran.
„Jullie bent hier nog niet lang,” zeide Sastra kalm. „Pah Djaja en Marto van het bestuur moeten wel doen wat de landheer wil, begrijp je. En ik ben in dienst van den landheer. Als ik niet veel tjoeké binnen breng, word ik ontslagen. Hoe graag ik jullie ook zou helpen, ik moet wel het beste stuk laten snijden,” huichelde de mantri.
„Maar, kang,” klaagde Pah Ran, „dat is toch verschrikkelijk, dat is toch niet zooals het moet? Wij kunnen bij den kandjeng assistent-resident klagen.”
„Doe dat maar niet,” zeide de ander, „het zou een vergeefsche reis zijn, want hij onderzoekt de klacht niet eens. Dat hebben er al zooveel gedaan, geklaagd. Maar het gaf ze niets. De toean assistent zeide: jullie hebt immers zelf geteekend? En daaraan heeft hij toch ook gelijk.”
„Er is dus niets aan te doen.”
„Misschien wel, maar daar heb ik veel soesah mee; ik zou het voor jullie, omdat je nog vreemd bent, wel willen doen, maar dan moet ik den landheer toch eigenlijk misleiden. Ja, het geeft veel soesah.”
De wenk werd begrepen.
Er heerschte zwijgen, slechts onderbroken door het kuchen van Pah Rekso. De anderen zaten te berekenen hoeveel de welwillendheid van Sastra hun zou kosten, met blikken van verstandhouding elkander aankijkende. Sastra slurpte loerend zijn koffie en stak een nieuw strootje op. Eindelijk zeide Pah Ran:
„Kijk eens, Sastra, wij willen natuurlijk niet dat je kosten voor ons maakt. Wij zijn je heel dankbaar voor je hulp, maar je moet ons veroorlooven dat wij de kosten, die je daarvoor maakt, vergoeden.”
„Goed,” zeide Sastra, „dat verrekenen we wel na den oogst. Dus geen proefsnit. Ik zal dan maar opschrijven dat de oogst geschat is op vier en een halve kattie.”
Zoo deed hij.
„Snijdt dan maar,” vervolgde hij, het notitieboekje in den zak van zijn zwart jasje stekend. „En breng dan maar de tjoeké-rijst naar het pakhuis te Herea.”
Daarmede stapte Sastrawidjaja op. Met een korten groet verliet hij de woning.
„Wij hebben toch nog oentoeng,” zeide Siman.
Maar zijn oude vader schudde het hoofd. „Ja, jongen, je hebt nu een beetje oentoeng; dat wil zeggen je zoudt meer hebben moeten opbrengen, wanneer de mantri zich niet liet omkoopen. Maar ik ben bang, dat wij niet de twee en twintig en een halve picol padi zullen oogsten per bahoe, waarop de opbrengst nu geschat is. Ik ken den groei hier nog niet, maar hij lijkt mij arm. En de vele regens zullen geen goed gedaan hebben. In Tjidamar is het anders. Wat de regen er bederven zou, maakt de grond weer goed. Ik ben bang, dat vele aren dood zullen zijn.”
„Kom vader, u maakt u veel te bezorgd. Wij zullen een goed product krijgen, daar ben ik zeker van. Wij kunnen op wel dertig picols padi rekenen, van het geheele stuk, bedoel ik, na aftrek van tjoeké, stamploon, enz. En als we daar dan twaalf picols mooie witte rijst van krijgen, dan hebben we ruim zeventig gulden te wachten. Nog niet eens de palawidja meegerekend. Het volgende jaar kunnen we dan een stukje sawah meer er bij halen, een halve bahoe dacht ik. Dan hebben we net twee bahoes. Kom, vader, het hoofd niet laten hangen; het zal best gaan.”
De oude was evenwel niet op te beuren.
„Palawidja, zeg je? Daarvan komt hier in Gatok niets terecht. Te veel zout in den grond, zeggen ze hier, en geen water. Neen, het gaat verkeerd. En het is mijn schuld. Wij hadden in Tjidamar moeten blijven.”
Pah Rekso had weer een van zijn zwaarmoedige buien, die in den laatsten tijd menigvuldiger dan ooit voorkwamen.
„Wij zijn dom geweest,” zeide hij, „erg dom, dat we die vrijwillige overeenkomst hebben geteekend. Als wij het niet gedaan hadden, zouden wij padi hebben kunnen leveren.”
„Nou ja, Pah,” viel Pah Ran in, „dat is nu gebeurd en het geeft niets er nu nog over te zeuren. En bovendien, het scheen ons toen toe voordeeliger te zijn.”
„Ja ja, het scheen zoo,” antwoordde de oude koppig. „Dat zou ook een bewijs zijn van onze domheid, als we niet gedwongen waren geweest om te teekenen.”
„Maar, Rekso,” zeide zijn compagnon, die niet wilde toegeven, „nu praat je toch maar wat. Wij hebben die overeenkomst toch vrijwillig geteekend!”
„Je bent nog dommer dan ik, Ran. Dat had ik niet gedacht. Herinner je je dan niet meer, dat wij voorschot hebben gekregen om zaadpadi te koopen? Negen gulden hebben we gekregen. Dat moet je ook nog terugbetalen aan den landheer. Noem je dat geen dwingen?”
„Wel neen, natuurlijk niet. Wij hadden zelf nog wel geld, om zaadpadi te koopen. Dat hebben wij natuurlijk niet gedaan, toen wij voorschot konden krijgen. Maar bovendien: van Tan Boen Ho hadden wij óók padi kunnen krijgen.”
„Maar vader,” protesteerde Siman, „dat is toch onbillijk. Wij hadden het toch niet behoeven aan te nemen?”
De oude zweeg, geërgerd. Ook de anderen spraken niet. Maar al zijn grieven kwamen zoo allengs bij Rekso op. Hij had meer tijd dan de anderen. Hij werkte niet, zat den ganschen dag alleen en bracht zoo uren door, waarin hij kon zitten piekeren en peinzen over zaken, waar hij met zijn verstand niet bij kon.
* * *
Den dag daarop was men met het snijden begonnen.
Mah Ten, Ipah en Mariam, zelfs Djiah, die dagelijks hare bevalling wachtte, bijgestaan door nog een tiental vrouwen, waren het veld ingegaan. Djirah en nog andere kleuters hielpen mee met het arenlezen. Ook in enkele naburige sawahs waren de vrouwen aan het werk.
Het was brandend heet, maar daarom verstomde de zang der snijdsters niet.
Men vorderde goed. Uren en uren zonder rustpoos werkten de vrouwen voort. Het aantal schoven groeide. Het zweet parelde de werksters op het gelaat. Rusteloos ging de anè-anè door de halmen.
Ver over eenen eindelijk werd verpoosd. Reeds waren uit de desa de kinderen gekomen met het schrale middagmaal van moeder en zuster. Andere vrouwen hadden haar kostje zelf reeds meegenomen. Hier en daar op de galangans werd een vuurtje ontstoken om een visch te bakken. De rook steeg loodrecht omhoog: geen zuchtje trok over de velden.
Daarop had hij het maal voor de vrouwen naar de sawah gebracht. Heel gewichtig zat hij op eenigen afstand met de handen om de knieën een strootje te rooken. Djiah pikte dapper mede met de vrouwen.
„Zeg ’reis, Djiah,” merkte een der snijdsters op tusschen twee smakken, „het moet vandaag of morgen toch gebeuren, geloof ik.”
„Het kind moest er al zijn, heeft de doekoen gezegd,” antwoordde Djiah.
„Nou maar, jij durft hoor; als je niet oppast wordt het nog hier op de sawah geboren.”
Djiah was overmoedig.
„Kun je begrijpen,” zei ze, „ik houd hem op.”
„Wat zegt de doekoen? Is het een jongen of een meisje?”
„Natuurlijk een jongen,” lachte Ten schelmsch, „Siman verlangde er erg naar getrouwd te zijn.”
Algemeen gelach.
„Nou mah,” verweerde zich het aanstaand moedertje, „ik zou nou maar niets zeggen. Jouw oudste en je tweede waren ook jongens.”
Maar Ten was met het antwoord dadelijk gereed:
„Je kunt me nog wel de baas zijn met twee jongens tegelijk!”
Maar na de boert kwam het werk weer.
Tegen vier uur ’s middags was ruim de helft van de padi gesneden en stond in bossen op het land. Men ging huiswaarts. Het was een zware dagtaak geweest. Met het water der Tjikoentoel wiesch men zich gelaat en bovenlijf, de vrouwen ongegeneerd den boezem ontblootend; de meisjes hadden zedig de sarong onder de oksels vastgemaakt.
Thuis klaagde Djiah over pijn in de lenden. Siman maakte zich ongerust.
„Zal ik Mah Itam halen?” vroeg hij bezorgd. Maar zijn jonge vrouwtje lachte hem uit.
„Welneen, zoover is het nog niet. Maar ik heb te lang gestaan. Morgen zal ik liever de bossen binden.”
„Zou je nog wel gaan, morgen?” vroeg Siman.
„Zeker, hoor. Ik kan nog best mijn werk doen.”
Den volgenden dag ging Djiah ook naar het veld en bepaalde zich tot het aaneenbinden der schoven, maar lang hield zij dat toch niet meer vol en na den maaltijd moest zij gaan liggen. Zij kreunde zoo hevig, dat Djirah bevreesd om haar moeder riep.
„Mah, mah, kom toch. Djiah is ziek.”
Ten keek om, zag haar schoondochter krimpen en wentelen, begreep dadelijk wat er gebeurde en ijlde naar haar toe, enkele vrouwen wenkende haar bij te staan.
„Djirah, gauw naar huis,” riep ze haar dochtertje toe. „Laat Siman en Pah Ran komen met een baleh, en zeg Mah Itam, dat ze dadelijk komt!”
De gloeiende zon brandde fel op de struiklooze vlakte. Mah Ten knielde neer, en Ipah hield haar hoofddoek boven Djiah’s gelaat om dit te beschutten tegen de doordringende zonnestralen. Ten keek spiedend over de vlakte. Het liep nu tegen vieren en nog was van de mannen of van Mah Itam niets te bespeuren.
Als ze er niet spoedig waren, zou de bevalling afgeloopen zijn zonder hulp der wijze vrouw.
Eindelijk verscheen in de verte Mah Itam. Langzaam kwam zij nader.
Ze kwam nog op tijd.
Ten brandde van verlangen om te weten waar de baleh bleef, maar durfde de aandacht der doekoen niet af te leiden door vragen.
Zij was ’n Javaansche.
Als werd er gehoor gegeven aan deze aansporing, werd ’t volgende oogenblik ’t knaapje geboren, dat met geschrei ’t eerste levenslicht begroette.
„Heb ik ’t niet gezegd,” zeide Mah Itam triomfantelijk, terwijl zij teekenen van bewondering las in de oogen der haar omringende vrouwen.
„Wat is er?” werd van ’n naburige sawah geroepen.
„Djiah is daar juist bevallen!” riep Mariam terug.
„Een jongen!”
Toen de kleine in de beek gereinigd was, kwamen eindelijk Pah Ran en Siman met de baleh aan. Zij waren aan het visschen, toen Djirah was gekomen. Vandaar hun lang uitblijven. Djiah was na een half uurtje weer in zoover hersteld, dat zij zich, gesteund door Ten en Ipah, in de Tjikoentoel kon wasschen. Toen wilde zij naar huis loopen, maar daartegen verzetten zich de mannen. En de spotternij der vrouwen kon hen van hun plan niet afbrengen. Djiah moest met den zuigeling op de baleh plaatsnemen en werd naar huis gedragen.
Dien nacht bleef de zorgzame Ten bij haar schoondochter. Den volgenden dag was Djiah weer op de been.
Siman was een gelukkig vader. Hij kon zich maar niet voorstellen, dat die kleine, mollige Rekso nu zìjn jongen was. En als hij alleen dacht te zijn, zou men hem hebben kunnen verrassen in een alleenspraak tot den kleinen vent, waarbij hij dezen tallooze lieve naampjes gaf.
* * *
Het beschot van den oogst was tegengevallen. Pah Rekso had gelijk gehad. De hama poetik had meer nadeel gedaan dan aanvankelijk vermoed was en de regen was schuld aan veel vooze aren. En zoo kwam het dat men nog geen dertig picols padi binnenhaalde.
Daar moest het snijloon nog af; het vijfde gedeelte van den snit, naar het landsgebruik, en van de rest zou weer het vijfde gedeelte ongeveer aan indroging verloren gaan. Nu hadden echter Ten, Djiah, en de beide meisjes medegesneden en daardoor kwam men er met een snijloon van slechts drie en een halve picol af, wijl de huurarbeidsters zooveel minder hadden gesneden.
Na de indroging te velde kon men op ruim een en twintig picols droge padi rekenen. Daarvan zou dan af moeten aan tjoeké veertig kattie mooie rijst voor elken vijfden picol natte padi, die geoogst was.
Siman had na een half uur rekenen uitgevonden, dat zij alzoo twee picols en veertig kattie goede rijst van één vijfde breuk zouden moeten opbrengen. Van de tien en een halve picol rijst, die zij uit de een en twintig picols droge padi zouden winnen, bleven er alzoo ongeveer acht over. Het resultaat was niet mooi. Neen, dat was het niet. En met een soort beklemming dacht hij er aan dat Sastra nog zijn „onkosten” vergoed moest hebben, dat er nog stamploon betaald zou moeten worden, dat de penghoeloe nog een aandeel in den oogst bezat.
Met een bedrukt gemoed was hij de woning van zijn vader binnengetreden.
Hij vond er Prawira, die weer eens om de eene of andere reden verlof had gekregen van den opzichter. Dat gebeurde heel vaak in den laatsten tijd. Telkens loog Prawira den opzichter voor dat er een familielid van hem overleden was, het gewone verhaal.
Rekso lag in het afgeschoten vertrekje op de baleh. De oude was in ’t geheel niet goed. Het bloedspuwen was zeer veel erger geworden en telkens was hij genoodzaakt het bed te houden. Mah Ten was in de keuken bezig en in het middenvertrek der woning vond Siman alleen Prawira op den balehrand zitten, in gezelschap van de mooie Mariam, die echter, zooals de dorpsétiquette voorschrijft, op goeden afstand van den gast zat. Het scheen wel of Siman beiden verrast had in een ernstig gesprek, althans dat maakte hij op uit de zichtbare verwarring van Prawira. Aan Mariam was niets te merken.
„Hoe is het met vader, Mariam?” vroeg de binnentredende, na een korten groet aan Prawira.
„Niet goed, Siman, niet goed. Ach God, wij hebben toch soesah met hem.”
„Ja, meisje, er komt nog meer.” Daarop vervolgde hij tot Prawira: „Zeg, het komt mooi gelegen dat ik je hier tref. Ik heb je te spreken, maar liever moet de oude het niet hooren. Weet je wat, ga met me mee. Bij mij kunnen we beter praten.”
Erg veel genoegen had Prawira er niet in, maar hij kon de uitnoodiging toch moeilijk weigeren en na een blik van verstandhouding met zijn gastvrouw, die Siman niet ontging, volgde hij den jongen man naar buiten.
Simans gemoed was vol bitterheid en hij kon niet wachten tot ze thuis waren, om zijn medgezel deelgenoot te maken van zijn vrees.
„Wij zitten in de soesah, Prawira. Je moet me helpen.”
„Als ik kan, graag, Siman. Maar geld heb ik zelf niet.”
„Niet met geld. Je bent knapper dan wij, Prawira, je hebt veel geleerd en weet meer dan wij. Je moet ons raad geven. Maar hier zijn wij bij mij thuis, ga naar binnen.”
Toen zij gezeten waren, vervolgde Siman zijn gesprek.
„Ik wou je vragen voor mij na te rekenen of wij niet te veel betalen moeten aan tjoeké. Kijk, wij hebben bijna dertig picols padi geoogst.”
„Ja, dat beteekent niets. Al hadt je de helft binnengehaald,” zei Prawira dadelijk op een toon van gezag. „Je hebt de overeenkomst geteekend, niet waar, en je hebt met de taxatie van dien schurk van een Sastra genoegen genomen, welnu, dan moet je leveren wat afgemaakt is.”
„Ja maar, Prawira, de landheer vraagt rijst en geen padi, dus hij heeft geen stamploon te betalen en dan, de padi droogt in en daar wordt ook geen rekening mee gehouden.”
„Dat weet ik wel, Siman, dat weet ik heel goed. Maar daar geven ze daarginds,” en met zijn duim wees Prawira over zijn schouder naar het noorden—„niets om.”
„Maar dan krijgen ze toch meer dan een vijfde, en dat mag toch niet; wij behoeven toch niet meer op te brengen, dan waartoe wij verplicht zijn?”
„Jullie hebt een fout begaan, eerst door te teekenen en later heb je weer een fout begaan door met de taxatie genoegen te nemen. En nu is er niets aan te doen, niets. Wou je soms naar den assistent-resident gaan? Daar krijg je toch geen gelijk. Voor ons, kleine lui, hebben de blanda’s geen recht, weet je. Wie het geld heeft, heeft het recht. Maar hoeveel moet je nu opbrengen? De taxatie was vier en een halve kattie per roe, niet? Dat is dus twee en twintig en een halve picol per bahoe, dus drie en dertig picol en vijf en zeventig kattie voor de anderhalve bahoe, die jullie hebt. Daarvan moet je dus aan tjoeké opbrengen, het vijfde deel, dat is zes picol en vijf en zeventig kattie, of veertig kattie rijst per picol, niet waar, dat is dus twee picol en zeventig kattie rijst.”
„Ik kreeg maar twee picol en veertig kattie”, merkte Siman op, die aandachtig geluisterd had. „Maar Sastra kreeg ook dezelfde uitkomst als jij. „Maar wij krijgen slechts tien en een halve picol rijst in handen, zonder stamploon, draagloon en andere onkosten. Dan krijgt de landheer toch veel meer dan een vijfde deel?”
„Wel ja, zonder de onkosten krijgt hij al ruim een vierde deel van je product. En nu wil ik je niet verontrusten, zie je, maar als je denkt dat je daarmede van de soesah af bent, dan toon je de toestanden hier niet te kennen.”
„Wat is er dan nog meer?” vroeg de ander angstig.
„Wel in de eerste plaats dat stampen. De vrouwen kunnen dat natuurlijk wel. Maar tusschen stampen en stampen is een groot verschil. De rijst voor den landheer moet erg grof zijn, er mag nog geen tiende deel kleine korrel bij wezen. En dat vereischt een handigheid en een routine bij het stampen, die jullie niet kunt hebben. Als Mah Ten en de meisjes en hier Djiah, gingen stampen, zou je al je padi bedorven krijgen, voor de tjoekérijst namelijk.”
„Och kom,” viel Djiah in, „dacht je, dat wij het niet even goed kunnen als de anderen?”
„Neen, heusch niet, Djiah, heusch niet. Want weet je wat het geval is? In jullie contract staat, dat je een vijfde deel gebroken korrel mag hebben, maar dat is niet waar, dat is een leugen, want als je zulke rijst brengt, dan wordt die geweigerd.”
De beide anderen zwegen in angstige spanning, toen Prawira ophield. Hij vervolgde:
„Het is niet om jullie iets op de mouw te spelden. Wat zou ik er aan hebben? Maar het gebeurt dagelijks, kan ik zeggen. Als je rijst levert met meer dan tien kattie kleine korrel op een picol, kijken ze zuur; is er meer dan twaalf kattie, dan wordt de rijst niet ontvangen. Daar heb je nu Mordi, hier van de desa, jullie kent hem wel. Ik was in het pakhuis om op te schrijven, toen hij de tjoeké kwam leveren. De opzichter heeft tegen hem gevloekt. „Wil jij mij bedriegen? Die rijst is veel te fijn,” zei hij. Ik heb de rijst toevallig ook gezien. Ze was heel mooi. En zooveel kon zelfs ik wel zien, dat er meer dan vier vijfde deel mooie gave korrel was. Wat kon Mordi doen? Hij ging weer weg met zijn rijst. En hij heeft de tjoekérijst moeten koopen, God weet voor hoeveel. Maar het moet een heele som geweest zijn, want er was bijna geen gebroken korrel bij. Geloof mij, Siman, je moet je rijst veel mooier leveren dan in je contract staat.”
„Maar, dat is verschrikkelijk!” riep Siman, die niets dan zorgen te gemoet zag.
„Wat kan je er aan doen? Daarom, laat liever je padi stampen door vrouwen, die het elk jaar doen. Die weten, hoe ze verlangd wordt door den landheer.”
„En wat kost het stampen hier?”
„Op elke zes kattie èèn, d. w. z. tot gewone witte rijst, maar je kunt naar verhouding ook geld geven.”
„Zonder eten?” vroeg Djiah.
„Natuurlijk wèl, twee maal daags.”
„En als ze tjoekérijst moeten stampen?”
„Dan betaal je nog vijf en twintig cents voor elke picol.”
„Dus voor onze tjoeké moeten we aan stamploon betalen ...?” Djiah dorst den zin niet afmaken.
Prawira vulde hem aan:
„Vijf en veertig kattie rijst, zeven en zestig en een halve cent en de kost.”
Het gesprek werd onderbroken door den kleinen Rekso, die de borst vroeg. Djiah nam den kleinen man op, maakte de onderste speld van de kabaja los en hield hem ongegeneerd den tepel der welgevulde borst voor. Gulzig dronk de kleine.
Siman zeide niets. Prawira stak een strootje op.
„Weet je wat”, zeide hij, „ik zal een goed woord voor je doen bij den opzichter. En kom jij dan zelf ook of Pah Ran, om te vragen de tjoeké te verminderen, omdat het beschot zoo slecht is uitgevallen. Maar of het wat baten zal?”
„Misschien kan ik wat verdienen,” zeide Djiah schuchter.
De beide mannen keken haar tegelijk aan en in Simans oogen blonk iets van erkentelijkheid.
„Dat kan zeker,” zei Prawira, „in het pakhuis te Herea bijv. is nu wel wat te doen; van ’t jaar is veel padi binnengekomen. Als je wilt, kan ik wel vragen aan den opzichter of hij je gebruiken kan.”
„Ja, doe dat,” klonk het zacht uit Djiah’s mond, toen plotseling Siman ruw inviel:
„Neen, ik wil niet. Ik wil niet. Praat er niet meer over, want je zou mij boos maken.”
Toen vervolgde hij: „Ga jij morgen weer terug naar Herea?”
„Ja,” antwoordde Prawira.
„Dan ga ik met je mee. Misschien wil de opzichter ons wel helpen.”
* * *
Zevenaer, de „jonker”, zooals hij genoemd werd, omdat hij door de landeigenaren, die een jonkerkliek vormden, als presenthaasje was uitgestuurd, was een heel gewoon type van een gansche categorie Hollandsche jongelieden in Indië, een boemelaar, met weinig liefde voor het nieuwe vaderland, waar hij gedurig op schold; een van de velen, die „aan de zuip” raken en door een geheel verkeerd begrepen wilden echt in den loop der jaren „totaal naar den bliksem” gaan.
De Leeuw was een Indische jongen, zeer bruin van kleur, driftig en opvliegend; een van die Indo’s, gesproten uit den echt van een blanken vader en een Javaansche moeder, en later door den vader erkend. Hij bezat de meeste ondeugden van zijn soortgenooten, maar had in hooge mate de deugden van het ras zijner moeder: gastvrijheid, behulpzaamheid, vriendelijkheid. Van zijn vader had hij een dorst naar kennis meegekregen, te meer voelbaar, waar hij slechts weinig geleerd had. De Leeuw kon uitmuntend met het volk omgaan, welks taal hij vloeiend sprak, dat hij begreep en dat hem begreep.
Van Affelen eindelijk, de „nieuweling”, was eerst een maand of zes in zijn afdeeling, maar had zich reeds ontpopt als een streber. Hij zou en moest carrière maken, was despoot en hardvochtig.
„Nog een bittertje, meneer Nederman?” vroeg hij met zijn nog niet vergrokte stem.
„Dankje.”
„Kom, neemt u er nog een? Niet? Nou, een halfje dan.”
Met schonk hij in, een halfje, dat meer op heel dan op drie kwart leek.
„De bitter is puik. Oranje. Vindt u ’m niet goed?”
„Hij is heel goed,” zei Zevenaer effen, terwijl hij zich bediende. „Het is hier een goed land!”