← Table of contents
Het boek van Siman den Javaan

HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN. (continued 2)

Reading edition

Men lachte.

De Leeuw stak een sigaar op.

Zevenaer stond op. Hij wilde blijkbaar speechen. Men zou het ten minste hebben kunnen opmaken uit zijn gewichtig gezicht en uit het tikken aan zijn glas.

„Ben je mal, Jonker,” riep De Leeuw, „wou jij speechen, man? Dat doen we niet met bitter. Wacht maar, aan tafel krijg je bourgogne. Dan kun je vertellen wat je te zeggen hebt.”

„Ik wou toch wel even op de gezondheid van onzen vriendelijken en zeer geacht ....”

„Ho stop, geen speech, man, geen speech. Hou je toet nu maar.”

„Maar apropos, wat denken jullie van de rijsttafel? Ik krijg honger!” viel de baas in. „Dan kan Zevenaer zijn hart luchten.”

Van Affelen was al opgestaan.

„We kunnen onmiddellijk aan tafel gaan, mijnheer. Mag ik u voorgaan?”

Door het „kantoor” kwam men in de eetkamer.

„’t Rommeltje wel hier, zeg, Van Affelen,” merkte De Leeuw op; „’t Is er bij mij nog mooier.”

„Dat komt,” zei Zevenaer, „dat komt omdat Af nog niet getrouwd is, zie je. Met de vrouw des huizes komt de orde.”

„Dat zien we bij jou,” viel De Leeuw schamper uit, maar de opmerking ging verloren door het stoelengeschuifel.

„Wilt u aan het hoofd plaats nemen, mijnheer Nederman?”

De jongen bracht de rijst rond, eerst bij Zevenaer.

Zevenaer, die aan het opscheppen was, hield op.

„Och wel neen,” viel Nederman in, „maak nu toch geen complimenten.”

„Waarachtig wel. Houd me ten goede, mijnheer; maar anders leert de lummel het nooit.”

Soerja was al heelemaal den kop kwijt.

„A propos, Van Affelen, wat hoor ik, wou je gaan trouwen? En wie is het slachtoffer?”

„Trouwen, ben je gek, ik denk er niet aan.”

„Zevenaer beweert het toch.”

„Nou ja, trouwen, trouwen. Dat moet je nu niet al te ideaal opvatten. Hij trouwt over de puthaak. Ze zijn bij mij al aan het zoeken, op de afdeeling, naar een njonja ziender.”

„Verrek!” schold Van Affelen, wat nijdig om het gelach. „Ik zal er een van jou nemen! Merci.”

„De keus kan toch niet moeilijk zijn,” merkte Nederman op.

„Neen, zeker niet, mijnheer, zeker niet. Er zijn hier vriendinnetjes genoeg.”

„En je zult er toe komen, Affelen, het gaat op den duur toch niet zonder. Je boel verwaarloost en ze stelen je het eten onder je neus weg, als zoo’n noodzakelijk meubel niet in huis is.”

„Oh, maar ik heb er ook niets tegen. Ze mogen zeggen wat ze willen, ik vind het concubinaat nog zoo’n slechte uitvinding niet. Zoo’n menagère houdt den rommel in orde, en bevalt ze je niet, dan gaat ze de laan uit.”

De glazen werden ingeschonken.

„Nou, Jonker, nou kun je speechen. Vooruit, verslik je niet en maak het kort.” Zevenaer stond op.

„Mijnheeren, ’t is met aandoening ....”

De Leeuw barstte in lachen uit. „Wat zegt-ie, aandoening? Hahaha! Aandoening, die is verdomd goed. Ga door, kerel, ga door, maar niet zoo grappig, als je blieft.”

Zevenaer bleef onverstoord.

„... met aandoening, dat ik hier een dronk instel op onzen gullen gastheer. Ik zal jullie maar sparen de gewone heilwenschen, zie je, maar ik wou toch wel opmerken, dat het in den huize Van Affelen, hoe zal ik het zeggen, nog veel aangenamer, neen lieflijker, juist: lieflijker, dat is het woord, zou zijn, wanneer de sylphiden-gestalte van een schoone fee ...”

... „Liefde-rijker, bedoel je, Jonker,” viel De Leeuw den spreker in de rede, die vervolgde:

... „door deze vriendelijke woning zweefde en die van onzen gemeenschappelijken vriend De Leeuw er buiten bleef.”

„Bravo, bravo,” lachte Nederman, die de mop binnen zijn bereik en dus alleraardigst vond.

„Schei maar uit, Jonker, schei maar uit,” viel de gastheer in, die kregelig werd over de hardnekkigheid van de lui op dit chapiter.

Zevenaer bleef koppig op zijn stuk.

„En daarom zal ik drinken op de spoedige blijde inkomste van een donkergelokte, naar klapperolie riekende, eegade in deze nederige kluis en van een sleep van spruiten ....”

De redenaar werd overstemd door het onbehouwen gelach van Nederman, door de bravo’s en andere uitroepen van instemming van De Leeuw en door de schimpwoorden van Van Affelen.

„Ad fundum, ad fundum!” riep Nederman en gaf het voorbeeld.

Toen het rumoer bedaard was, zeide hij, en op dit gebied kon hij meepraten:

„Afgezien van de sleepende spruiten van Zevenaer, kun je er toch niet te vroeg toe overgaan (om een menagère in huis te nemen, bedoel ik). Dat geeft je in de eerste plaats meer gezag bij de bevolking, zie je, ze houden je dan niet meer voor groen. En het is voor je gezondheid ook veel beter.”

Van Affelen was het natuurlijk dadelijk met zijn chef eens. Bij deze was het een ware zucht, zeer begrijpelijk overigens, zijn ondergeschikten tot de zelfde lage moraal, die hij op sexueel gebied huldigde, omlaag te trekken. Van Affelen zou daarvoor een willig sujet zijn: die deed alles, wat hem bij „den baas” in een goed blaadje kon doen komen.

De Leeuw zorgde er voor dat de glazen weer gevuld werden, waarvoor een tweede flesch aangesproken moest worden.

Gaandeweg kwam ’t gesprek op de bevolking en op de wijze, waarop De Leeuw er mee wist om te gaan.

„Ja,” zei Van Affelen, „het is om jaloersch te worden zooals jij met de lui kunt omgaan.”

„Och, dat is geen verdienste, man. Dat komt van zelf, als je ze maar niet trapt, zooals gewoonlijk regel is bij de blanda’s. Wat bliksem, die lui hebben ook gevoel in hun bast, zie je, en als je ze eens bedondert, heb je ’t voor altijd bij ze verbruid.”

„Nou ja, maar daarmee alleen kom je er niet. Jij spreekt de taal als ze zelf, dat is ook een groot voordeel.”

„Dat leer je ook ... Nog eens inschenken, mijnheer Nederman?”

„Dank je. Maar hoe lang bennen jullie van plan nog te blijven? Ik moet nog van avond thuis zijn. Dus, Affelen, je zult me moeten toestaan dat ik dadelijk na het eten opstap.”

„Zeker, mijnheer, natuurlijk. Het spijt me wel, anders.”

De maaltijd was spoedig afgeloopen. Soerja bracht sigaretten, toen de koffie rondgediend was.

„Je kunt er donder op zeggen dat-ie in Benda blijft hangen. Daar heeft hij nog een vriendinnetje zitten, Sarinten heet ze, een snol als een paard, zeggen ze, maar een knap loeder.”

„Zeg, De Leeuw,” zeide Van Affelen, „het is toch waarlijk bewonderenswaard, kerel, hoe jij met het volk één bent. Jij weet, geloof ik, wat er hier op het heele land gebeurt.”

„Ja, ik ben een gevaarlijk mensch, Van Affelen. Zoo weet ik bijvoorbeeld dat jij een van de dochters van Sastra, den mantri-tjoeké van je afdeeling, in je huis wilt hebben, als snaar, en dat de oude je te slim is en kwasi weigert om zijn prestige. Die Djiëm is getrouwd geweest, maar weer gescheiden. Dus bang voor een manspersoon hoeft ze niet te zijn. Geef den oude vijf en twintig pop en je krijgt in plaats van één dochter er twee. Hij heeft er zat.”

Van Affelen had even gebloosd, bij de woorden van De Leeuw, en Zevenaer had geh’md.

„Apropos, Van Affelen, van dien Sastra: houd dien smeerlap in de gaten als ik je raden mag. Van Braam, en voor hem, Mulder, en voor dien ... kom, hoe heet-ie ook weer, Van de ... Van der ... Van de Pol, juist Van de Pol, liepen allemaal met hem weg. Nou, de kerel is best voor zijn werk, daar niet van, maar dat is van ons standpunt, zie je, van het standpunt van den landeigenaar, die hoe meer hoe liever sleept. Maar het is een hond voor het volk. Hij snijdt ze om een onverwacht groote hoeveelheid tjoeké binnen te brengen. En let op: hij zal je gezegd hebben, dat van het jaar de padi slecht staat ...”

„Waarachtig, het is sterk!”

„Welneen, dat zegt hij elk jaar. Je voorgangers geloofden den vent door dik en dun. Enfin, het had dit voor, dat het dan altijd een meevaller is voor den baas. Je zult dus meer binnenhalen dan je verwacht, daar kun je zeker van zijn. Maar, en dat is het mooiste van de heele geschiedenis, dan bedondert hij je feitelijk tòch nog.”

„Hoe zoo?”

„Wat een gannef! Maar er is, geloof ik, niet veel aan te doen.”

„Wel zeker. Wat ik je daar verteld heb, is speciaal een praktijk van Sastra. Maar een van mijn mantri’s probeerde zich op dezelfde manier gemakkelijk gezag te verzekeren bij het volk. Ik had hem in de gaten, door mijn huishoudster, ik donderde hem er uit en noteer nu zelf de tjoeké.”

„Dat geeft je dan toch een hoop soesah.”

„Nou ja, maar de bevolking vaart er wel bij. En nou ben ik misschien erg rood, hé, maar in mijn oog gaat het volk voor.”

„Ja,” zei Zevenaer, „De Leeuw, jij komt nooit vooruit, dat heb ik je al meer gezegd. Je bent veel te goed voor de kerels. Van boven vragen ze om rijst, rijst, rijst, hoe meer hoe beter. Humaniteit best, daar kan mee geparadeerd worden, maar rijst vòòr alles.”

Van Affelen wilde wel meer weten van De Leeuw. Hij had zich al dadelijk voorgenomen, Sastra tot elken prijs te handhaven. Hij was nog jong, pur sang Hollander, die niet veel voelde voor land of volk, wiens eenige zucht was vooruit te komen, hoe sneller hoe liever. Hij had begrepen dat Sastra hem daarin kon helpen. En van den in ervaring zoo rijken ouderen collega kon hij nog heel veel leeren.

„Dus jij zoudt me raden dien ouden Sastra zijn congé te geven?”

„Hoe eer hoe beter. Het volk zal er je in stilte dankbaar voor zijn. Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar mij doet het altijd lol als de lui van je zeggen: nou, die vent is nog zoo bar niet, als hij er uitziet.”

„Zeker, dat doen ze mij óók, als ze kunnen. En dat zouden wij in hun plaats ook doen. Of zouden wij het lollig vinden aan alle kanten geschoren te worden.”

„Nou, het is maar een vijfde,” suste Van Affelen.

„Een vijfde? Man, man, wat zal jij je oogen nog den kost moeten geven! Een vijfde? Ik beweer: door de bank zoo iets als de helft. Waar ter wereld moet je vijftig procent inkomstenbelasting betalen? ... Verdomde sigaar! ’t Ding trekt niet ... Daar, marsch! Geef me eens een ander.”

De Leeuw kauwde de punt van zijn sigaar af, greep naar een doosje lucifers, dat op de tafel lag en stak er den brand in.

Hij zweeg even.

„Ik geloof, dat ik het artikel ook gelezen heb,” zei de Jonker. „Ik heb er een overdrukje van thuis gekregen. Goed ingelicht is de man, ten minste op de meeste punten; maar geen wonder. Ik heb hem zelf ingelicht, en, naar hij me schreef, ook de vorige administrateur van Telatiga.”

„Heb jij hem ingelicht?” vroeg Van Affelen verrast.

„Welja, waarom niet? Verdomme, de man deed er toch geen kwaad mee?”

„Maar dan heb je den baas toch eigenlijk belazerd,” zei Zevenaer, „want toen hij jou, Van Braam en mij gevraagd heeft of wij er iets mee uit te staan hadden, zei je van neen.”

„Zeker, ik heb hem voorgelogen. ’t Is niet mooi van me misschien, maar enfijn, ik heb het gedaan. Ze wouen hem vervolgen op Batavia, vertelde de baas, en of wij dus materiaal wilden verzamelen om aan te toonen dat hij lasterde.”

„Nou, en heb jij iets gevonden?”

„Neen, jij?”

„Ook niet.”

„Dus hij overdreef niet?” vroeg Van Affelen.

„Welnee, man; hij wist nog niet half genoeg.”

„En is hij vervolgd? Dat gaat hier makkelijk genoeg, hoor ik, zoo’n persdelictje.”

„Nee, vervolgd is hij niet, ze hebben er maar van afgezien, zie je. Als je in stront roert, gaat het stinken.”

„Laat me het toch eens lezen.”

„Best, bij gelegenheid.”

„Een ding is toch zeker overdreven, geloof ik,” zei Zevenaer weer. „Die meer dan twintig procent breuk. Er is wel iets meer, nou ja, maar dat kun je niet altijd afpassen. En de lui zelf brengen de rijst mooier dan ze moeten.”

„Wat is dat voor een kwestie?” vroeg Van Affelen.

Zevenaer legde uit:

„In het artikel wordt gezegd dat de bevolking gedwongen wordt om tjoekérijst op te brengen met 89 tot 90 procent grof.”

„Nou, dat is toch niet waar.”

„Niet waar!” stoof De Leeuw op. „Het is van a tot z waar. Hoe hij er aan komt, weet ik niet, ik heb hem op dit punt niet ingelicht, maar waar is het, dat bezweer ik je. In de vrijwillige overeenkomst heet het dat er 20 procent breuk mag zijn, he? Volgens van ouds door de bevolking geleverd, zoo staat er. Dat is verdomd hypocritisch gezegd, weet je. Want als je zegt 20 procent, zooals een beetje verder in het contract staat, dan heb je een getal, waaraan je kunt vasthouden. Maar wat is nou: als van ouds geleverd? Dat is niks. Dan kan je alles weigeren, al brengen ze je honderd procent grof.”

„Jawel, goed, maar gebeurt dit? Daar komt het maar op aan.”

„Ja, dat gebeurt. Elk jaar gebeurt het. Als de rijst door de sorteermachine is, dan blijkt er maar zestien procent breuk te zijn, op zijn hoogst, begrijp je, op zijn hoogst. En de machine maakt nog altijd vier, vijf tot zes procent breuk.

„Dus, dat wil zeggen, dat ...”

„Dat zestien min vijf nog altijd elf is. En dat het volk dus met rijst van elf procent breuk komt, dat wil het zeggen.”

„Goed, maar dat komt misschien omdat het volk de grens van breuk niet kent, en zoodoende uit vrees maar mooiere rijst levert dan het moet.”

„Nonsens, rats, de bevolking mòet, omdat mindere kwaliteit geweigerd wordt. Je kunt de cijfers vinden in de registers van de gesorteerde rijst. Dat is contractbreuk, begrijp je goed. Elk jaar. En contractbreuk is strafbaar ... behalve wanneer de opgezetenen de dupe zijn.”

„Neen maar waarom klagen de lui niet? De assistent-resident ...”

„Och wat, Jonker, laten we mekaar nou geen Mietje noemen, zeg. Die Van Dam is een vent om er een op toe te geven. Goddomme, leg de overeenkomsten van Telatiga en van hier nu eens naast elkaar. Telatiga rekent de grens van goedgeslaagd op zeven en dertig en een halve picol. Dat is te laag, beweer ik. Maar goed. Hier is de taxatie nog zes en een kwart picol lager. Dat berust op niets. Nou zou je zeggen, als Van Dam die twee overeenkomsten ziet—we werken toch onder gelijke omstandigheden!—dan zegt hij: dat deugt niet. Er is minstens één van de twee niet goed. Nou.”

„Ja, hij registreert beide.”

„Juist, hij registreert alles, wat voor zijn pooten komt. Want hij is gedekt, omdat de bevolking vrijwillig teekent.”

„Nou ja,” merkte Van Affelen op, „wij weten allemaal wel dat de assistent-resident geen flauw benul heeft van de finesses van ons bedrijf ...”

„Nou, wat doet hij hier dan? Het hoofdbedrijf in de afdeeling, in het heele gewest. God beter ’t, wat heb je aan zoo’n knul, als hij niet weet waar ie zijn poot onder zet?”

„Goed, maar als ambtenaar is zijn standpunt begrijpelijk, al toont het weinig karakter, weinig fut. De lui hebben vrijwillig geteekend, zegt hij ...”

„Maar, kerel, dat is gelogen. Er wordt niet vrijwillig geteekend.”

„Niet? Wat is dat nou, wij dwingen ze toch niet!”

„Wij dwingen ze wèl, moreel namelijk. Wij paaien ze met beloften, vrij visschen, geen tuinhuur, voorschot, enz.; wij bedreigen hen met straffen als ze niet teekenen. Wat een wonder dat ze dan teekenen. Van een reglement weten de meesten niet. En dan, weet je wat zoo verdomd gemeen is? Het breukgemiddelde is veel te hoog.”

„Niet te veel willen bewijzen, De Leeuw. Qui prouve trop, ne prouve rien. Er zijn stampproeven, die dat gemiddelde hebben vastgesteld.”

„Als ik niet te lang op het land was, zou je me nu mat hebben, Jonker. Maar nou heb je me niet, man. Ik wou je wel vragen of je begrijpt waarvoor die stampproeven hier, zoowel als op Telatiga, zijn genomen, hoeveel jaar geleden weet ik niet? Waarvoor is die standaard-stampproef genomen?”

„Om vast te stellen, de rijstcoëfficient en de breukverhouding.”

„Juist. Nu ben jij landheer hé, en ik tani? Ik moet jou rijst leveren. Andere inkomsten trek je niet, of ook zonder dat, wat zal jij nu doen: tevreden zijn met een picol, als je twee kunt krijgen met allen schijn van recht?”

„Een domme vraag: natuurlijk twee picol opeischen.”

„Die vraag is zoo dom niet, als je denkt. Maar enfin. Dus je begrijpt wel, dat die stampproef werd genomen onder buitengewoon gunstige omstandigheden, niet waar, dat de nadeelige factoren zijn vermeden, dat men eerst met de hoogst mogelijke uitkomsten tevreden was. Dat is toch logisch, niet?”

„Zeker.”

„Nou. Ik heb zelf die stampproef gecontroleerd. Je kunt me dus gelooven, trouwens je kunt het nagaan ook, als ik je zeg dat wel geen uitgezochte padi werd verstampt, dat zou te dol zijn, maar padi, die niet van weersinvloeden te lijden had gehad, die uitmuntend stond in het algemeen, en weinig breuk zou geven. Een vrij groote hoeveelheid van die padi werd verstampt, onder ons toezicht. Dat stampen ging uiterst voorzichtig. Nou het resultaat was, in vergelijking met wat als tjoeké wordt ontvangen, alles behalve schitterend. Omgeslagen over één picol kregen wij drie en vijftig kattie rijst.”

„Dat is nog mooi.”

„En in de witte rijst was acht en veertig en een half grof. Jammer, dat ik zoo’n standaard-staatje niet bij de hand heb, het is wel interessant.”

„Misschien kan ik je helpen,” zei Van Affelen. „Ik heb eens op de besaran een stampproef-staat overgeschreven. Misschien is het die, welke je bedoelt. Je kon nooit weten. Ik kon hem eens noodig hebben.”

Van Affelen stond op en zocht op zijn schrijftafel naar een notitieboekje. Na eenig zoeken had hij het. Uit de portefeuillekap van het boekje werd een toegevouwen papiertje geproduceerd. Affelen vouwde het open en reikte het De Leeuw toe. Deze keek er even naar.

„Ja,” zeide hij, „dit is het. Nou kijk eens hier. Verstampt: 1 picol, soort: meest verbouwde, dedek 9 kattie, merang 9 kattie, doppen 27, niet wit grof 29 kattie, fijn 24 kattie; wit grof 25½, fijn 27½; dus procent rijst 53; verlies 2 kattie. Nou de breukverhouding in procenten: niet-wit, eerste soort 54½, tweede soort 45½; wit, eerste soort 48½, tweede soort 51½. Dit is dus je standaard-verstampingsproef. En nu kun je zelf zien hoe het volk bedonderd wordt. Want hun rijst is voor 88 procent grof, de rest gebroken. De normale breukcoëfficient is 51½, ze moeten leveren met twaalf procent. Zie je, dat is toch verdomd vuil ...”

„Nou ja, je kunt je daar nu wel over opwinden,” zeide Van Affelen, wat spijtig, omdat door den harden vuistslag van De Leeuw op tafel een der glazen was omgevallen en den inhoud gedeeltelijk over zijn, Affelen’s, pantalon had uitgestort. „Maar het is grauwe theorie, dat wil zeggen, ik zeg het verkeerd; als je dat zoo uitlegt, dan lijkt het wel of de lui hier worden uitgezogen tot op den laatsten druppel bloed, terwijl ’t in waarheid nu niet zoo bar is. De kerels hebben ten minste nog bloed genoeg in d’r body om te blijven voorthappen.”

De Leeuw haalde zijn schouders op, maar Zevenaer viel uit:

De Leeuw schoot opeens uit zijn slof:

„Affelen wil geen theorie, hè? Goed. Ik zal hem practijk geven. Potdomme, zooveel als-ie wil. Ik heb een oppassenden kerel in Kerep, Marto, ’n ouwe kerel, vrouw en een schuif jongen; de man heeft 250 roeden sawah. Nou, ik zal je zijn jaarbalans optellen. Meerekenen als je blieft.”

De Leeuw haalde een potloodje voor den dag en krabbelde achter op de stampproef.

„Tien gulden vijftien.”

„Juist, tien gulden vijftien. Bij een doorsnee-productie van vijf en twintig picol, geeft hem zijn stukje sawah twaalf en een half nat. Snijloon een vijfde, maakt tien; uitdroging twintig procent, is twee picol. Rest acht picol droog. Dus acht picols. Drogen en aan bossen binden acht dubbeltjes, maakt tien vijftien plus tachtig, is tien gulden vijf en negentig, niet?”

„Ja, all right, ik volg. Maar à propos, je rekent alles uit. Wat duivel, hij kan toch zelf wel zijn oogst behandelen!”

„’t Kan wel, maar het gebeurt niet, jò, dan komt er geen oentoeng ...”

„Nonsens, daar behoeft geen rekening mee gehouden te worden,” viel Van Affelen uit.

„Bij het stamploon.”

„Ah juist, een zesde van vier picol twee en dertig is twee en zeventig kattie, maakt”—De Leeuw cijferde weer—, „berekend tegen de prijzen van daarnet—drie zestig, plus elf gulden zestien, niet waar? is veertien zes en zestig.”

„Zes en zeventig.”

„God, wat zijn jullie vervelend! Schei nou toch uit met dat gecijfer,” zeide Zevenaer geeuwend.

„Het is voor de inlanders nog veel vervelender altijd maar weer te moeten betalen,” antwoordde De Leeuw droogjes. „Maar ik zal Van Affelen eerst doodslaan met de practijk. Niemand dwingt jou om te luisteren. Draagloon naar het pakhuis, Van Affelen, zeven paal, laten wij zeggen een kwartje. Tel maar weer op: zeventien gulden zeventien. Nou de tjoeké. Volgens artikel vier van de vrijwillige overeenkomst, een vijfde of twee en een halve picol nat à veertig katties in een picol, waarvan acht en tachtig procent grof tegen zes vijftig ... wacht, dat is een langere berekening, geef me een ander stukje papier.”

Van Affelen scheurde een velletje uit zijn zakboekje en reikte het den ander over. Hijzelf zat ingespannen te luisteren en was een en al aandacht.

„Dat maakt vijf gulden twee en zeventig, en twaalf procent fijn à vier pop, acht en veertig cents, totaal zes en twintig. Dat is dus met dat van daarnet, drie en twintig gulden zeven en dertig. Nou reken ik niet: witstampen, waakloon gedurende vijf maanden op het veld, sedekah voor den oogst. Maar één ding is nog vergeten. Het voorschot. Dat neemt natuurlijke elke inlander aan als het hem aangeboden wordt. Hij krijgt voor tweehonderd vijftig roe, drie pop, na den oogst terug met twintig percent rente voor zes maanden, is zestig cent. Zijn uitgaven zijn dus in totaal: drie en twintig gulden zeven en negentig cents, rond vier en twintig gulden. En daar tegenover staat een verdienste van twee en twintig gulden zeventig. Marto heeft dus verlies: een gulden dertig verlies.”

„Ja,” zei Van Affelen, „er schijnt niets tegen te zeggen.”

„En nou vraag ik je of je begrijpt, wat dat zeggen wil: verlies te lijden als je het heele seizoen gewerkt hebt, als je je arbeid, je zweet gegeven hebt om een goed stukje grond vruchtdragend te maken. Alles wat de stakker deed, het water van zijn sawah houden, het spitten, ploegen, planten, zijn heele denken gedurende dien tijd, zijn vreugde als de padi opkwam en de aren zwollen, de blijdschap bij den oogst, dat alles weg, weg en erger, hij heeft schuld, hij is armer dan hij begon. Verdomme, Van Affelen, we zijn eigenlijk lammelingen, dat we er aan meedoen, zeg, die stakkers zoo te villen ...”

„Nou, nou, word niet sentimenteel, De Leeuw, we moeten allemaal leven.”

„Ja, dat houdt me hier. Wie kan mij nou gebruiken? Ik heb alleen verstand van padi. Anders ging ik weg. Als ik zulke buien heb en me veroorloof me in te denken in den ellendigen toestand van zoo’n Marto, dan kan me de heele santekraam ook niks verdommen. En zoo zijn er veel als die Marto, heel veel, het is bijna normaal zoo. Daar heb je dan de practijk, Van Affelen, en erken dat ze verrot is, verrot, verrot!”

„Idealist,” bromde Van Affelen, toen De Leeuw zich verwijderde, en dat woord, op dien toon, had de beteekenis van een schimp.

„Goed, een idealist, ik ben het anders niet met je eens,” zeide Zevenaer, „maar een nobele kerel. Beter dan wij.”

„Och kom, ik wist niet dat jij sentimenteele buien had, Jonker. Maar, wat bliksem, wat De Leeuw wil, zijn herschenschimmen ...”

„Wat?”

„Nou, die rechtvaardigheid. ’n Prachtig beginsel, maar je vreet er niet van. Onze maatschappij ...”

„Neen onze maatschappij houdt weinig rekening met mooie beginsels; dat is zoo. Reden om met de maatschappij in denken en doen te verschillen.”

* * *

Het liep tegen vier uur ’s middags, den dag daarop, dat Prawira, vergezeld van Siman, het erf van de employés-woning te Herea opkwam. Van Affelen was nog niet thuis en Prawira zeide tot zijn jongen metgezel te wachten bij de stoep. De ziender zou wel spoedig thuis zijn; het was wonder dat hij er nog niet was. Prawira zelf zou zich maar verwijderen. Het was niet goed, zeide hij, dat de opzichter hen samen zag, en Siman kon zijn woord toch zeker zelf goed genoeg doen. Hij, Prawira, zou later nog wel een woordje zeggen als het noodig was. Siman begreep eigenlijk niet, waarin het kwaad stak als men hem in het gezelschap van den ander vond, en hij was ook wel bevreesd met zijn verzoek voor den employé te komen. Maar Prawira ging en dus bleef hij alleen.

Gehurkt, diep in gedachten omtrent de wijze, waarop hij zijn verzoek zou moeten inkleeden, wachtte hij. Zelfs merkte hij niet dat Van Affelen aankwam. Eerst toen de bendy het erf opreed, keek hij op, ter sluiks den Europeaan opnemend.

Van Affelen was in een slechte luim. Hij meende reden te hebben nijdig te zijn op het volk, omdat Pah Roesmi gepoogd had hem om den tuin te leiden met de tjoeké-rijst, die afgekeurd was, en die hij opnieuw aanbood, na eenige dagen, in gave zakken, alsof hij, Van Affelen, den toeleg niet zou doorzien. Die poging tot bedrog was verkeerd van Pah Roesmi, maar Siman had er geen schuld aan en hem trof slechts de booze bui van den blanke, zonder dat hij er, door het kennen der oorzaak, reden tot verontschuldiging voor kon vinden.

„Wat mot jij?” snauwde Van Affelen, terwijl hij de leidsels naar achteren wierp.

Siman was bedremmeld en zweeg. Zijn vooruit klaargemaakte rede bleef hem op de tong.

„Wie ben jij? Kun je niet antwoorden?” Van Affelen werd driftig.

„Ik ben Siman, meester, van de desa Gatok.”

„Nou, en wat wil je?”

„Mijn padi is gesneden, meester, en ik zal de tjoeké moeten afleveren.”

„Verder?”

„Het is zoo bezwarend, meester ...”

„O, het oude liedje! Je wilt vermindering hebben van de tjoeké, he?”

„Ja, meester, mijn vrouw ...”

„Heb je taxatie gehad?”

„Ja, meester.”

„Wie heeft getaxeerd?”

„Mantri Sastrawidjaja.”

„Was je tevreden?”

„Ja, meester, maar de ...”

„Dat kan me niets schelen. Je krijgt geen vermindering, begrepen? Ik ken dat gezanik. Allemaal leugens. Te lui om te werken, maar om te vreten niet, hé? En nou is er zeker een tante of een grootje van je dood, en moet je geld hebben? Geen kwestie van!”

Siman waagde nog een poging:

„Meester, ik lieg niet. Er is niemand dood, maar mijn vrouw is pas bevallen ...”

„Daar ben je niet te lui voor, hé?—om kinderen te maken. Alloh, vort! Je krijgt geen cent vermindering.”

Van Affelen stapte zijn kamer in.

Siman stond op, langzaam. De laatste beleediging had hem dieper getroffen dan de geheele hondsche bejegening. Er gloeide opeens een heftige wraakzucht bij hem op. Een blik van diepen haat volgde den blanke. Toen was de jonge Soendanees zich weer meester.

Buiten wachtte Prawira hem op. Siman deelde hem slechts mede, dat zijn verzoek geweigerd was. Hoe dit geschied was, verzweeg hij, uit schaamte. De ander schreef zijn bedruktheid en dofheid toe aan de teleurstelling der weigering—waaraan Siman op dat oogenblik niet eens meer dacht.

„Je hadt ook weg moeten gaan,” zeide Prawira. „Ik zag aan zijn gezicht al dadelijk dat hij in een slechte luim was.”

Lang bleef Siman niet te Herea. Hij gebruikte een kleine verversching bij Prawira en vertrok alleen naar Gatok. Het was al eenige uren nacht, toen hij bij zijn vrouw kwam. Ze sliep reeds, maar ontwaakte bij zijn komst.

„En?” vroeg ze, maar het antwoord las zij reeds op Siman’s somber gelaat:

„Hij heeft geweigerd.”

Djiah zuchtte.

* * *

Sastra zat, de beenen kruiselings onder het lijf, voor Van Affelen, die notities van hem overnam. Toen dit afgeloopen was, draaide de blanke zich op zijn stoel om.

„Zeg, Sastra, wie is die Siman van Gatok?”

„Een nieuweling, meester. U weet wel, ze zijn hier het vorig jaar gekomen. Hij heeft nog een ouden vader, die nu de tering heeft.”

„Wat zijn dat voor lui; lastige menschen?”

„Neen, meester, integendeel, zij zijn zeer gewillig.”

„Zoo, h’m. Hij heeft me gisteren gevraagd om vermindering van tjoeké.”

„Ja, meester.”

„Ik heb natuurlijk moeten weigeren.”

„Het beschot is tegengevallen, meester; de oude ligt ziek, en Simans vrouw is onlangs bevallen.”

„Kan er niets aan doen. Is het een groot gezin?”

„Ja, meester, de oude Rekso, Mah Ten, zes kinderen, buiten Siman.”

„Zoo, nou, ik zal ’s kijken als ik dien kant uitkom. Maar nou wat anders: Waar is je dochter nu, Sastra?”

De mantri boog het hoofd wat dieper, om een blik van vreugde te verbergen. De oude had dadelijk begrepen wat Van Affelen bedoelde. Er was reeds meer van deze aangelegenheden sprake geweest. Hij wilde niets liever dan Djiëm geïnstalleerd zien als huishoudster bij den opzichter. Dat kon hem in zijn positie slechts voordeel brengen. Maar het was zaak hiervan niets te laten blijken.

„Welke bedoelt u, meester?” vroeg hij achteloos.

„Djiëm.”

„Djiëm is te Telatiga.”

„Zoo. Wanneer komt ze weer op het land?”

„Ik geloof niet meer, meester. Ze wil huishoudster worden bij een blanda in de kotta.”

De man loog. Djiëm zat thuis.

„Zoo. Ik dacht dat jij daar bezwaar tegen hadt?”

„Ja, meester, dat heb ik ook. Maar ik ben een oud man. En de kinderen zijn reeds volwassen.”

„Nou, waarvoor moet ze dan naar Telatiga? Ze weet toch dat ik jou aangeboden heb haar hier te brengen?”

„Daar kan ze misschien meer verdienen, meester.”

Sastra loerde naar Van Affelen. Zijn kleine oogjes glinsterden.

De Europeaan stond op, opende een geldkistje, dat in de slaapkamer op een gemetseld muurtje vastgeschroefd was. Hij haalde er twee bankjes van tien en een van vijf uit en kwam bij den mantri terug.

„Ik zal het doen, meester, omdat u het gelast.”

„Goed, en maak een beetje haast als je blieft.”

Zoo gaat het veelal in de binnenlanden en zoo ging het ook te Herea.

En gelijk dan ook meestal het geval is, de bevolking voelt dat zij getroffen wordt, maar verzet zich daartegen niet. Het Javanenvolk is deemoedig, het deemoedigste ter wereld. En zeer diep moeten gezagsmisbruik en knevelarij doordringen, voordat het stille verdragen tot morren, het morren tot muiten wordt. De inwoners van Herea lieten zich knevelen ...

Van Affelen merkte er niet veel van, en, deed hij het al, het zou hem te veel zelfoverwinning gekost hebben, zich vóór het volk, waar hij niets voor voelde, te plaatsen tegenover Djiëm. Hij hechtte zich steeds meer aan zijn huishoudster. Djiëm paarde aan verleidelijkheid van lichaam voldoende mate van sluwheid om haar toean aan zich te binden door levendig houden van zijn begeerte naar haar. Haar berekening faalde niet. Van Affelen, die in dit opzicht niet boven de middelmaat stond, kwam steeds meer onder den wilsinvloed der Javaansche.

Het feit dat de jonge Hollander met Djiëm leefde, had iets immoreels. Dit immoreele lag niet in de eerste plaats in hun verhouding tot elkaar, want waarom zou het concubinaat lager staan dan de meeste huwelijken? In toewijding, gehechtheid, zorg voor persoon en eigendom van den man, ja zelfs in liefde, behoeft de Javaansche niet onder te doen voor haar blanke zuster. Ligt hierin niet het moreele van het samenleven van man en vrouw? Is het wel een eisch der moraal—of alleen maar van fatsoen?—dat we ons van overheidswege laten autoriseeren om iets blonds, bruins of zwarts te maken tot levensgezellin?

Het immoreele van hun samenleven lag in hun verhouding tot het volk. Want Sastrawidjaja had terecht begrepen, dat zijn invloed zou groeien met den duur van zijn dochters verblijf in de woning van den opzichter!

Zoo was het.

En Sastra ging voort in het klein het voorbeeld zijner kapitalistische patroons te volgen: de bevolking der afdeeling Herea werd meer dan ooit gekneveld.

Ter eere van Van Affelen zij hier verklaard, dat hij te onbekwaam was voor zijn taak, te onbekend met het volk, te veel geabsorbeerd door de zucht naar carrière-maken, dan dat hij van die uitzuiging veel zou bemerkt hebben. Het volk kwam bij hem zich niet beklagen, zooals bij De Leeuw, wanneer de desalieden konden verwachten dat hun gang naar de zienderan van Alas Bamboe onopgemerkt zou blijven. In De Leeuw stelden zij vertrouwen.

* * *

Het was weer een maand verder.

Bedruktheid heerschte in een tweetal woningen van de desa Gatok: met Pah Rekso ging het hard achteruit. De oude kon de baleh niet meer verlaten. Hij kuchte voortdurend en de ingeteerde borst piepte met naar geluid. Het einde kon zich niet lang meer laten wachten.

De misère kwam er weer zeer ongelukkig tusschen. De tjoeké was opgebracht. Pah Ran en Siman hadden zelf de vracht naar het pakhuis gedragen om loon uit te winnen. De rijst was gelukkig goed bevonden; dubbele verheugenis voor dien dag, want de opzichter was weer zeer ontstemd geweest en heel wat tjoeké-rijst was door hem afgekeurd. Ten onrechte. Maar de getroffenen hadden zwijgend dat onrecht geduld. Buiten eerst, onder elkander, had men gemokt over die benadeeling. En Pah Ran en Siman begrepen dat hun rijst zeer mooi geweest was van korrel, daar hun geen enkele opmerking gemaakt was. Neen waarlijk, Prawira had gelijk gehad, zóó stampen zouden Djiah, Ipah en Mariam niet gekund hebben.

Te Bodjong Kawoeng hadden zij hun zaadpadi besteld voor den volgenden planttijd. Wel hadden zij die zaadpadi kunnen inkoopen in Gatok zelf, van Tio Ang Sioe, en wel hadden zij dus met de padi weer een aanmerkelijken afstand af moeten leggen, maar beiden hadden dit toch verkieselijker gevonden. Er was reden voor.

Tio Ang Sioe toch was een zoon van den administrateur, een onecht kind, verwekt bij een Chineesche vrouw. Nederman had, toen hij de administratie van het particuliere land Alas Bamboe in handen nam—hij was er langzaam aan oudste employé geworden—een zeer geschikt baantje voor zijn zoon gevonden. Hij wilde hem liefst wat ver uit de buurt hebben en stelde hem aan als padileverancier te Gatok. Tio Ang Sioe leverde zaadpadi aan het land en het land gaf het uit aan de bevolking, die er behoefte aan had. Er kwam hooge rente op, hooger zelfs dan Tan Boen Ho te Telatiga bedong. Maar dat scheen wel billijk. Immers, de transportkosten van Telatiga naar het land behoefden den prijs niet te drukken. Gemeenlijk werd die zaadpadi in tjoeké-rijst terugbetaald. En Tan Boen Ho berekende een picol tjoeké-rijst tegen een picol zaadpadi, dat is dus ver meer dan honderd procent ... De onderneming nu betaalde aan den Chineeschen zoon des administrateurs meer per picol zaadpadi dan de prijs was: voor elken picol kreeg Tio Ang Sioe drie gulden. Daar zat een aardige winst in en Nederman behoefde zich niet ongerust te maken over benadeeling van de onderneming, want—het was immers de bevolking aan wie de padi weer werd geleverd, die aldus zijn zoon aan een ruim bestaan hielp?

Tio Ang Sioe zou echter geen zoon van zijn moeder geweest zijn, wanneer hij niet getracht had zijn zoo gemakkelijk gewonnen inkomsten te vergrooten. En het lag voor de hand, dat hij minderwaardige padi opkocht voor de levering aan zijn natuurlijken vader. Die zaadpadi was echter te slecht om te planten. En de Javaan werd er de dupe van ...

Toen Siman en Pah Ran ’s avonds laat thuis kwamen, lag Pah Rekso te sterven.

Mah Ten ondersteunde het hoofd van haar man. Tranen stonden in haar oogen. Zij begreep wat er ging gebeuren met pijnigende juistheid. De oude ging weg van haar en de kinderen, na die lange jaren van samen leven en samen lijden. Mariam en Ipah en de jongere kinderen schreiden. Djiah stond wat verder af het treurig tooneel in diepe gedachten gade te slaan. Het was geen koudheid des harten, die haar deed becijferen, op dat oogenblik, hoeveel dit sterven weer zou kosten. Och neen, het was de benauwende greep van het gebrek, dat in zijn druk steeds en immer de herinnering aan zich levendig houdt. Mah Itam, er bij geroepen, wreef den zieltogende, onder het prevelen van gebedenformulieren, over de lenden. Rekso rochelde reeds, bloedschuim stond hem op den mond en door het rochelen heen zocht de adem fluitend zich een uitweg naar buiten. Het was een allertreurigst tooneel. Het olielampje op de ruwhouten tafel wierp dan hier, dan daarheen de zwarte dansende schaduwen dier menschen op de bamboewanden, en teekende donkere vlekken op de aangezichten.

Djamin zat buiten.

Toen Siman en Pah Ran aankwamen, snelde de knaap hun tegemoet.

Maar diep in den nacht eerst was het afgeloopen. Pah Rekso had even voor zijn dood een oogenblik van bewustzijn gehad.

Toen de morgen gloorde, zat Ten nog steeds op de baleh. Denken deed ze eigenlijk niet. In haar oogen lag die weemoedige blik van gemartelde berusting, die niet vreemd is onder de inlanders, welke met de blanken in aanraking zijn geweest. Vooral treft die gelaatsuitdruk ons voor de inlandsche rechtbanken.

Den volgenden morgen werd Rekso begraven. Het was een heel eenvoudige plechtigheid. Het lijk, dat na gewasschen te zijn in een wit laken was gewikkeld, werd op een eenvoudige bamboezen baar, overdekt met een sarong, naar de kleine, vriendelijke begraafplaats gedragen onder de kambodja’s, waar den dag te voren een ondiepe kuil was gegraven. Een houten paaltje wees het hoofdeinde aan; een kleiner de plaats van de voeten van den doode.

De kuil was dicht; men ging huiswaarts. Prawira en Pah Ran gingen naar het sterfhuis door, toen Siman, bij zijn huisje gekomen, daar binnen ging. Een liefelijk tooneel zag hij daar: Djiah gaf den kleinen Rekso de borst.

De kleuter was nu twee maanden oud ongeveer en groeide krachtig op. Siman was zijn grootste vriend, tegen wien hij kon kraaien van plezier. Ook nu weer trok de kleine onder het gretig zuigen het mondje tot een lach. Maar Siman had vandaag geen zin tot vroolijkheid en spel. Hij zette zich naast zijn bloeiend vrouwtje neer en zonk in sombere gedachten. Djiah wist welke zorg nog bij zijn smart kwam en vroeg niets. Siman zelf verbrak het zwijgen.

„Het voorschot moet nog betaald worden,” zeide hij als tot zichzelf.

„Hoeveel is het?” vroeg Djiah schuchter.

„Ik weet het niet precies. Er komt natuurlijk rente op, maar dat kan toch zoo veel niet zijn.”

„Waarom niet betaald, toen jij en vader te Herea waren om de tjoeké te leveren? Nu moet er weer iemand heen.”

„Toen hadden wij het geld nog niet ...”

„En nu dan wel?” vroeg zij uiterst verwonderd. De vraagster ging bij zich zelf te rade, waar Siman de middelen gevonden kon hebben ...

„Wij zullen de karbouw verkoopen,” zei Siman zacht.

Stil van schrik, keek Djiah een oogenblik haar man aan. Deze waagde zich niet aan dien blik. Toen keerde Djiah zich af; haar oogen waren vochtig. Zij legde den kleinen Rekso, die ingeslapen was bij zijn gewichtige levenstaak, in zijn geïmproviseerde wieg, een doek aan twee touwen vastgeknoopt, bij wijze van schommel.

„Wanneer moet je betalen?” vroeg ze weer.

„Hoe eer hoe beter. Morgen.”

„Ja, dat is zoo. Maar Pah Ran of ik zullen toch moeten gaan.”

Djiah kreeg een idee. Maar ze wist dat Siman het niet goed zou keuren en deelde hem haar plan dus niet mede.

„Prawira gaat immers morgen naar Herea terug?” vroeg ze.

„Ja.”

„Nu, dan zal ik met hem meegaan. Zorgen jullie dan voor de katjang. Ik ben zoo bang dat we niet tijdig gereed zullen zijn met de palawidja. Het is beter dat ik de buffel ga verkoopen. O, je hoeft niet te vreezen, dat ik geen goeden prijs zal krijgen, en Prawira zal mij wel helpen. Het treft juist goed, morgen is groote passerdag te Bodjong Kawoeng. Allicht slaag ik daar al.”

Siman was nog te bedrukt door de gebeurtenissen der laatste dagen, en ook lachte hem het plan van Djiah wel toe. Ze was een ferme meid, die zich niet zou laten beetnemen. Bovendien was het wel mogelijk dat zij met meer volharding den prijs zou handhaven dan hij of Pah Ran. Want zij wist niet dat men er zoo krap voorstond en zou dus niet behoeven te strijden tegen de neiging in godsnaam wat minder geld thuis te brengen, als er maar geld was, contant geld, dat men betasten kon. Van het verkoopen der geoogste rijst was geen sprake. Die hadden zij met het zoo groote gezin zelf noodig. Na eenige discussie stemde hij dus toe.

Djiah spoedde zich naar Mah Ten, wie zij de schikking mededeelde. De goede vrouw verkeerde nog in zulk een stemming van moedeloosheid, dat ze alles goed vond. Ook Djiah’s vader liet zich overhalen. Hij moest toegeven dat zijn dochter gelijk had: men had al veel tijd onbenut voorbij laten gaan en er diende thans begonnen te worden met de uitplanting der katjang.

Prawira beloofde Djiah met raad en daad bij te staan. Misschien dat zijn vader de karbouw wel zou koopen. Onlangs nog had hij zijn voornemen te kennen gegeven een der oudere buffels te verkoopen, om zich een jonger, krachtiger dier aan te schaffen.

En zoo was het dan, dat heel vroeg in den morgen, nog voor het eerste ochtendgloren, Djiah en Prawira met de buffel marktwaarts gingen. De kleine Rekso was gedeponeerd bij Ipah. Heden zou hij zich wel moeten tevreden stellen met de flesch.

Met loomen tred volgde de karbouw. Het was als wist het dier, dat het van meester ging veranderen. Zij was ongeveer twee maanden voor de panèn gedekt en men kon dus met het oog daarop wat hoogeren prijs bedingen. Vijf en veertig gulden, zoo was uitgemaakt, moest zij minstens opbrengen.

Tegen tienen was men te Bodjong Kawoeng. Djiah was niet vermoeid, want zij had den ganschen weg te paard gezeten. Prawira had haar natuurlijk het rijpaard afgestaan en Djiah had, met de beenen voor langs het picolzadel, als een man gereden. Men hield stil bij de woning van Prawira’s vader. Het was erg levendig te Bodjong Kawoeng. Het was de groote passerdag en van mijlen uit den omtrek, dagreizen ver zelfs, waren de lieden gekomen. Djiah hoopte dat ze slagen zou.

Prawira’s vader was niet tehuis. Ook hem zou men vinden op de passer, zeide zijn vrouw. Haar verzoek om even te blijven zitten, werd vriendelijk afgeslagen door Djiah, die haast had. Straks zou men weerkomen. Eerst de zaken.

Prawira’s vader werd spoedig gevonden. Hij zelf had geen buffel meer noodig. Het trof slecht. Hij had er juist een gekocht, ingeruild juister, tegen een der zijne, met vier rijksdaalders toe. Maar Pah Wirio, de loerah, wilde beesten hebben. Hij zou hem hier halen.

Hij was nog niet weerom, toen een net gekleede inlander op haar toekwam. Hij bekeek de buffel van voor en op zijde en zeide toen langzaam:

„Wil je haar verkoopen?”

„Ja.”

„Ze is al wat oud,” begon hij, terwijl hij met de hand over de schoften ging.

Djiah antwoordde niet.

Na een lange poos werd een bod genoemd:

„Vijf en dertig gulden?”

„Zestig!”

De ander schrok.

„Daarop durf ik niet te bieden,” zei hij en deed of hij wegging.

„Ze is bezet,” prees Djiah haar waar aan, „vier maanden ver; en nog jong is ze. Hoeveel bied je?”

De ander bukte zich, betastte de uiers, en schudde het hoofd.

„Vijftien rijksdaalders; meer is ze niet waard.”

Djiah zag Prawira komen en kreeg meer moed. Er was toch nog eenige durf noodig, had ze gemerkt, zoo openlijk de waar aan den man te brengen. Nu hield ze prijs.

Prawira kwam haar te hulp. Hij wist niet wat Djiah gevraagd had, maar begon dadelijk met veel welsprekendheid de goede eigenschappen van het dier op te sommen. De ander had wel lust in de buffel, maar de gevraagde prijs was hem te hoog. Men moest wat laten vallen. Op dit oogenblik had Djiah gelegenheid Prawira toe te fluisteren, dat ze zestig gulden gevraagd had. „Laat maar wat vallen,” zeide ze.

Maar Prawira liet niets vallen. Hij bleef koppig, geen gulden minder. De kooper werd blijkbaar afgeschrikt en Djiah maakte zich reeds ongerust dat hij heen zou gaan. Hij had veertig geboden; meer wilde hij, naar het scheen, niet geven. Maar Prawira gaf niet toe. Djiah begreep er niets van.

Toch had Prawira reden voor zijn handelwijze. Hij had op eenigen afstand zijn vader gezien tusschen de menigte; hij kwam hun richting uit met een ander, de loerah waarschijnlijk. Prawira had goed gezien en vond het beter zich op eenigen afstand op te stellen. Het was wenschelijk dat de loerah niet begreep dat hij en zijn vader reden hadden tot aanprijzen. En het was ook als toevallig dat Prawira’s vader Pah Wirio naar Djiah’s buffel bracht.

„Dit is een goed dier,” zeide hij.

Dezelfde scène van bekijken en betasten.

„Hoeveel moet je er voor hebben, vrouwtje?” vroeg Pah Wirio.

„Zestig.”

„Ik geef een ringgit meer,” bood de eerste bieder, die nog niet heengegaan was.

Als toevallig kwam Prawira van voren op de groep toe.

„Moet u de buffel koopen, vader?” vroeg hij, een blik van verstandhouding met hem wisselend.

„Neen, hier de loerah.”

„Ik heb het beest reeds gezien. Goed dier, maar zestig is te veel. Of hoeveel vraagt ze?”

„Ja, zestig.”

„Ze is bezet,” zei Djiah zenuwachtig, „maar soedah, ik geef haar voor minder.”

„Vijf en veertig,” zei de loerah kalm.

„Zeg vijf en vijftig,” antwoordde de verkoopster.

„Heeft ze al gejongd?”

„Ééns, een stier, dezen keer krijgt ze dus een koekalf; want ze is gedekt drie maanden na de geboorte van het eerste kalf.”

„Kan ze ploegen?”

„Wij hebben haar altijd gebruikt op het veld.”

De andere bieder wilde tegen den loerah niet opbieden. Hij had de buffel gaarne gehad, maar er waren nog meer dieren op de markt en het kon hem slechts kwaad doen den loerah tegen zich te krijgen.

„Ik geef een ringgit meer,” zeide Pah Wirio.

Djiah stond besluiteloos.

De loerah zag het pleit gewonnen. Hij deed alsof hij heen wou gaan. En Djiah was nog niet handig genoeg in het verkoopen en liet zich misleiden door deze manoeuvre.

„Goed, neem haar dan maar,” zeide zij en gaf het touw den loerah in de hand. Deze wenkte een dessagenoot.

„Och, Taman, breng jij deze karbouw in mijn kraal, wil je?”

De aangesprokene, een jonge snuiter, voldeed aan het verzoek en verwijderde zich met het dier, dat, zich de vliegen van de flanken slaande, met tragen tred heenstapte. De loerah telde negentien rijksdaalders in Djiah’s handen neer, en verwijderde zich na een korten groet met Prawira’s vader.

Verheugd ging Djiah met Prawira mede.

Zij had een rijksdaalder meer gekregen, dan waar op gerekend was. Dat was een heele schat.

Een uur later was zij weer op pad naar Herea. Prawira vergezelde haar, naast het paard stappend.

Zij moest niet dadelijk naar den opzichter gaan, zeide hij, nadat hij had vernomen, wat haar naar Herea dreef. Djiah wilde namelijk zien of zij niet wat kon verdienen. Wel had Siman zich daartegen verzet, maar de omstandigheden waren thans veranderd. Er was geld noodig. En als hij nu voor een voldongen feit werd gesteld, zou hij allicht toegeven. Bij Van Affelen, had Prawira gezegd, zou zij evenwel niet terecht kunnen. Want waar zou zij werk kunnen vinden? Alleen in het pakhuis. En dat was nog heel toevallig, want gewoonlijk werkten daar geen vrouwen. Van het jaar was het anders, wijl er een vrij groote hoeveelheid tjoeké-padi was ingekomen. En daar had Kario, de mandoer, alles te zeggen. De opzichter ging geheel af op het oordeel van Kario. Die mandoer was een flink arbeider, die naar volle tevredenheid van den opzichter werkte. Djiah moest hem om arbeid vragen. Als hij wilde, wilde de opzichter ook.

Het was een goede raad, dien Djiah dan ook volgde. Te Herea gekomen, begaf zij zich dadelijk naar de woning van Kario.

Deze was een nog vrij jonge man van gunstig voorkomen. Toen Djiah hem schuchter de reden van haar komst mededeelde, had hij haar aandachtig en lang aangekeken. Als Djiah had kunnen vermoeden, welke gedachten hem door het hoofd gingen, toen hij de jonge vrouw met haar verleidelijk figuur, haar mollige vormen en haar bekoorlijk gezichtje zoo oplettend beschouwde, had zij zeker al haar voornemens laten varen. Maar zij zag niets, want zij had de oogen neergeslagen.

Na haar gevraagd te hebben wie ze was en waar ze vandaan kwam, zeide Kario, dat hij haar wel werk kon geven. Ze moest maar in het pakhuis komen.

Djiah beloofde overmorgen te zullen terug zijn; zij vroeg niet naar het loon, dat zij ontvangen zou, niet naar den arbeid, die haar wachtte. Zij was te verheugd in haar succes en ook al was dit niet het geval geweest, dan nog zou het de vraag geweest zijn of zij den moed gehad zou hebben ernaar te informeeren. Van Prawira vernam zij echter, dat zij op een verdienste van vijf tot tien cent daags zou kunnen rekenen.

In de middaguren kwam zij op de zienderan om het voorschot en de rente daarop te betalen.

Van Affelen zat in slaapbroek en kabaai in de voorgalerij, toen Djiah kwam. Zij hurkte op de stoep en deelde hem mede dat zij het voorschot kwam terugbetalen. Van Affelen was in een goede luim; hij was altijd in een goede luim in gezelschap van mooie, jonge vrouwen.

Lachend zeide hij:

„Maar dan moet ik toch eerst weten wie je bent?”

„Ik ben de vrouw van Siman, van de desa Gatok, meester.”

„Siman ... , Siman ... dien ken ik niet. Of ja toch—wacht eens. Is hij niet onlangs hier geweest om vermindering te vragen van de tjoeké?”

„Ja, meester.”

„Ah juist. En ben jij zijn vrouw; nou, je ziet er lief uit, hoor ...”

„Ik kwam het voorschot betalen, meester.”

„Jawel, jawel, dat heeft zoo’n haast niet. Ik dacht dat jullie zoo’n soesah hadt,” vervolgde hij ietwat ironisch, zich voelend in de idee, dat hij toch gelijk gehad had, toen hij Siman zijn verzoek weigerde. Ze hadden hem dus weer willen misleiden ...

„Dat is ook zoo, meester.”

„Je schijnt nu dan toch geld te hebben.”

„We hebben de karbouw verkocht.”

Djiah boog het hoofd, toen ze dit zachtkens zeide, bij de droeve herinnering aan de scheiding van het trouwe dier.

„Zoo, h’m ... En jij bent dus onlangs bevallen? Men kan het je wel aanzien.”

Djiah begreep de onkiesche woordspeling en hief het hoofdje niet op.

Van Affelen stond op om zijn voorschotboek te halen, dat hij na eenig zoeken vond.

„Zeg ’r ’s,” vervolgde hij bij zijn terugkomst uit het nevenvertrek, „hoe is het met den oude; ik bedoel den vader van je man? Sastra heeft me gezegd dat hij zoo ziek was?”

„Hij is dood, meester.”

„Dood? Zoo. Dat kan toch zoo lang niet geleden zijn?”

„Hij is gisteren begraven ...”

„H’m.”

Van Affelen was niet op zijn gemak. Waarom niet, zou hij moeilijk zelf hebben kunnen zeggen. Was het omdat hij Siman vermindering van den tjoeké-aanslag had geweigerd? Dit zou een bewijs geweest zijn dat zijn hart nog niet voor alle edeler aandoeningen gesloten was.

Hij zocht in zijn boekje naar de desa Gatok en volgde daarop met den vinger de namen der voorschot-houders. Maar hij vond geen Siman.

„Pah Rekso heeft het voorschot ontvangen”, zeide Djiah.

De Europeaan keek op en zag haar opeens vlak in de oogen, die bedeesd werden neergeslagen. Op dat oogenblik vond Van Affelen zijn huishoudster zeer hinderlijk. Hij zou haar eens verlof geven, naar Telatiga bijvoorbeeld.

„Dat hadt je wel eerder kunnen zeggen”, merkte hij op, maar er was geen zweem van ergernis in den toon van zijn stem. Toen zocht hij weer.

„Ah, hier is het. Pah Rekso, negen gulden. Daar komt een gulden tachtig cent bij voor de rente”.

Zij haalde haar katoenen zakje te voorschijn en nam er vier rijksdaalders en een gulden uit.

Van Affelen vond het lastig dat zij geen gepast geld bij zich had. Hij moest weer opstaan en haalde uit de geldkist twee dubbeltjes, die hij haar gaf.

Djiah stond op en groette. De blanke gaf den groet terug met zekere weekheid in zijn stem, die de Javaansche zeer onaangenaam aandeed. Ze was blij dat ze weg kon en overdacht dat ze toch veel had moeten betalen aan rente. Van de berekening dier rente begreep zij natuurlijk niets.

* * *

Djiah wist ook niet dat op het land Telatiga van 1884 tot 1901 een winst gekweekt was van ruim f 252.000—dit althans was de opgave voor het patentrecht, en het bedrag kan dus hooger geweest zijn—uit de rente op in voorschot gegeven gelden, tot een bedrag van slechts f 704.608,30. En ook al had zij dit geweten, dan nog zou zij in haar eenvoud niet hebben kunnen berekenen hoe groot de gebruikelijke rentekoers was. Djiah wist niet, dat bovendien de maat, waarmede de tjoeké gemeten werd een kleinere hoeveelheid aangaf dan inderdaad afgemeten was. Zij toch had geen inzage gehad van een brief van den administrateur van het land Telatiga aan een der eigenaren, d.d. 31 Maart 1902, meldend dat de „tjoeké-rijst ontvangen werd met de geijkte rijstmaat, die gewogen zes katties meer opleverde dan een picol van 125 Amsterdamsche ponden.”

Het is zoo veel niet, meent ge, zes kattie, zes honderdste deelen van een picol. Maar dit bedrog heeft jaren en jaren geduurd; er zijn zeer vele landbouwers, tienduizenden, en honderdduizenden picols rijst werden als tjoeké ontvangen. Men zou dus langs eenvoudigen weg van vermenigvuldiging kunnen komen tot een uitkomst. Maar ik heb nog een beter bewijs van het bedrag: de erkenning van den administrateur. „Het teveel,” zoo heet het in dienzelfden brief, „bedroeg 23847,19 picols”. Ik heb den tijd er niet voor, de rekening heeft iets stuitends ook, na te gaan of dit opgegeven aantal van de bevolking gestolen picols rijst juist is. Ik wil aannemen dat er inderdaad niet méér gestolen is, zoover nog nagegaan kan worden, dan 23847 picols. Tegen zes gulden de picol .... Neen, ik wil niet rekenen.

Djiah wist dit alles niet. Ook niet dat op het land Alas Bamboe de misdaad nog verder gedreven werd; dat daar door de hoogere rijstprijzen, de zwaardere heffingen en het meten met valsche maten de diefstal nog zwaarder drukte en de rente op het voorschot er nog meer dan zes en dertig procent in tien maanden bedroeg ...

Als zij dit alles geweten had, zou zij eerder verheugd zijn geweest, dat Van Affelen met een renteheffing van slechts 20 procent genoegen had genomen, omdat Djiah zoo mooie oogen had. Het geval was exceptioneel ...

* * *

Laat in den namiddag was Djiah weer te Gatok. Daar wachtte haar een teleurstelling. Siman was slechts zeer weinig opgeschoten met den katjang-aanplant. Zijn schuld was dit niet. Pah Ran toch had hem niet kunnen bijstaan, want die had in heerendienst moeten uitkomen. Het was een tegenvaller geweest, en niet voor hen alleen, doch voor velen in de desa Gatok, die hun heerendienstplicht reeds hadden volbracht en meenden voor dagen weder daarvan vrij te zijn. Wel was hun medegedeeld dat deze extrabeurt in mindering zou komen van het totaal aantal dagen, die zij in onbetaalden arbeid zouden moeten „wijden” aan het belang der eigenaars, maar zulk een belofte heeft geen de minste beteekenis voor den desaman. Er is immers niet één onder hen, die aanteekening houdt van zijn heerendienst-arbeid; en gesteld overigens dat iemand zijn rechten zou verdedigen, zijn klacht zou van geenerlei invloed zijn. En zoo was men sedert lang gewend geraakt aan een belasting van meer dan twee en vijftig dagen arbeids zonder loon in het jaar.

Toen Djiah dan thuis kwam, was haar vader nog niet terug. Eerst een uur later kwam hij. Niet dan na zes uur des namiddags hadden de heerendienstplichtigen mogen heengaan. Wel was dit in strijd met de bepalingen van het reglement op den heerendienstplicht, maar het reglement is er in hoofdzaak voor de eigenaren en er is geen voorbeeld van, dat een eigenaar gestraft is geworden wegens machtsmisbruik of knevelarij ... Dat gaat heel moeilijk in Indië.

Djiah kon daaraan niet helpen; zij zou aan het werk gaan in het pakhuis te Herea. Het had haar veel overredingskunst gekost Siman er toe te bewegen zijn toestemming te geven. Maar hij had ten slotte moeten zwichten voor het finantiëele argument. Djiah zou den kleinen Rekso meenemen. Zij was er zeker van dat zij den kleine wel bij zich zou kunnen houden. hier of daar in een hoekje van het pakhuis. Hij zou er rustig slapen. Lastig was hij niet, en op tijd zou hij zijn voedsel kunnen krijgen. Eens in de week zou Djiah thuis komen. Eerst had zij er over gedacht elken morgen naar Herea te gaan en ’s avonds weer naar huis terug te loopen. De kleine Rekso zou dan wel overdag onder de hoede van een der meisjes kunnen zijn. Maar van dit plan was zij toch teruggekomen: het zou op den duur te vermoeiend worden dag aan dag veertien paal af te leggen.

Den volgenden morgen ging Siman op weg, knorrig en met bitterheid in het gemoed. Zijn gereedschap, een patjol en een arit, moest hij zelf meenemen. Ook dit is in strijd met de strekking van het reglement ...

Pah Ran was uitgetogen naar het veld. De arbeid was zwaar, want de grond was droog en het was nu niet doenlijk om het water van de Tjikoentoel op de sawahs te krijgen. Djamin droeg daarom in een petroleumblik water aan, en Ipah plantte de boonen onder de bamboezen kruislatten, waarlangs het loof omhoog zou kunnen klimmen. Pah Rans patjol sloeg regelmatig in den harden kleigrond en maakte de groote kluiten stuk. Nu en dan keek hij op over het veld, dat nog uit de hand, met de patjol, bewerkt moest worden voor de djagong. Pah Ran zuchtte. In geen dagen zouden hij en Siman gereed zijn met dien arbeid. Gelukkig behoefde de bewerking niet intensief te zijn: maïs is een dankbare plant; maar te werken onder de heete stralen van den koperen zon, onder den wolkeloozen hemel, vorderde toch altijd nog inspanning genoeg.

Den morgen daarop ging Djiah naar Herea. Den kleinen Rekso had zij zich op den rug gebonden en een bundeltje kleeren was alle bagage voor de week, die zij afwezig zou zijn.

* * *

Dien middag stond de katjang in den grond. Djamin had in opdracht dagelijks den jongen aanplant te begieten. Hij behoefde de buffel niet meer te hoeden en had dus wat tijd. De kleine man deed het werk, dat hem toevertrouwd was, naar behooren en met een ernst, die besef verried van de noodzakelijkheid van zijn arbeid.

Dagen achtereen waren Siman en Pah Ran bezig met de bewerking van het djagong-veld. Een malsch regentje zou hun thans zeer te stade zijn gekomen, want de grond werd met den dag harder. De hemel bleef echter immer even strak. Geen wolkje beloofde water.

Toen kwam de groote heerendiensttijd voor Siman en Pah Ran, nog vòòrdat de djagong in den grond gebracht was. Ongelukkiger kon het al niet treffen en dus hadden zij getracht van den koewoe voorloopige vrijstelling te krijgen. Over veertien dagen bijvoorbeeld zouden zij zonder bezwaar kunnen uitkomen. Nu was het weliswaar mogelijk de diensten af te koopen, maar waar zouden zij het geld daarvoor vandaan gehaald hebben?

Den kleinen heerendienst, de senènan of krigan, afkoopen, zou desnoods nog gaan, maar zich vrij te maken van den grooten heerendienst, dien van een week arbeids aaneen, daartoe zou men rijk geweest moeten zijn, rijker althans dan Siman en Ran waren. En hun armoede was ook weer oorzaak, dat zij den koewoe niet hadden kunnen overhalen hen voorloopig vrij te stellen. Niet dat deze hun zoo kwaad gezind was, wel neen; maar het was zijn politiek doof te blijven voor een verzoek, dat niet gesteund kon worden door zilver. Hij, de koewoe, had het geheel in z’n hand de heerendienst-beurten der desalieden te wijzigen, indien slechts het aantal onbetaalde diensten niet minder werd. Maar het was in zijn eigen belang niet raadzaam een precedent te scheppen, dat die wijziging kon plaats hebben zonder dat hem de moeiten en kosten om daartoe verlof te krijgen van den opzichter werden vergoed. Natuurlijk wist ieder dat de opzichter er zich niet mede bemoeide en slechts naging of elke heerendienst-plichtige het door hem verschuldigde aantal diensten had verricht, maar—de schijn moest gered worden. Het moest niet kunnen gebeuren dat later klachten werden ingebracht tegen hem, den koewoe, over meten met verschillende maten. De getroffenen zouden tegen hem zijn.

Siman en Pah Ran konden dus aan den grooten heerendienst niet ontkomen. En met een bezwaard hart gingen zij op weg, erover piekerende dat de goede tijd voor den inbreng van de djagoeng voorbij ging, terwijl zij ten bate van de eigenaren onbetaalden arbeid verrichtten.

Zij zouden een week wegblijven, want de arbeid die hen wachtte, de herstelling van een grooten dam in het bosch, moest twee en twintig palen van hun woning verricht worden. Twee en twintig palen! Die afstand moest te voet afgelegd worden en dus behoorden zij reeds twee dagen te voren op weg te gaan, want om zes uur des morgens moest men op het werk zijn ... De reis heen en de reis terug, dat waren dus vier dagen, voor den veldarbeid verloren.

* * *

Het gezelschap, dat op weg ging naar Gending, waar de dam gelegen was, bestond uit achttien man, allen van Gatok. Een ploeg van twaalf desalieden van Tjikoedoeng voegde zich later op den dag bij hen. Ook die moesten naar Gending.

Den tweeden dag in den middag was men te bestemder plaatse. De paar uren voor zonsondergang werden besteed aan het opzetten van noodverblijven: een afdak van klapper- en bamboebladeren op een viertal bamboestijlen, een mat op den bodem, ziedaar het verblijf voor een week. Er heerschte geen prettige geest onder het volk. De gedachte aan het werk, dat thuis wachtte, drukte de stemming van de zestig man, die er waren, want ook van de desa’s Tjimanoek en Kalapa Aloes waren heerendienstplichtigen opgeroepen. Ook waren er een drietal mandoers om toezicht te houden. Sastrawidjaja was een hunner.

De omgeving werd flauw verlicht door eenige vuurtjes, waarboven een vischje werd gebraden. De onaangename, scherp doordringende geur van het zengende vleesch vulde de ruimte. Langzaam rees, als een bloedroode schijf, door een opening van het woud de maan boven de zwijgende vlakte.

„Het is nogal tijd om te zingen,” zeide hij verwijtend. De ander zweeg.

„Hoe bedoel je, Pah,” vroeg een ander angstig, „zal de padi mislukken?”

„Ik wilde geen profeet van het booze zijn, Boedin, maar als er geen regen komt om de aarde te drenken, zal de palawidja mislukken, nog meer dan andere jaren, en er zullen ziekten komen in de padi. Zooals van het jaar, was het nu zes oogsten geleden ook. En toen kwam er hongersnood.”

„U hebt dus zoo’n hongersnood bijgewoond, Pah?” Het was Siman, die de vraag deed. Iets onbestemds, onrustigs had zijn ziel bevangen.

„Acht maal, jonge man. Maar wie ben jij? Ik ken je nog niet. Ik zie dat je van de Pasoendan komt, is dat zoo?”

„Ja, wij kwamen van Soemedang, een jaar geleden.”

„Was het zoo slecht daarginds, dat je wegtrok?”

„Hier is het nog slechter, Pah.”

De oude keek hem aandachtig aan. Toen knikte hij goedkeurend.

„Hoe heet je?”

„Siman.”

„Nu luister, Siman: het wordt hier nog veel slechter. Je bent een vreemdeling. Als je raad noodig hebt, vraag dan naar Pah Asriep van Kalapa Aloes. Als ik nog niet dood ben, zal ik je helpen. Ik ben een oud man, en ik heb veel gezien. Mijn grootvader woonde reeds in Kalapa Aloes, voordat de compenie dit land verkocht.”

„Is dat lang geleden, Pah?”

„Heel lang, want mijn vader heeft het land niet meer vrij gekend. Hij heeft altijd tjoeké betaald, maar minder dan nu gevraagd wordt door de eigenaren.”

„Hoe was het vroeger met de heerendiensten?” vroeg Pah Ran, en wonder was het niet dat hij deze vraag deed, waar zij allen op dat oogenblik dubbel het drukkende gevoelden van die belasting in arbeid.

„Toen ik geboren werd, zoo heeft mijn vader verteld, waren er geen heerendiensten, maar ik zelf heb ze altijd gedaan. Dit land was verkocht, vrij van heerendienst, begrijp je; maar later hebben de eigenaren het recht om arbeid te eischen zonder betaling van de compenie gekocht. En nu maken zij er misbruik van.”

„Hoe zoo?” vroeg Pah Ran weer.

Er had zich een kring om den oude gevormd. Men was nieuwsgierig te vernemen wat hij vertellen zou. Het betrof hen allen; het betrof hun rechten, die, mocht men Pah Asriep gelooven, geschonden werden door de blanken. En waarom zou men hem niet gelooven? Hij was een der oudste ingezetenen; zijn vader en grootvader waren op dit land geboren, zij hadden er geleefd, zij waren er begraven. Zou hij dan niet recht van spreken hebben?

„Er bestaat een reglement,” begon de oude, „waarin onze rechten en onze verplichtingen worden bepaald. Toen de compenie dit land verkocht, heeft zij de opgezetenen niet willen prijsgeven aan den willekeur van de eigenaren; toen heeft zij een reglement gemaakt. Maar het is jammer dat men vergeet dat het reglement nog bestaat. De kandjeng assistent-resident te Telatiga kent het niet en als wij klagen, krijgt de eigenaar toch gelijk. En toch, wij zullen immers niet klagen als wij niet gelooven in ons recht te zijn?”

Eentonig was zijn stem, maar daardoor juist paste zij in deze omgeving van zwijgende natuur.

„Want zie, ik weet dat de eigenaren van ons mogen vorderen een dag arbeids zonder loon in de week; en zij mogen slechts arbeid eischen van hen, die reeds veertien jaren oud zijn. Zij, die reeds hun vijftigste bereikt hebben, behoeven geen heerendiensten meer te verrichten. Maar daar ziet ge Hariman slapen. Ik heb Hariman zien geboren worden; dat was kort na den voorlaatsten hongersnood. En dat is nu juist dertien oogsten geleden. De koewoe van Kalapa Aloes achtte hem sterk genoeg voor den heerendienst. En ik zelf, ik weet niet hoe oud ik ben, maar ik geloof dat ik ouder ben dan vijftig.”

Pah Asriep had gelijk: hij wàs ouder dan vijftig. Vertelde hij niet daarjuist, dat bij zijn geboorte op het land nog geen heerendienst werd geheven?

Toch was het reeds meer dan een halve eeuw geleden dat aan de eigenaren der beide landen het recht tot heffing dezer belasting werd geschonken.

„Maar dat is zoo erg niet. Erger is het als zieken worden gedwongen om werk te doen. Is niet Pah Markam bewusteloos neergevallen van de koorts, toen hij djattiboomen moest kappen in heerendienst? Erger ook is het wanneer nog meer van ons gevorderd wordt dan waartoe wij verplicht zijn. Dat maakt ontevreden, zonder dat men kan hopen op wijziging van den toestand. En er wordt te veel werk onbetaald verricht. Geschiedt niet alles tegenwoordig in heerendienst? Worden niet bosschen geveld en landstreken ontgonnen in heerendienst; is niet de zienderan van Goenoeng Lawang gebouwd door onbetaalde arbeiders? Worden niet de rijstzakken geleverd zonder billijke vergoeding; en is het nieuwe huisraad van den administrateur niet van Telatiga aangebracht, gedragen door werkvolk, dat geen belooning ontving? En zijn ook niet zonder loon gebleven de lieden van Tjikoedoeng, die mooie metselsteenen leverden voor het pakhuis te Herea? Neen, waarlijk, er wordt te veel werk ondernomen door de eigenaren en de handen schieten te kort.”

„Maar,” waagde Karsiman, een der mandoers, op te merken, „ge vergeet, Pah Asriep, dat vroeger veel minder heerendiensten werden gevorderd dan thans ...”

„Zoo zegt men, Karsiman; inderdaad, zoo wordt gezegd. Ik weet daar meer van dan gij, die de eigenaren verdedigt ...”

„Ik verdedig niemand, maar ge moet billijk zijn in uw oordeel ...”

„Ei, het treft mij, jonge man, dat gij mij dit zegt. In den dienst der blanken is billijkheid een slechte eigenschap. Gij kent zeker nog de jonge vrouw van Djaja van Tji Empoek, van Djaja, die verpletterd werd onder een vallenden boom? Ook zij zal uw billijkheid ongetwijfeld roemen.”

Karsiman was een oogenblik bleek geworden. Hij had zich gaarne op den oude geworpen en dezen getuchtigd voor zijn woorden. Maar moedig was hij niet, en in deze omgeving vooral zou hij zijn daad hebben moeten boeten. Pah Asriep zou kunnen rekenen op die allen om hem heen. Hun bewondering voor den ouden man hield gelijken tred met den afkeer, dien Karsiman hun inboezemde; ook al wisten de meesten niet waarop de grijsaard doelde, zij beseften dat de mandoer openlijk van een schurkenstreek werd beschuldigd en zij waren dadelijk bereid de partij te kiezen van den beschuldiger.

Karsiman beheerschte zich. Hij wilde zijn figuur redden; de meesten toch wisten niet ...

„Mijn schuld was het niet. Ik moest doen, wat ik deed.”

„Djaja’s vrouw is nu ook dood, Karsiman. Zij heeft zelfmoord gepleegd, in een vlaag van waanzin, toen zij een blind kind ter wereld had gebracht, en er geen korrel padi meer was in huis. Jij, Karsiman, jij hebt haar de laatste padi ontnomen ...”

„Dat is gelogen,” riep Karsiman.

„Gij weet dat ik nooit lieg, Karsiman,” hernam de grijsaard, tergend kalm.

Er ontstond eenig gemor en geschuifel onder de aanwezigen. Sastrawidjaja trok Karsiman achteruit. „Ga maar weg,” fluisterde hij den ander toe. „Ziet ge niet dat de oude kwaad wil?”

„Ik heb het vroeger weinig anders gekend,” vervolgde Pah Asriep na een wijle. „Er zijn tijden geweest, dat is zoo, dat de honderdduizenden dagdiensten niet gebruikt konden worden door de beheerders, omdat er geen werk was. En de registers zouden kunnen aantoonen, zegt men, dat nog geen vierde gedeelte der diensten werden gevorderd, en dat men gemiddeld slechts dertien dagen in het jaar uitkwam. Maar ik ben te oud om mij hierdoor te laten beetnemen en ik durf verklaren, dat dit slechts schijn is, en dat die schijn opzettelijk werd gewekt. Maar dan nog: gesteld al dat het vroeger beter was, wat helpt dit ons thans? Moeten wij niet gedurende een week uitkomen, met de belofte de volgende zes weken vrij te zijn? En zijn wij vrij? Of wordt niet, als deze week voorbij is, de kleine heerendienst van ons gevorderd? Moeten wij niet geregeld zes tot zeven maanden eens in de week dienst doen in senènan of krigan? En wie uwer heeft het wel eens nagerekend, hoeveel arbeid u aldus onbetaald wordt opgelegd, welken wij niet verplicht zijn te verrichten? Wie uwer kent voorts de bepalingen van het reglement zoo goed, dat hij zal kunnen protesteeren tegen werkzaamheden, welke uitdrukkelijk zijn verboden?”

„Behoeven wij dan niet alles te doen wat ons wordt opgedragen?” vroeg er een.

„Neen, dat behoeven wij niet. Maar gewoonlijk gelooft men mij niet als ik dit zeg. Ik ben oud en wel kan ik lezen, maar de goede menschen hebben gelijk voorzichtig te zijn. Want klagen doet de klagers kwaad.”

„En welke werken behoeven wij dan niet te doen?”

„Het is gemakkelijker op te noemen, waartoe wij wèl verplicht zijn. Het reglement zegt dat de eigenaren gerechtigd zijn ons wegen te laten herstellen in heerendienst, als dit noodig is, waterleidingen te graven, of te herstellen, gras te snijden, grond om te ploegen, wacht te doen. En niets meer.”

„Dus wij behoeven geen hout te hakken, geen steenen te bakken, geen woningen te bouwen, geen water te dragen, geen brieven te vervoeren ...?”

„Niets van dat alles. Dat is alles uitdrukkelijk verboden.”

„Maar het gebeurt toch!”

„Natuurlijk.”

„Neen, mijn jongen, dat hadt je niet. Want het geeft je slechts soesah. Je wordt opgepakt en voor de rol gestraft wegens dienstweigering. En er wordt niet bijgezegd, welken dienst je weigerde te verrichten. Maar verboden is het ontginnen van gronden, dat weet ik.”

„En wij dan, Pah, die het nieuwe pakhuis te Herea hebben moeten helpen bouwen?”

„Ook dat is verboden, Siman.”

„Wij hebben moeten werken in het pakhuis bij de bereiding van de tjoeké-rijst ...”

„Dat was onrechtmatig, want het is verboden.”

„Het is verboden.”

„Ook dat wij, lieden van Tjikoedoeng, gansch in het zuiden, bij Pondok Boeroeng, djatti-boomen hebben geveld, drie en dertig palen ver? Wij hebben de balken moeten transporteeren tot Dojang toe. Vandaar hebben andere heerendienstplichtigen voor het transport zorg gedragen.”

„Zeker, ook dat is verboden. Maar de kandjeng assistent-resident tracht aan dit houttransport een einde te maken, wat hem niet gelukt. Er is nog veel, heel veel, dat verricht wordt in onbetaalden arbeid, en niet verricht mag worden. Werkzaamheden in de huizen der blanken, hoeden van vee, overbrengen van boodschappen, transporten, verzorging van plantsoenen, alles, alles geschiedt in onbetaalden arbeid.”

„Maar, Pah, is het dan niet verboden dat wij hier, in het bosch, een week worden aangehouden voor de herstelling van den dam?”

„Dus toch geen heerendienst?”

„Neen, ik zeg het verkeerd. De eigenaar is verplicht om ons twee cents per paal te betalen voor elke paal meer dan vijf, die wij af te leggen hebben van onze desa.”

„Wij hebben dus recht op vier en dertig cents ...”

„Ja, voor elken dag werk.”

„Ook voor de vier dagen dat wij onderweg zijn?”

„Neen; maar dat zit anders. De tijd, dien wij noodig hebben om op het werk te komen, moet in den duur van den arbeid begrepen zijn. En zoo komt het toch op hetzelfde neer.”

„Maar wij, van Gatok en Tjikoedoeng, zijn vier dagen kwijt met reizen en toch moeten wij hier zeven dagen blijven ...”

„Och, mijn jongen, het is nog erger dan je denkt. Wij krijgen geen cent vergoed, wij hebben onkosten onderweg, wij hebben slecht eten, een kattie rijst per hoofd. Wat doen wij daarmede zonder ingrediënten? Het reglement spreekt van „behoorlijke voeding”. Is daaruit iets anders te verstaan, dan dat de eigenaar den menschen, die, in zijn dienst, niet voor hun eigen voedsel kunnen zorgen, dit voedsel moet verstrekken, dat is dus niet droge rijst alleen?”

„Toen wij werden opgeroepen, Pah, hebben wij den koewoe verzocht om uitstel, omdat de djagong nog niet in den grond was, maar de koewoe heeft geweigerd ...”

„Ja, Siman, ze durven veel. En het zijn de koewoe’s, de mantri’s, de mandoers, die eigenlijk nog grooter vijanden van ons zijn. Want zij kennen beter dan de blanken onze zorgen. Maar zij allen, allen zijn omkoopbaar; zij allen zuigen ons mede uit, alsof het niet genoeg is dat wij ons zweet en bloed moeten geven aan hen, die blanker van huid zijn dan wij. Jullie hadt het recht, het recht, versta-je wel, om te weigeren een week heerendienst te verrichten.”

„Waarlijk?”

„Zeker, dat weet ik heel, heel beslist. Het reglement zegt dat wij van elke week zes volle dagen voor ons zelf moeten hebben.”

„En dus ...”

„Dus moet je zwijgen en dulden, want dat recht is er alleen op het papier. Dus moet je elf dagen verzuimen vòòr je de djagong in den grond kunt brengen.”

„Maar—het kan in dien tijd te laat zijn.”

„Dan moet je zwijgen en dulden. Allah wil het, dat het bruine volk wordt verdrukt.”

Hij zweeg, de armen gekruist om de opgetrokken knieën.

Toen voer hij plotseling uit, en er flikkerde een grimmige gloed in zijn grauwe oogen:

„Maar er is een middel om onze soesah te vergeten: opium. Dat kun je krijgen bij Tio Ang Sioe, den zoon van den landheer, te Gatok. Die voert het openlijk binnen. Verslaaf-je aan opium! En dan, Siman, dan ...” hij fluisterde: „is er nog een ander middel. Maar dat mag ik je niet leeren.—Neen, neen, vraag niet.—Later, later misschien ... Wel te rusten.”

Velen dier slaven peinsden dien nacht nog langen tijd over al wat zij van den oude gehoord hadden. Het kwam hun voor als iets hèèl vreemds en ’t was toch iets heel gewoons ...

* * *

Drie dagen later kwam Van Affelen op het werk kijken. Met de bendy was hij tot Dojang gekomen, na onderweg verspannen te hebben. Te Dojang was een rijpaard gestationeerd, waarmede de opzichter te Gendeng was gekomen. Van Affelen was in het geheel niet tevreden over het werk; hij vloekte op het volk, schold het voor lui, wijl de arbeid niet opschoot; gaf op ruwen toon bevelen. De mandoers hadden een mauvaise quart d’ heure. Erkend moet worden dat er voor Van Affelen reden was tot ontstemming. Inderdaad, het volk had nog weinig gedaan en Van Affelen meende daarin bewijs te zien voor zijn stelling, dat de Javaan lui en traag is. Hij vergat dat het onlogisch was, werklust en ijver te verwachten van onbetaalde arbeiders. Bij een groot deel van dezen droeg bovendien het zaad, door Pah Asriep in hun geest gestrooid, rijpe vrucht. Zij waren ontevreden en Siman hoorde, meer dan hij tot dusver had opgemerkt in zijn omgeving, lucht geven aan opgekropte bitterheid van gemoed. Avond aan avond zat men om den oude heen, luisterende naar zijn verhalen over den hongersnood, over de knevelarijen en afpersingen, waaraan zich, volgens zijn bewering, de landeigenaren schuldig maakten. Waarschijnlijk zou Pah Asriep niet alles hebben kunnen verantwoorden, maar met voordacht loog hij niet. Wat hij zeide, droeg het kenmerk uit diepe overtuiging voort te komen. En de anderen dachten er niet aan te twijfelen aan de waarheid van zijn woorden. Zij lieten zich medevoeren door hun eigen gedachten en deze waren niet van dien aard, dat de beheerders der landen gerust geweest zouden zijn, als zij den geest, die onder hen heerschte, gekend hadden.

Van Affelen leefde niet genoeg mede met het volk om zich de veranderde stemming te kunnen verklaren. Hij schreef den onwil, de traagheid, die welhaast op lijdelijk verzet begon te lijken, toe aan de impopulariteit van den arbeid en meende met gestrengheid dien ongewenschten geest te kunnen verdrijven. Met geen ander gevolg dan dat de ontstemming groeide. Zelfs werd hier en daar, zij het niet luide, gemord. Voordat Van Affelen dien namiddag vertrok, liet hij Pah Asriep bij zich komen. Hij berispte den oude over zijn gedrag: hij als oudste diende de anderen ten voorbeeld te zijn, in plaats van hen aan te sporen tot verzet. Hij wenschte daar niet meer van te hooren en zou tot andere maatregelen moeten overgaan, als er weer klachten bij hem binnenkwamen.

De grijsaard had zijn oogen niet neergeslagen bij Van Affelen’s met vloeken gekruide toespraak. Hij had niets geantwoord, en den blanke slechts vast in de oogen gezien. Die blik hinderde Van Affelen en het irriteerde hem dat de andere werklieden de gereedschappen lieten rusten en het gesprek aandachtig volgden, geen gehoor gevende aan de aansporing tot voortwerken van de mandoers.

„Kun je niet antwoorden, verdomme!” snauwde hij Pah Asriep toe.

„Ik ben over de vijftig jaar, en Hariman hier is nog geen veertien; wij behoeven geen heerendienst te verrichten,” was het rustige antwoord.

Van Affelen keek vreemd op; dit antwoord had hij zeker niet verwacht en het trof hem dat de oude zoo’n rechtstreeksche beschuldiging waagde uit te spreken.

Een antwoord had hij niet dadelijk gereed en hij ontweek daarom de beschuldiging met een common place: hij zou het onderzoeken. Toen reed hij weg.

Sastrawidjaja trad op Karsiman toe.

„Ik geloof dat je beter zult doen,” zeide hij, „vandaag je rietje niet bij je te hebben. Het volk is onrustig. Geef geen aanleiding tot verzet.”

Het was een verstandige raad, dien Karsiman opvolgde. Hij had steeds een fijn rottinkje bij zich, niet om er mede te slaan, maar meer als een distinctief van het mandoerschap.

Den avond van dien dag zat men weer laat bijéén. Van den weinigen arbeid was men niet moede en in de onrustige stemming zocht men afleiding in gesprek.

Boedin was het, die over de vrijwillige overeenkomsten begon te spreken. Hij verklaarde die voor den volgenden oogst niet te zullen teekenen en hij vond steun bij verscheidene anderen.

„Ik zal het ook niet doen,” zeide Pah Asriep, „maar veel zal het ons niet geven, want op andere wijze zal men ons wel weten te knijpen.”

„Maar toch, met het oog op een te verwachten slechten oogst, moeten wij padi leveren,” meende Pah Ran, „want dan kan ons niet alleen de goede rijst worden ontnomen. Dan moeten de eigenaren ook de mindere soorten ontvangen.”

„Dat is zoo; keuring in het pakhuis wordt dan niet doenlijk.”

„Maar dan moeten wij ook geen taxatie aannemen.”

„Natuurlijk niet. Van elke vijf bossen één voor den landheer.”

„Er is nog een voordeel bij padi-levering,” merkte Lontor op, „de indroging. Vroeger moesten wij dat nadeel dragen.”

„Dacht je dat de landheer dat niet kan voorkomen?” wierp Pah Asriep tegen. „En wat dan, wanneer hij de padi liet wegen, dadelijk na den snit, en bepaalde dat ze binnen twaalf uur in het pakhuis moest zijn bezorgd? Dat zou voor tal van desa’s onmogelijk zijn en dan, in het pakhuis kan men immers met verzwaard gewicht wegen ...”

„Dat is zoo. Ons grootste voordeel bij padi-levering is, dat wij de rijstkeuring ontwijken.”

„Ja, en het stamploon niet behoeven te betalen.”

„En het gewicht van de stelen bij den snit zal dan niet in ons nadeel bij het padi-gewicht komen.”

„Ook behoeven wij dan geen veertig katties rijst te verstampen uit één picol natte padi.”

„En als de korrel zwak is, of de rijst geel, zoodat wij geen witte tjoeké-rijst kunnen leveren van het vijfde gedeelte gebroken korrel, zullen wij geen goede rijst behoeven te koopen uit den verkoop van onze mindere soorten.”

„De tjoeké-rijst kost drie rijksdaalders en meer.”

„En de gewone rijst maar vier gulden en een kwartje de picol.”

„Maar als er misoogst komt, en wij toch niets missen kunnen, zouden wij toch de tjoeké moeten opbrengen.”

„En nu dan?”

„Nu zegt de overeenkomst, dat wij bij misoogst geen tjoeké behoeven op te brengen.”

„Alsof dat waar is! Ik heb van het jaar nog tjoeké moeten betalen van een sawah, die nauw veertien picols opbracht.”

„En wij hebben tjoeké moeten opbrengen, berekend tegen dertig picols, terwijl het beschot op nog geen twee en twintig uitviel. En vermindering hebben wij niet gehad.”

„Ja, het zijn leugens in het contract.”

„Ik teeken niet meer.”

„Ik ook niet.”

„Wij evenmin.”

„En ik zal voortaan padi leveren.”

„Ja, zonder taxatie.”

„Ja, wij ook.”

„Wij ook.”

Er kwam eenige opwinding. De lieden spraken luide en de mandoers knoopten in hun oor wat zij hoorden. Het was noodig den opzichter te waarschuwen.

„Wij moeten zooveel mogelijk de menschen overhalen om geen rijst meer te leveren,” stelde er een voor.

Dit denkbeeld vond steun. Hoe algemeener de beweging, hoe meer kans van slagen, oordeelde men.

* * *

Na een week gingen de heerendienstplichtigen huiswaarts; zij werden door andere ploegen werkvolk vervangen.

Het bleef droog.

Het bleef droog. De setoes droogden in tot zwart-waterige poelen, waaruit de gassen in bellen ontweken. Zelfs de kikkers hadden zich uit deze schadelijke omgeving verwijderd. Alleen de mensch ging voort met het inademen der miasmen ...

Het bleef droog. En de koortsen kwamen. In lichten graad eerst, sporadisch. Toen meer, in verschillende desa’s. De eerste slachtoffers werden ten grave gedragen. Op de opzichters-standplaatsen werd kinine verstrekt. Maar in de meeste desa’s dacht men niet aan het inroepen van hulp. En de ziekte werd kwaadaardig en sloeg over naar den buik, als typheuse koorts. De sterfte werd grooter, voornamelijk onder de kinderen. De kindersterfte is altijd groot, elk jaar, op de particuliere landen Alas Bamboe en Telatiga. Maar dit jaar begon zij de aandacht der beheerders te trekken. Die van Telatiga vestigde op zijn beurt de aandacht van de hoofdadministratie te Batavia, de firma Biederman en Van Lochem, op de kwestie: „Er is een verminderde toename van de bevolking te constateeren,” schreef hij voorzichtig, bedoelende: afname. „Het percentage kinderen is buitengewoon gering. Van de ruim 154.000 opgezetenen der beide landen te zamen, zijn ruim 74000 of 48 % van de mannelijke kunne. Er is doorloopend ruime kindersterfte. Van daar het hooge percentage mannen.”

De hoofdadministratie te Batavia ging dadelijk op het voorstel in: na twee maanden ongeveer werd er voor korten tijd, tijdelijk, één dokter djawa op Telatiga gedetacheerd.

Van Alas Bamboe kwamen geen voorstellen tot verstrekking van geneeskundige hulp, al zou die dan, als op Telatiga, bestaan in één tijdelijken dokter-djawa voor tachtig duizend opgezetenen. De administrateur van Alas Bamboe stelde niets voor, de hoofdadministratie van dit land te Batavia, de Nederlandsch-Indische Commercieele Bank vroeg naar niets, zoolang er tjoekérijst werd opgebracht.

Ook de desa Gatok was niet gespaard. De dood had bij menigeen aangeklopt en op het kleine kerkhofje waren er vele houten paaltjes bijgekomen; meest op korten afstand van elkaar: het waren meest kinderen, die als offers vielen.

Toch was het eigenlijk een uitkomst, dat ze heengegaan waren, de kleintjes. Er waren nu weer twee monden minder te voeden ....

* * *

De droogte hield nog steeds aan; nu reeds maanden lang. Bijna allerwege was de palawidja mislukt.

Ook de katjang van Siman en Pah Ran was geheel ten gronde gegaan. Men had den geheelen aanplant aan de rupsen prijsgegeven. De djagong was nauwelijks het oogsten waard. De arbeid zou niet loonend zijn. Toch moest het gebeuren, want de velden moesten gereed gemaakt worden voor de padi.

„Wij moeten de sawahs bebouwen,” antwoordde Pah Ran, „wij móeten. De landheer heeft te veel kwassa. Hij zou ons zeker het land afzetten.”

Pah Ran had volkomen gelijk. Al kon hij niet weten dat de wet den landeigenaar in bescherming neemt tegen „kwaadwillige” erfpachters, hij vermoedde het.

En inderdaad, artikel 5 van het reglement op de particuliere landerijen bedreigt den erfpachter, die zijn velden braak laat liggen, met verkoop van zijn erfpachtsrecht. En is dit geschied, dan geeft artikel 22 van dat reglement den eigenaar de macht den van zijn rechten beroofden pachter het land af te zetten.

En waar zouden zij heen moeten, als dat gebeurde, nu hun kleine vermogen uit den verkoop van den buffel was ingeteerd door ziekten en begrafenis? ...

* * *

Het was in dezen tijd ongeveer dat uit Telatiga berichten kwamen over een weigering van heerendienstplichtigen om onbetaalden arbeid te verrichten of de diensten af te koopen. Te Gatok kreeg men niet dan een onjuist beeld van de verwikkelingen, die met levendige belangstelling worden gevolgd. Overdreven verhalen van een botsing tusschen volk en opzichters hadden een ongewone spanning veroorzaakt. Men gevoelde dat de strijd, die ginds gevoerd werd, beslissend was voor allen. Aller belang werd daarginds op Telatiga behartigd door de weigeraars. En zooveel solidariteitsgevoel was er bij de lieden nog wel, dat men op middelen peinsde om die voorvechters ginds te steunen. Maar hoe?

De eerste regenbuien waren gevallen.

Met nieuwe hoop had men de velden omgeploegd, en wie geen buffels bezat, had met de patjol den grond omgespit. Thans moest een weekje nog gewacht worden, om den bodem tot uitzuren gelegenheid te geven: dan zouden de vrouwen kunnen beginnen met planten.

Siman was reeds naar Bodjong Kawoeng geweest om de bestelde zaadpadi af te halen. Die lag thans in huis, wachtende op het oogenblik dat zij getuigenis zou moeten afleggen van haar kiemkracht.

Er kwam weer nieuwe moed in de harten van velen. Och, een inlander is zoo zorgeloos, en het leed is gauw vergeten bij blijder toekomst. Ipah was ten huwelijk gevraagd, ja waarlijk, het leelijke, pokdalige meisje had nog vóór de mooie Mariam een vrijer gevonden, die het ernstig meende. Hij was een eenvoudige landman, niet jong meer, en weduwnaar. Maar hij had toch goed begrepen dat Ipah, het ijverige huismoedertje, een betere vrouw zou zijn dan haar mooie zuster. Pah Ijang, zoo heette hij, had een kleine sawah en wat vee. Schitterend was de partij voor Ipah niet, maar zij had geen pretenties en had hem dankbaar aangenomen, beseffende dat het toch de roeping der vrouw is, gehuwd en moeder te zijn. Na den oogst zouden zij trouwen; van den adat wilde zij niet afwijken.

Op zekeren avond werd Siman door een zeer onverwachten bezoeker verrast: Pah Asriep stond voor hem.

„He, Pah, dat doet mij pleizier,” zeide Siman, die den oude vaak in vriendelijkheid had herdacht, na de week van gemeenschappelijken arbeid te Gending.

„Ja, het doet ook mij pleizier dat ik je weer zie, Siman, en toch is het geen aangename taak, die me hier in Gatok brengt, en nog verder.”

„Hoe zoo?” vroeg de ander belangstellend.

„Ik ga door naar Telatiga, en hierlangs komende, wilde ik je komen begroeten. Men heeft mij dadelijk je woning gewezen. Maar ik dacht, dat je getrouwd waart?”

„Dat is ook zoo, Pah, maar mijn vrouw werkt te Herea in het pakhuis,” antwoordde Siman en een sombere trek kwam even over zijn gezicht. „Er is geen geld genoeg en nu is zij aan het werk. Eens in de week komt ze thuis met de verdienste. Ze krijgt nu tien centen daags.”

„Zoo. En hoe staat het hier bij jullie in Gatok?”

„Niet goed, Pah, niet goed. De palawidja—je hebt het wel voorspeld—is geheel mislukt door de droogte. Over een paar dagen moet de padi in den grond. En gij, Pah, waarvoor ga je eigenlijk naar Telatiga?”

„Ik wilde den kandjeng assistent-resident spreken, mijn jongen; ik wil klagen, al geloof ik zelf niet dat het wat helpen zal.”

„Klagen, waarover? Over de heerendiensten?”

„Niet zoozeer daarover. Ik voorzie moeilijkheden met de levering van de tjoeké in padi, begrijp je. Ik heb een groote sawah, Siman, bijna drie bahoes. Grootvader had nog een veel grooter stuk, maar wij hebben in de hongerjaren telkens wat moeten verkoopen. En de landheer kan vooral de rijkeren veel kwaad doen. Toch wil ik geen rijst meer leveren. En dan wilde ik ook klagen over de heerendiensten.”

„Je hebt natuurlijk ook gehoord van de lieden van Telatiga, die geweigerd hebben?”

„Ja, zeker, en nu geloof ik dat het een geschikte tijd is om te klagen. Er zijn nog twee anderen uit Kalapa Aloes, die met mij meegaan. Zij zijn nu bij een kennis hier te Gatok.”

„Ik zou wel lust hebben om mee te gaan.” Siman gevoelde waarlijk de lust bij zich opkomen den assistent-resident zijn grieven voor te leggen.

Hij was naïef genoeg te gelooven dat de bestuursambtenaar slechts zijn grieven had te kennen om ze weg te nemen. Aan zijn goeden wil twijfelde Siman niet; hij was onbekend met de werkelijke toestanden.

„Doe dat,” spoorde Pah Asriep hem aan, „je kunt hier nu toch gemist worden. En hoe meer menschen klagen, hoe beter voor allen.”

Pah Asriep bleef dien nacht in Simans woning over. Den volgenden dag toog Siman met hem en de twee desagenooten mede naar Telatiga; Pah Ran zou het werk tehuis wel alleen afkunnen. Voor eenige maanden was men nu toch van den heerendienst af.

Het was een lange reis, naar de hoofdplaats. Drie dagen was men onderweg. Siman kwam in een geheel vreemde omgeving. Telatiga is wel een binnenplaatsje, maar toch bood de kota in dezen tijd van het jaar nog een levendigen aanblik. Groote prauwen, beladen met zakken fijne export-rijst, lagen op de rivier, wachtende op het oogenblik van vertrek naar zee, ruim twaalf paal de rivier af, waar de stoomschepen bleven liggen. Siman kon zich niet voorstellen, hoe groot die schepen toch wel waren, dat zij de groote Tji Boeroeng, die toch zoo diep en zoo breed was, niet konden opvaren. En zoo was er veel vreemds om hem heen. Hij zag Chineezen en Europeanen toezicht houden op den afscheep der rijst. En telkens als een der prauwen volgeladen was, maakte zij plaats voor een andere. Het was allemaal rijst die verscheept werd, witte, grofkorrelige tjoeké-rijst, de eene zak na den ander. Wat werd er toch een massa opgebracht door de bevolking, overdacht Siman. Waar bleef die rijst allemaal? Ging alles naar Batavia? Waar lag Batavia eigenlijk? En was Batavia ook zoo groot als Telatiga?

Dergelijke vragen deed hij aan een der politie-oppassers, die bij de inlading toezicht hield en dien hij met zekeren schroom voor de mooie uniform genaderd was. De oppasser lachte hem uit over zijn domheid. Batavia was wel duizendmaal zoo groot als Telatiga, zeide hij, en er waren heel veel soldaten, en ook was er veel politie; aldus trachtende een beeld op te hangen van Nederlands koloniale grootheid.

„Sapekan? waar ligt dat?” vroeg Siman.

„Aan de overzij van de rivier; op het land Telatiga.”

Dat was een verrassing voor Siman en de anderen. Wat, het waren dus geen inlanders, die den heerendienst weigerden, maar Arabieren? Dat was een tegenvaller.

„Hebben alleen Arabieren geweigerd?” vroeg Siman.

„Neen, ook een hoop Chineezen, en ook inlanders, maar de Arabieren zijn met de beweging begonnen. Ze hebben een request gestuurd aan den toean besar te Bogor,” vervolgde de oppasser gewichtig; maar hiervan begrepen zijn toehoorders niet veel.

Op dit oogenblik ging de deur van het kantoor open en traden een twintigtal druk pratende en gesticuleerende zonen Hadramants naar buiten. Zij waren in opgewonden stemming en uit de gesprekken was wel op te maken, dat zij zich in het geheel niet voldaan gevoelden over het optreden van den assistent-resident.

De deur sloot zich weer achter de Arabieren.

Pah Asriep en de zijner wachtten weder.

Uit de kamer klonk het zwak geluid van een drukschel.

De politieoppasser stond op met een geeuw van het bankje en haastte zich naar binnen.

Een oogenblik later verscheen hij weer en kwam op de wachtende inlanders af.

„Vanwaar komen jullie?” vroeg hij.

„Van Alas Bamboe.”

„Wat voor een perkara hebben jullie?”

„Het is geen perkara, kang; wij willen den kandjeng toean assistent-resident spreken.”

„Waarover?”

De anderen zwegen. Het zou onvoorzichtig zijn te veel te zeggen. Wat had de vrager te maken met de reden hunner komst?

De oppasser begreep. Hij ging naar binnen, maar verscheen weer spoedig.

„Kandjeng toean assistent-resident laat zeggen dat hij vandaag geen tijd heeft. Komt morgen terug.”

Nieuwe teleurstelling.

„Het zal niet gaan, beste menschen. Nu is er politierol.”

„Maar daarna dan?” drong Siman.

„Daarna, daarna? Die rol duurt zeker wel een uur vandaag, er zijn veel zaken. Nu, dan is het al over éénen.”

„Wij kunnen wel zoolang wachten.”

„Ja, maar na de rol gaat de kandjeng toean naar huis om te eten; en daarna komt hij niet meer op kantoor ...”

Het schelletje klonk weer en de oppasser ijlde heen.

De vier inlanders gingen moedeloos heen. Buiten gekomen, zagen zij een oploop van volk; mannen, vrouwen en kinderen, vele Chineezen, enkele Arabieren stonden voor een gesloten deur te wachten, waarboven op een plankje te lezen stond: POLITIE.

„Wat zou er gebeurd zijn?”

Op dit oogenblik ging de deur open en de gevangenen werden door de politieoppassers naar binnen geduwd. Hen volgden een twintigtal andere lieden uit de menigte, de overigen bleven buiten.

„Wat gebeurt daar?” vroeg Pah Asriep aan een man van zekeren leeftijd, terwijl hij met zijn duim naar de deur wees.

„Dat is de politierol.”

„Welneen, hoe denk je dat zoo?”

„Ik zag acht menschen, gebonden en bewaakt door de politie.”

„O, als er iemand vermoord was, zouden de moordenaars niet gebonden worden.” De schampere toon van den spreker moest wel opvallen.

„Ik begrijp niet goed,” begon Pah Asriep weer. „Ik ben hier vreemd, weet je ...”

„Het zijn menschen van Waroe Lima, die den garok geweigerd hebben, den heerendienst.”

Het troepje verschrok.

„En worden die menschen zoo behandeld?”

„Ja, je ziet het.”

„Maar Waroe Lima is immers een district van het land Telatiga ...?”

„Zeker, hoezoo?”

„De landheer heeft toch geen kwassa om de menschen zoo te behandelen?”

Pah Asriep meende een oogenblik dat de ander een loopje met hem nam; maar dit was het geval niet, wat uit de gesprekken bleek, die de vier opvingen.

Nabij de deur stond een netgekleede Chinees. Hij maakte den indruk van een welvarend burgerman. Vrij gezet en glad geschoren, de haarvlecht net onderhouden, was hij het type van den well-to-do Chineeschen tokohouder in Indië. Hij had schoenen aan, en een grijs pakje over de wijde kabaja. Het was Tan Boen Ho, de bekende rijsthandelaar van Telatiga, die de bevolking voorschot op den oogst geeft en haar helpt, al is zijn handel berekend op grove winst.

Een andere Chinees sprak hem aan.

„Ach ja, mijn broer Ing Kiok, je kent hem wel, van Waroe Lima, is een van de opgebrachten. Hij heeft altijd van zulke zaakjes. Hij is veel te onrustig, veel te onrustig. Hij wordt nooit een goed handelaar. Ik heb hem geplaatst te Waroe Lima om rijst op te koopen. En wat doet hij? Hij weigert de bevelen op te volgen van den landheer. Hij doet mee met zijn kornuiten; hij is weerspannig en toen is hij opgeroepen voor de rol. Maar natuurlijk niet gekomen. Nu hebben ze hem gehaald. Het geeft allemaal maar soesah. De tijden zijn toch al slecht. Ik heb veel voorschot gegeven en de oogst wordt slecht. Pas op, wat ik je zeg: de oogst wordt slecht. Als ze niet heelemaal mislukt. Ing Kiok is nog te jong. Ik had hem nog wat thuis moeten houden.”

Notes in this chapter

Note 1 · „Halo, Soerja, toean besar doeloe!132” stoof Van Affelen op.Note 2 · „Och, leg nu niet te hannessen,” riep De Leeuw. „Allo vooruit. Kom maar met den wijn. ’t Is wat moois, er staat, potdori, nog niks op tafel.Note 3 · Erg vlotte het gesprek niet meer. Zevenaer, die anders luidruchtig genoeg was, had de stemming verloren. En toen Nederman in zijn bendy134 wNote 4 · „Wel, hij geeft jou minder op dan hij bij de bevolking opschrijft, bij de tani’s135 namelijk die van de lastige weging op het land afzien. NNote 5 · „Jawel, jawel dat is prachtig, maar jij drijft de goedheid wel wat ver,” meende Zevenaer. „En nu ben ik wel geen volkskenner, maar dat weet Note 6 · „Geloof me,” zeide hij, een rookwolk uitpuffend, „de boel is hier rot, ínrot. ’t Bestuur bemoeit er zich niet mee. Komen de lui klagen, ze wNote 7 · „Daar op Buitenzorg geven ze hormatcirculaires138 uit en proclamaties tegen de concubientjes. Dat laatste is vooral prachtig. De linkerhandjNote 8 · „Nou ben je toch verbazend kortzichtig, Affelen. In dergelijke dingen bestaat geen theorie, dat laat zich toch begrijpen, hé? Je betaalt of Note 9 · „Bewerking twee honderd vijftig roeden à vijf en twintig cent voor de tien maakt zes gulden en een kwartje. Aankoop zaadpadi, een halve picoNote 10 · „Je kunt om den adat lachen of spotten; je vroeg om practijk. Nou, ik geef je practijk. Volgt draagloon naar de loemboeng143 acht gobangs144Note 11 · „Ah ja, natuurlijk, veertien gulden zes en zeventig. Djakat145 een tiende is drie en veertig kattie, dat maakt twee gulden zestien. In totaaNote 12 · De Leeuw sloeg met de vuist op de tafel. Toen, als om nare gedachten te verdrijven, stond hij op, rekte zich uit en zeide: „Kom, Zevenaer heNote 13 · „Prachtig, maar ik verkies in het leven te blijven, met of zonder gemoraliseer,—Soerja, pasang lampoe!147—De schemering maakt je tot een morNote 14 · „Laat Djiëm halen,” zeide hij, „en zeg haar dat zij dit geld kan krijgen en nog meer, als ze huishoudster hier op de zienderan148 wil wordenNote 15 · Drie dagen later was Djiëm als njai geïnstalleerd. Zij was een ferme deern met een brutalen oogopslag, die er haar toean wel onder zou krijgNote 16 · „Vader is stervende,” hijgde hij fluisterend, „de tjilepoek150 heeft al tweemaal geroepen.”Note 17 · „Jullie moet weg van Alas Bamboe. Hier is tjilaka151 ...” waren zijn laatste woorden. In een hevige bloedgolf bleef hij. Toen begonnen de vrNote 18 · De penghoeloe was er al vroeg geweest; na hem kwamen de klaagvrouwen. Djamin had het ondernomen naar Bodjong Kawoeng te gaan, waar Prawira’sNote 19 · „En de katjang153 dan? We zijn toch al zoo laat. Als jullie nog langer wachten met spitten en planten, komen we te laat in het seizoen.”Note 20 · Djiah bleef met haar buffel staan. Ze had honger, maar wilde niet weg. Er kon een kooper komen. Prawira ging dus heen om wat ketan154 of rijNote 21 · Dertig man van de desa Gatok waren dien morgen opgeroepen om mede te werken aan de verharding van een weg van Tji-Empoek naar Karang-Tengah.Note 22 · Den volgenden dag zou Siman moeten uitkomen, in een andere ploeg van dertig man. En het aanplanten van palawidja zou er op die manier onder Note 23 · Het weder was frisch dien avond. In het bosch gaven insecten een concert, schel geaccompagneerd door het hoogstemmig gesjirp der krekels in Note 24 · Een der lieden begon een pantoen159 op monotone wijze, waaraan door Pah Asriep een eind werd gemaakt.Note 25 · Pah Asriep was een man, die zeker zijn vijftigste levensjaar reeds bereikt had. Mager en tanig, reeds grijs, met een harden trek om den ingeNote 26 · „Dit is een verdrietige tijd voor ons, Ramin,” zeide hij tot den jongen man, die in gezang zijn gemoed had gelucht, „het is niet goed den moNote 27 · „Pah Asriep, ik heb onlangs met vele anderen land moeten ontginnen in heerendienst in Sikarang, omdat er een proef genomen zou worden met raNote 28 · „En ik, Pah Asriep, heb vaak den pesoeratan163 moeten vervangen ...”Note 29 · „Die arbeid zelf is geoorloofd, Pah Ran. Herstellen van waterleidingen, zei ik immers daarnet. En nu is dit wel geen leiding, maar dat komt Note 30 · Twee dagen later waren Siman en Pah Ran weer te Gatok. Dadelijk daarna begonnen zij met het uitplanten der djagong. Het weder was ongunstig.Note 31 · De Tjikoentoel droogde geheel uit. Ook de katjang kon thans geen water meer krijgen. De rupsen kwamen in den aanplant en dagelijks moesten dNote 32 · En kort daarop schreef hij: „De afname der bevolking moet toegeschreven worden aan sterfte, die vooral groot is onder de kinderen.” Hij deedNote 33 · Ook Djamin was door de koorts bezocht. Maar Mah Itam had hem in het leven weten te houden, met bezweringen en zonder kinine. De tweelingen wNote 34 · „Waarvoor zouden wij eigenlijk nog padi planten,” had Siman in een mismoedige bui tegen Pah Ran uitgeroepen. „Het gaat natuurlijk weer denzeNote 35 · Siman en zijn metgezellen hadden den tijd. Zij wachtten op den assistent-resident, die nu bezig was met het onderzoek van een perkara,173 veNote 36 · „Maar, kang, zeg den kandjeng toean dat wij drie dagen ver gekomen zijn om hem te spreken. Elke dag oponthoud kost ons weer geld, en onze zaNote 37 · „Kijk eens, Pah,” riep Siman uit, „die Chinees daar is gebonden; er staat een oppas bij. Wat zou hij gedaan hebben?—En daar is er nog één, eNote 38 · „Een diefstal, denk ik,” merkte de oude op, „of een rampok176. De menschen zijn erg opgewonden. Ik zal eens vragen.”Note 39 · „Is er gekampakt177 of gestolen, of een moord misschien...?”Note 40 · „Maar, beste man, men kan wel zien dat je hier vreemd bent. Het is een prentah kasar178 van den assistent-resident.”Note 41 · „Heb je ook al te maken met deze roesoe,179 Boen Ho?”
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings