HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN. (continued 5)
Reading edition
En zie, geldt dit al de voor de gansche uitgestrekte afdeeling, schriller wordt het beeld, wanneer de particuliere landen op zich zelf beschouwd worden. Op Telatiga nam de veestapel in negen jaren af met 46 procent, in de volgende jaren was de achteruitgang nog grooter. Op Alas Bamboe is nog geen twee derde gedeelte overgebleven van den veestapel van vóór de veepest.
De buffeldiefstallen namen dus weer toe op Alas Bamboe en met deze de houtdiefstallen. Ook dit is een veeg teeken. Het voorspelt eveneens het aanbreken van slechte tijden. En het verschijnsel komt vaak voor.
Er zijn vele djatibosschen op de landen en in slechte—ja vaak ook in normale tijden—is diefstal van hout regel. Over deze houtdiefstallen is veel geschreven, en de ware oorzaak is vaak verbloemd. Men vreest in slechte tijden zoo voor verbittering van het gebreklijdend volk dat geen houtdieven met geweld worden aangehouden. Men laat ze vrij gaan, en het misbruik is bijna tot adat vergroeid. Op klaarlichten dag, in gansche karavanen, trekken de boschdieven met hun buit voorbij de woningen der geëmployeerden: balken en stammen, het hout voor woningen, stijlen en palen, gaan zoo in openlijk transport over den grooten weg naar de afdeelingshoofdstad. Ook dit is een middel om in het leven te blijven.
Een derde middel is emigratie. De Javaan is vruchtbaar. Java’s bevolking verdubbelt zich in dertig jaren tijds. Hoe komt het dan dat daar op die landen het zielental vaak stationair blijft, ja, dat er jaren zijn dat teruggang van het zielental is na te wijzen? Men huldigt er geen Malthus-leer; en ook is het niet allèèn aan kindersterfte te wijten, dat op volkstoename van beteekenis niet te wijzen is.
Het volk verloopt. De armsten beginnen bij oogstmislukking den exodus, naar Tji-lamatang in de naburige residentie, waar veel vruchtbare grond is en waar de belastingdruk, relatief gesproken, zeer licht is.
Wie nu, die Javaansche toestanden kent, zal gelooven dat geen dringende oorzaken den Javaan nopen zijn woonplaats te verlaten, de desa, waar hijzelf, zijn vader, en diens vader leefde, waar hij huwde, waar zijn kinderen geboren werden? Ook aan gering verloop moet reeds groote beteekenis worden toegekend. Het wijst onloochenbaar op verarming van de bevolking. En zie, ik heb een lange lijst vòòr me, in drie rubrieken verdeeld: het jaartal, het zielental, het aantal picols tjoeké van het volgende jaar; een statistiek van beide landen. En het is met wiskunstige zekerheid aan te toonen, ver terug, tot in het begin der vorige eeuw, 1818, 1820, dat op verminderde tjoekéopbrengst achteruitgang in bevolking volgt. Hoe minder opbrengst, hoe grooter verloop, hoe nijpender nood. Er zijn jaren geweest dat de bevolking verminderde met 5, 6, 8 en 10 procent. Er is een reeks van drie jaren geweest, 1845—1848, gedurende welke de bevolking verminderde met 26 procent. En uit die statistiek kan ik de periodiek wederkeerende hongerjaren aanwijzen, zoo dadelijk, zonder aarzelen of vrees voor vergissing.
De tijd liet zich slecht aanzien op Alas Bamboe. Het was ook voor de Europeanen geen geheim meer, dat een buitengewoon slecht jaar voor de deur stond, slechter nog dan het jaar te voren, toen eenig gebrek, slechter ook dan het jaar daarvoor, toen groot gebrek heerschte.
En weer was het De Leeuw, die zich, als oudste geëmployeerde, genoopt voelde zijn chef den toestand bloot te leggen, opdat zoo noodig maatregelen genomen konden worden in het belang van de bevolking.
Hij begreep dat het beter was schriftelijk verslag te doen. Dat bleef bewaard, er kon naar verwezen worden zoo noodig.
Hier is het de plaats er naar te verwijzen; het zijn slechts grepen, want het geheele rapport besloeg vele vellen schrift.
„Er staat misoogst te wachten, hoofdzakelijk door watergebrek, het vroegtijdig ophouden van de regens en den slechten staat der Soemboel-batoeleiding, zoodat de sawahs in Zuid-Sikarang, welke door deze leiding bevloeid worden, onvoldoende of geen water kregen. Op de fouten van bedoeld waterwerk wees ik U den 15en Februari van het vorige jaar reeds. Het loopende jaar, dat in den beginne zich goed liet aanzien, belooft thans evenmin een oogst van eenige beteekenis. Een hevige walangplaag heeft vooral Zuid-Sikarang en Herea geteisterd. De westerdistricten leden vooral van de droogte. Na de laatste achtereenvolgende misoogsten in een streek, waar de bevolking geheel van den rijstbouw leeft, waar geen ander middel van bestaan is, vermeen ik U niet meer behoeven te wijzen op den hachelijken toestand voor een groot deel der bevolking. Hetgeen zij bezat, is verbruikt of zal weldra verbruikt zijn voor de sawahs van den volgenden oogst.
De hoeveelheid verstrekte voorschotten is te gering per landbouwer om ook maar eenigszins te helpen tot den aanstaanden oogsttijd. Weder-verstrekken van voorschotten acht ik niet goed, keur ik zelfs af, omdat de bevolking dan nog meer in schuld komt... M.i. moeten de vele slechte waterwerken in vrijen arbeid worden hersteld. Zoo is voor de bevolking gelegenheid wat te verdienen. Zij komt niet méér in schuld en de waterwerken komen er door in beteren staat. Momenteel heerscht in Sikarang en Herea reeds schaarschte, om geen ander woord te gebruiken. Velen verlieten reeds in October en November van het vorige jaar het land. Officieel is dit niet gerapporteerd en met cijfers is het ook moeilijk te bewijzen. Teekenend voor den toestand is het feit dat in den laatsten tijd de buffelverkoop weer zeer groot is. (Vide maandrapporten der districten.) Als het volk zijn ploegvee verkoopt, is de toestand hachelijk. Ik hoop dat hulp voor de bevolking niet zal uitblijven.
De bevolking van Alas Bamboe gaat nog steeds hard achteruit. Telde zij vijf jaren geleden bijna 77.000 zielen, twee jaren daarna was zij tot 74.750 zielen verminderd; met de intrede van dit jaar telde zij nauw meer dan 71.000 zielen.”
Nederman was zeer geprikkeld door dit ongevraagde rapport van De Leeuw.
„Vervelende vent”, bromde hij, „ware ongeluksprofeet. En als hij zich nu maar vergiste, maar neen—de kerel heeft altijd gelijk. Ik zal hem ’s laten komen. Dan moet hij maar uitpakken over wat hij denkt dat gedaan kan worden.”
Hij schreef een kattebelletje aan zijn employé en gelastte dit naar Oeroettan te brengen. Een desaman werd er mede belast: in heerendienst natuurlijk.
* * *
Siman was zeven dagen weggeweest. Te Gatok wist men niet waarheen. Hij was van Herea thuisgekomen, had zijn zuster om geld gevraagd, nagenoeg het laatste dat er was, en was weer vertrokken. Men had hem niets durven vragen. Siman was buitengewoon prikkelbaar, kon om een kleinigheid opstuiven; voor het werk behoefde men voorloopig niet op hem te rekenen. Veel arbeid was er trouwens niet. Men diende af te wachten het magere beschot van den overslechten aanplant. Pah Ran had wat gadoe in den grond gebracht en men begon zich weer te oefenen in hongerlijden, of juister, men begon zich te oefenen nog meer tijd dan tot dusver tusschen twee opvolgende maaltijden te laten verloopen.
Siman was naar Sapekan gegaan, op Telatiga. Maar zijn reis was vergeefsch geweest. Kario was niet meer te Sapekan en men wist hem ook niet op te geven waarheen de gewezen mandoer vertrokken was. Teleurgesteld, moedeloos, zonder geld meer, was Siman te Gatok teruggekomen. Nu moest hij het toeval maar overlaten zijn weg dien van Kario te doen kruisen. Hij wilde de hoop niet opgeven den gehaten vijand nog eens te ontmoeten. Het was het eenige wat hem op de been hield. Maar te Gatok hield hij het niet uit. Hij verlangde naar Satima, maar of het haar lichaam alleen was, dat hem bekoorde?...
Siman had na dien eersten keer nog eens en weer eens opium geschoven. Hij begon er naar te verlangen. Maar voor zijn huisgenooten schaamde hij zich nog. En bij Satima kon hij aan dubbele begeerte voldoen. Hij ging naar Herea, waar hij leefde met Satima, en schuiven kon. Maar zich vergiftigen is een duur genot. En hoe aan geld, telkens weer aan meer geld te komen? Nog was niet alle gevoel in hem gedood: hij bood zich aan als timmerman en hetgeen hij als gevangene had moeten leeren, kwam hem nu te pas. Hij verdiende zeventien cent per dagtaak. Satima verkocht zich, waar ze kon, om opium te kunnen koopen; meer dan eens reeds had ze zich aangeboden aan den Chineeschen opiumverkooper zelf ... voor opium. Maar steeds was grooter dosis noodig om het genot te brengen en meer verdienen konden zij niet.
Op een nacht was Siman niet thuis gekomen. En ook den volgenden nacht kwam hij niet bij Satima. Den derden nacht verscheen hij weer, gejaagd, angstig. Maar hij had veel geld bij zich, bijna twintig gulden. En het duurde niet heel lang of Satima wist dat hij de dief was geweest van den karbouw van pah Arsad, waarover voor eenige dagen zooveel te doen was geweest in de desa. Na dien tijd ging het gemakkelijker. Siman werkte niet meer. Er was bovendien niet altijd werk, en werd hem al door Van Affelen een of andere karwei opgedragen, dan deed hij het werk met tegenzin: het bracht zoo weinig op. Men maakte meer met het kappen van djatiboomen en het verkoopen daarvan op Telatiga. ’s Nachts had deze klandestiene handel in hout plaats. Siman ging er niet mee naar de hoofdplaats: de afstand weerhield hem. Hij bracht het hout even over de oostgrens van Alas Bamboe. Hij wist er een Chinees wonen, die alle hout opkocht. Wel kreeg hij niet zooveel als hij te Telatiga ontvangen zou hebben, maar hij kreeg het eerder. Dat was hoofdzaak. Als hij geld had, kon hij weer geestelijken en zinnelijken wellust genieten bij het opium en bij Satima.
Van Kario vernam hij niets meer. Ook had hij de energie verloren om te zoeken. Er waren nu zelfs vaak oogenblikken, dat hij niet aan Kario dacht. Zijn wraaklust zelfs begon te sluimeren onder den invloed van de papaver.
Om hem heen werd de toestand steeds slimmer. Het armere volk begon te trekken, naar het westen, voor een appel en een ei het nog niet gesneden product te velde latende aan gelukkiger en rijker desagenooten; buffeldiefstallen waren aan de orde van den nacht.
Toen brak de oogsttijd aan, een ìn-treurige tijd.
* * *
—„Nou, vooruit nu, ongeluksprofeet! Neem er je tijd nu voor om me lang en breed te vertellen, wat je van de toekomst denkt, en wat je dan noodig oordeelt om de vooruitzichten te verbeteren.—Je weet heel goed dat ik apprecieer je kennis van de toestanden, je kijk op de dingen, je tact om met de lui om te gaan. En ik wil je ook volstrekt niet verbergen, dat je voortdurende waarschuwingen mij verontrusten. Ik geloof niet dat je noodeloos zoudt alarmeeren, zie je, en...”
„Daar hebt u gelijk in, mijnheer Nederman.”
Het was een zoele avond. De Leeuw, door Nederman ontboden, zat met den administrateur in diens kantoor. Het was voor den employé niets bijzonders, dat zijn chef hem raadpleegde. Reeds in den tijd, toen Nederman oudste geëmployeerde was op Alas Bamboe, placht hij vaak het advies te vragen van zijn jongeren collega, die zoo bewonderenswaardig met de bevolking wist om te gaan. Toen Nederman tot administrateur was benoemd, was er in den omgang wel minder vertrouwelijkheid gekomen, maar het was toch heel vaak gebeurd dat, evenals dezen avond, chef en ondergeschikte over zaken en toestanden op de onderneming spraken. Nederman vertrouwde geheel op De Leeuw. Deze mocht ruw en onbehouwen zijn, de opvoeding die hij genoten had, kon dan een zeer elementaire zijn, De Leeuw paarde aan een goed hart een groote mate van gezond verstand en een uitmuntend geheugen. Hij was een eerlijk, nauwgezet geëmployeerde, op wien men zich verlaten kon, en Nederman deed dit ook. Hij was eerlijk genoeg om voor zich zelf te bekennen dat De Leeuw meer van de zaken afwist dan hij; in booze luimen ergerde hem dit zeer, maar hij was gewoonlijk wel nuchter genoeg om te beseffen dat hij er slechts bij verliezen kon, zich van den plichtvervullenden jongen man te scheiden.
„Nu dan—wat denk jij van den oogst?”
„Niets.”
„Hé?”
„Niets, mijnheer Nederman, niets. Als ik eigenaar was van Alas Bamboe, dan zou ik op enkele uitzonderingen na, geen tjoeké willen ontvangen.”
„Maar dat is immers dwaasheid, man! Het land is er toch in de eerste plaats voor de eigenaren, dunkt mij.”
„De lui zullen geen korrel kunnen missen.”
„Kom, kom, dat zie je te donker in, veel te donker. Ik geloof ook wel niet, dat we van het jaar op een mooien export behoeven te rekenen, maar...”
„Wat ik u brom, over drie maanden heerscht er hier hongersnood, nijpender dan die wij beiden van acht jaar geleden nog kennen.”
„Wel neen, dat geloof ik niet.”
„Ik ben elken dag op de sawahs, mijnheer Nederman. Het gewas staat er om bij te huilen. Er komt ruw gemiddeld geen tien picol nat per bouw af. Nou, daar blijft voor de bevolking zelf zoo goed als niets van over, dat weet u. Twee maanden verder en alles is opgegeten. En wat dan?”
„De palawidja.”
„Als die dan al rijp is! En dan, ik ken de palawidja-oogsten van Alas Bamboe. Dat geeft per hoofd geen week eten. Buiten denkt men wel dat die palawidja een inkomst van beteekenis is voor de lui, maar wij weten dat palawidja hier en daar op kleine schaal, en elders heelemaal niet verbouwd wordt. Wij houden er geen aanteekening van, omdat er niets van geheven wordt. En het loopt denzelfden kant uit, mijnheer Nederman, als het vorig jaar, en het jaar daarvoor, alleen nu een beetje erger. Dan krijgen wij weer onze „zware tijden,” dat de bevolking zich voeden moet met klapperbast, boombladeren en pisangstammen om het gevoel van honger weg te nemen, zooals meer dan eens gerapporteerd is geworden.”
„Maar meen je nou werkelijk, dat het verkeerd gaat?”
„Beslist, mijnheer Nederman! Met goeden wil en opofferingen is nog veel leed te verzachten, maar te redden is dunkt mij de positie niet meer. Trouwens, dat ligt niet in onze macht.”
„Dus jij meent dat de bevolking reden had, om voortaan alleen tjoeké-padi op te brengen?”
„Natuurlijk had zij daarin gelijk, mijnheer Nederman. Alleen geloof ik dat u een andere oorzaak aanneemt dan ik. U gelooft waarschijnlijk dat de slechte vooruitzichten de menschen er toe gebracht hebben ...”
„Ja zeker, enne de ... hoe zal ik het zeggen ...”
„Juist, mijnheer, dat is de reden, de onwettige, veel te zware heffing. Komaan, wij weten allemaal wel dat er meer, veel meer gevraagd wordt dan een vijfde. En vroeg of laat, met of zonder misoogst en hongersnood, moest de bevolking tot het besef komen dat ze bedrogen werd ...”
„Jongens, De Leeuw, je moet met die dingen niet te koop loopen, man. Dat zou heel gevaarlijk zijn voor je carrière.”
„Ah bah, carrière? Daar denk ik op zulke oogenblikken natuurlijk niet aan.—Maar ziet u, daarom heb ik uitgerekend, dat we met goed fatsoen niet meer mogen vragen dan 28 kattie per picol natte padi.”
„Ja, de berekening is goed. Daar ontbreekt niets aan. Maar de toepassing is eenvoudig onmogelijk.”
„Dat is wel jammer, want ik weet heel zeker dat het zou inslaan bij het volk. Gevoel voor billijkheid heeft het in hooge mate. En wat wilt u dan doen om ze tegemoet te komen in den nood?”
„Ja, dat ìs het juist: Wat moeten we doen?”
Het gesprek stokte.
„Je hebt gesproken over het herstellen van irrigatiewerken in betaalden dienst. Welke irrigatiewerken bedoel je?”
„Nou, kijkt u eens. Men zou er eindelijk toe kunnen overgaan om den dam bij Koeripan te leggen.”
„Daar noem je zoo iets. Je weet dat het voorstel geketst is; om de kosten. De begrooting sloot met ruim een ton.”
„Nou dan het plan-Haver, berekend voor de irrigatie van in totaal 9.000 bouws in de districten buiten Goenoeng Lawang.”
„Ruim twee ton.”
„Nou ja, die dingen kosten natuurlijk geld, maar ze werpen dan toch rente af ook. Hoeveel zou het ook weer zijn? 6⅓ procent, geloof ik. Toch wel een aardige rente voor productieve werken, dunkt mij. Maar natuurlijk is dit plan ook al verworpen. Ook zonder irrigatie zijn de inkomsten ruim. Ja, hè? als wij eens Amerikanen waren! Hoe heette het ook weer in den brief van de Bank? „Meer en meer wordt bij eigenaren het besef levendig, dat welvaart en toename van bevolking nummer één zijn ... punt van voortdurende zorg ... desnoods alle jaren wat opofferen ...” Ja, ja het is mooi: meer en meer, voortdurend, desnoods. Le style c’est l’homme. Met recht.”
„Ja, ik geloof niet dat we met die irrigatiewerken ver komen. Er zijn nog andere werken, maar allemaal hebben ze al even weinig kans op uitvoering.”
„In spijt van de winsten: in 1899 190 mille, toen 210 mille; ja er zijn jaren geweest van twee en een halve ton, van ruim drie ton zelfs; dat was in 1897.”
„Ja, ja, ja,—maar staat tegenover dat er in 1901 maar 16, in 1902 maar 60 mille zijn gemaakt.”
„Wel een bewijs van de ellende, die er geheerscht heeft. En dit jaar wordt het nog slimmer.—Ja hé, als we dan nagaan twintig en dertig jaren geleden, met de rijstprijzen van f 300 tot f 315 de kojang. We halen tegenwoordig nauwelijks f 200. En contrôle was er toen heelemaal niet.”
„Dat wil zeggen—de vrijwillige overeenkomsten moeten dan toch door den assistent-resident geregistreerd worden ...”
„Maar we dwalen af, De Leeuw; we dwalen altijd af als jij er bij bent. Je bent veel te rood, De Leeuw, geloof me; in je eigen belang zou ik je raden meer om je eigen beurs dan om die van anderen te denken—het is erg beroerd, dat ’t in de wereld zoo geschapen is, zeker, toegegeven ... maar, hè, après tout, is het hemd dan toch nader dan de rok. Enfin, ik heb je laten komen om met je te beraadslagen wat er te doen is om eerstens de lui te helpen. Want geholpen moet er worden, dat ben ik met je eens; en ook moeten wij er zorg voor dragen dat de verbittering niet overslaat ...”
„Zeker, daar is kans op. Geen wonder trouwens, menschen in dien toestand ...”
„Natuurlijk, natuurlijk. En al was het dan alleen het volksverloop. Dat is ook een kwaad ding, ’t gevolg is schrijverij met de eigenaren. Die denken, geloof ik, dat wij de menschen aan het land kunnen vastbinden. In de laatste drie jaren gaat het bevolkingscijfer toch al achteruit: 74000 zielen met 23000 bouws; gemiddeld sawahbezit dus van nog geen derde bouw. Op Telatiga is het nog minder.”
„Nou, mijnheer Nederman, ik heb een heel program. Herstellen van de irrigatiewerken is dus geschrapt. Dan kunnen wij beginnen met voorschotten op den volgenden oogst te geven. Het geeft niet veel, dat heb ik al gezegd, maar ’t is iets, dan reliefworks; dat is om ze te helpen, waarbij u dan ook kunt beginnen met minder te heffen in tjoeké.”
Nederman krabde zich achter het oor.
„Dat is een netelige kwestie. Als je daarmee voor de heeren komt, is het donderen. Als wij wat minder heerendiensten vorderden ...?”
„Dat helpt in de eerste plaats ons. Een uitmuntend denkbeeld, mijnheer Nederman. Maar durft u dat dan wel aan?”
„Ja, ik zal het moeten motiveeren. Hongersnood alleen, zal niet gaan. Dat wil er bij de lui niet in ... maar wat dan?”
„Mag ik die kwestie motiveeren? Ik ben wel eens aan het nasnuffelen geweest. Nou en ik heb daar zoo mijn eigen idee van, ziet u. Om het ronduit te zeggen: al die diensten zijn onwettig.”
„Hè?”
„Ja, ik weet heel zeker dat deze landen verkocht zijn vrij van heerendienst en dus ...”
„Hm! De stelling lijkt me niet onaanvechtbaar. Maar dat is goed. Maak jij de memorie dan maar op en stuur hem mij.”
„Best. En dus kan ik beginnen met voorschotten ...?”
„Goed, maar met mate, met mate. Met een paar duizend pop doe je al een heele hoop.”
De Leeuw zeide niet dat hij van een andere meening was, en dat „een paar duizend pop” voor eenige maanden, te verstrekken aan 71000 zielen, een alleszins onvoldoende tegemoetkoming is. Hij meende al wat gewonnen te hebben.
Den volgenden dag reeds liet De Leeuw in de desa’s van zijn district bekend maken dat hij tegen mindere dan de gebruikelijke rente—toch tegen rente dus, want in rentelooze voorschotten had Nederman niet durven happen—voorschot wilde geven, aan wie dat wenschte.
In den tijd van vijf maanden werd achtereenvolgens op het geheele land, bij steeds klimmenden nood, ruim f 30,000 in voorschot aan de bevolking verstrekt. Een schijntje ...
* * *
De oogst was binnengehaald, een complete misoogst. De tjoeké was afgeleverd in de pakhuizen, onverminderd ... ja zelfs had men op beide landen, gebruik makende van de circulaire van den procureur-generaal de padi van hen, die weigerden rijst op te brengen, doen wegen op het veld, gelijk beraamd was. Het waren er betrekkelijk weinigen geweest, die padi leverden, maar de nadeelen daarvan voor het land waren toch reeds voelbaar geweest. De pakhuisruimte dreigde te klein te worden. Was het vorig jaar reeds een hoeveelheid padi binnengekomen, meest in Herea, die dagelijksche onkosten aan stamploonen voor de stampsters noodig maakten, thans moest een ongelijk veel grootere hoeveelheid in de pakhuizen tot rijst worden verstampt. Dagelijks gingen vrouwen het geld verdienen—vijf centen per dag voor het zware werk—in de pakhuizen op het land.
En overigens was bij de tjoeké-heffing geen rekening gehouden met de indroging der padi, noch met de rijstcoëfficient, het gewicht der stelen bij den snit, het stamploon, noch met weersinvloeden, ziekten en plagen in het gewas, die zwakke korrel veroorzaken, groot breukprocent of geringe witheid; noch ook met de breukverhouding bij zeer voorzichtige bewerking, of met den prijs der grofkorrelige rijst, noch ook met dien van de fijnere rijst. Neen, met dat alles was geen rekening gehouden, de tjoeké was onverminderd geheven, onverminderd ...
En de Honger deed zijn intrede op Alas Bamboe en Telatiga. De houtdiefstallen werden menigvuldiger, en gansche karavanen trokken naar de afdeelingshoofdplaats om aan de opkoopende Chineezen voor weinig geld het gestolene af te zetten. En zij, die niet konden kappen de zware stammen, noch ook na kapping deze zouden kunnen bewerken, braken de stijlen uit de woningen, als ze er waren, om die te verkoopen: den eenen balk na den ander. De huisjes verloren stut; men steunde dak en wanden met bamboes. De woningen konden niet meer, of niet goed meer, een veilige schuilplaats zijn voor de bewoners: wat gaf het? Te stelen was er niet. Bij de rijkeren werd het vee gestolen; hier en daar waren roofpartijen niet uitgebleven: Chineesche warongs meest, die men plunderde.
Een zwerm van Chineesche agenten kwam in de desa’s en bood geld—weinig geld—voor den oogst van ’t volgend jaar. Zij berekenden zware renten, ’t is waar, maar het risico moest geneutraliseerd worden. Er konden velen sterven in den komenden tijd, velen zouden het land ruimen, wellicht stond ook voor het volgend jaar misoogst op het program; dat waren factoren, waarmede rekening gehouden moest worden, en de agenten der Chineesche opkoopers dreven de renten op, steeds hooger ...
De nood klom. Veediefstallen kwamen nacht aan nacht voor. Hier en daar werden de dieren niet eens meer verkocht. Men slachtte hen om dadelijk voedsel te hebben. Het land verstrekte meer voorschotten. En ook waren reliefworks in het leven geroepen, op zoo geringe, pietluttige schaal echter, dat zij weinig effect sorteerden. De bevolking begon weer met het zoo vaak beproefde middel om den honger te stillen, het middel, dat even vaak weer faalde. Men vulde de maag met de fijne tot stopverfachtig deeg inkokende menier, de allerfijnste, smerige brei leverend, opraapsel eigenlijk. En men kookte de menier op met boombladen om het gevoel van honger weg te nemen, als had het lichaam daar wat aan.
En nog steeg de nood. Ook de menier was verbruikt; pisangstammen, jonge klappertoppen, boschknollen, nauw eetbaar, schadelijk de meesten, kwamen ervoor in de plaats. De onrijpe palawidja, wat er dan nog stond, werd uit den grond gehaald om te dienen als voedsel. Meer voorschotten werden verstrekt, meerdere ondersteuningswerken in het leven geroepen. Roof en diefstal werd gepleegd op helderen dag. Reeds stierven er lieden door gebrek aan leeftocht ...
Immer steeg de nood. Het volksverloop begon. Als de huizen verkocht waren, alle hout en al wat er meer te verkoopen viel, wat niet veel was, trok men weg, het erf latend voor wat het was gemeenlijk, want in dezen tijd waren de koopers schaarsch. Vele duizenden waren het, die wegtrokken, de meesten naar het westen, weg van Alas Bamboe. En die van Telatiga trokken naar de gouvernementslanden, gefolterd door de heete stralen van de koperen zon, die droog het lijden aanzag.
Nog altijd breidde de ellende zich uit. Ouders verlieten hun kroost; de zuigelingen stierven schreiend aan de ingedroogde borsten. Moeders verkochten haar kinderen.
Siman had in dagen niet gegeten. En het opium, dat hij gestolen had te Gatok van Tio Ang Sioe, Nedermans zoon, had niet voortdurend den honger kunnen verdrijven. Hij woonde niet meer samen met Satima; elk moest maar voor zichzelf zorgen. Op een nacht was hij weggegaan, toen Satima in looden opiumslaap lag. Hij had haar koperen pending meegenomen, een sarong en een toessoek-kondé van een paar dubbeltjes. Meer waarde was er niet. Dat alles had hij voor vijftien centen verkocht te Tjakoeng. Het geld was op en Siman had in dagen niet gegeten.—Dien nacht stal hij een karbouw. Het was lichte maan en hij werd gesnapt door een spion van den koewoe. Het gestolen dier moest in den steek gelaten worden en met de uiterste inspanning slechts gelukte het hem, zijn vervolgers te ontloopen.
Nog half rauw verslond de hongerige den buit. Hij had zich niet den tijd gegund te wachten totdat het kleine grasvuurtje de kleine, tanige, onsmakelijke vogels voldoende had geroosterd.
Hoe weinig ook, het voedsel deed hem goed. Hij kon nu slapen. En hij sliep ook, een korte poos.
Toen hij ontwaakte, was de zon op. In de verte zag de zwerver een desa. Het kon slechts Kalapa Aloes zijn, berekende Siman. Hij kende de omgeving. Hij was hier eens geweest. En plotseling dacht hij aan Pah Asriep. Die woonde te Kalapa Aloes. Siman sprong op. Langzaam ging hij naar de desa toe, over de galangans der rijstvelden. Hij kende den weg in de desa en even later stond hij voor de deur van Pah Asrieps woning. De oude deed open en herkende zijn jongen vriend dadelijk.
„Wat is er, Siman? Je ziet er bezorgd uit.”
„Geef mij eerst eten, Pah; ik heb al in vijf dagen geen behoorlijk voedsel gehad.”
„Ik heb nog wel wat, kom mee.”
Er was rijst met sambal. Meer niet. Siman at, groote brokken tegelijk slikkend, ze telkens met een slok water doorspoelend. De oude keek hem aandachtig aan. Toen zijn jonge gast voldaan was, zei hij:
„Je hebt veel soesah. Ik weet van veel, van Kario, van Djiah. Wat is het nu?”
„Er is niets meer, Pah, geen oogst, geen voedsel. Ik weet niet wat er te Gatok gebeurt—het is een harde tijd ...”
„Ja, ik heb reeds veel geholpen, maar de honger van honderd wordt door één niet bezworen. Als de hongersnood nog lang duurt, ben ik een arm man, even arm als de anderen.—’t Doet er niet toe; ik ben al oud, heb kind noch kraai. Als ik dood ben, heb ik aan al mijn goederen niets. En jij, wat doe jij?”
„Ik heb willen werken, timmeren kan ik. Maar nu heeft niemand mij noodig. En mijn hand beeft in den laatsten tijd ...”
„Zoo jong reeds? Opium?”
„Ja, Pah.”
De ander zweeg op deze zacht gegeven bekentenis. Hij keek Siman meewarig aan, schudde het hoofd.
„Je hebt Kario niet meer ontmoet?”
„Neen, Pah. Maar, geloof me, ik heb hem gezocht—tot zelfs op Telatiga.”
„Je zult hem nog eens ontmoeten, Siman. Schuif geen opium meer. Opium is slecht voor ons volk. Het maakt ons tot verachtelijke slaven van den blanke. De moeder van je zoon is nog altijd niet gewroken, Siman. En wraak is niet weggelegd voor den slaaf.”
Siman boog zwijgend het hoofd.
„Je moet werken.”
„Wat?”
„Aan de ondersteunings-werken te Sikarang, bijv.”
„Ik ben te zwak. Nou gaat het niet meer.”
„Het moet; zoek dan wat anders.”
„Er is niets. Ik denk dat ik wegga. Ik kan visscher worden.”
„Hoe ben je hier gekomen?”
„Je hadt het mij gezegd: kom, als je groote soesah hebt. Ik hèb groote soesah, Pah.”
„Kom je daarom alleen?”
„Ik werd vervolgd.”
„Gestolen?”
„Ja, Pah.”
Weer stokte het gesprek.
„Stelen is slecht, Siman. Al hebben zij, die je besteelt, meer dan jij. Waak tegen diefstal, dat is beter. Dan ben je nuttig en je kunt je voeden met het loon voor het waken.”
„Moet ik spion worden, Pah? Dat meen je niet.”
„Geen spion. Geef den armen menschen, die nemen van anderen, van wat je zelf hebt. Dat is een goed werk; de koran gebiedt het.”
Pah Asriep was altijd leerstellig en rechtzinnig geweest. En daarom zeker de slechtste niet.
„Maar hoe kan ik dan zelf leven, Pah?”
„Je kunt je verhuren bij elken koewoe om nachtelijken dienst te doen. Deze tijden zijn zeer onveilig en de bezitters zullen graag wat betalen voor waakdiensten. Je hoeft de verdoolden, die stelen uit gebrek, uit honger, niet op te brengen voor den koewoe. Je moet slechts zorgen dat er niet gestolen wordt. Daarmede verdien je het levensonderhoud voldoende ... Ik zeg dit omdat ik te doen heb met je. Niet stelen, niet schuiven. Werken, totdat betere tijden komen. Arbeid is nooit schandelijk.”
De oude kon gelijk hebben, dacht Siman; hij peinsde er over na; waarom zou hij den raad niet volgen? De arbeid was niet zwaar, hij zou geen honger meer lijden ...
* * *
Van Affelen was in de desa Gatok op inspectie. Hij moest op de hoogte blijven van den toestand en vooral Zuid-Herea was door den nood geteisterd. De sterfte onder de bevolking was groot; meest onder de kinderen, wier zwakke lichaampjes het hongeren minder verdroegen.
Hij kwam langs de woning van Pah Ran aan het einde van het dorpje. De deur stond open. De oude Ran zag den employé. Aarzelend volgde hij hem. Van Affelen bleef staan:
„Wat is er, Pah?”
„Wij hebben niets meer te eten, kandjeng doro, help ons! Al dagen hebben wij niets meer gegeten, dan gadoe ... Mijn kleinkind ligt op sterven ... help ons, kandjeng ... help ...”
Van Affelen was getroffen door den toon van smart. Hij zeide niets, keerde op zijn schreden terug, ging de woning binnen. Ipah liep rond, op en neer, den kleinen Rekso sussend. Het ventje snikte zachtjes, nauw hoorbaar, krachteloos. ’t Uitgeteerde lichaampje schokte van koorts. Wanhopig zag Ipah ’t aan. Op de balé zat Mariam, stom, bewegingloos, een beeld van ellende.
Van Affelen werd aangedaan door dat tooneel voor zijn oogen. Hij grabbelde in den zak; haalde wat klein zilvergeld te voorschijn, dat hij Pah Ran gaf:
„Hier, gauw, koop eten.”
Van Affelen kon zijn oogen niet van het meisje afwenden. Al had het leed zijn stempel op haar gelaat gedrukt, de geheele verschijning van het meisje, het fijne gezichtje met de vurige oogen, de halfgeopende volle mond, de nog ronde vormen van die toch slanke gestalte—het was een bekoorlijk beeld. Djiëm was juist weg ...
„Word mijn njai”, fluisterde hij haar opeens in het oor, terwijl hij zich tot haar bukte, waar zij nog bezig was met den kleinen zieke. „Dan heb je nooit meer gebrek, alles volop, en je familie ook.”
Mariam boog beschaamd het hoofdje. Geen verontwaardiging welde in haar op; meer droefheid. Zij zweeg. Van Affelen, wat met z’n figuur verlegen, ging heen.
Dienzelfden avond stierf de kleine Rekso van honger ...
Een week later ongeveer kwam Siman te Gatok. Slechts Ipah vond hij thuis. Als dreef hem een voorgevoel viel hij dadelijk uit: „Waar is Rekso?”.
„Dood.”
Siman wankelde achteruit, viel tegen den wand. Hij wreef zich met de hand over de oogen, zweeg. Lang keek hij Ipah aan, wie het bang te moede werd onder dien blik. Toen ging hij waggelend heen, zonder een woord te zeggen.
Gebroken, geheel gedemoraliseerd door zijn bedrijf van de laatste weken, strompelde hij weg, jammerlijk overblijfsel van vroegeren jeugdigen overmoed, gezondheid en kracht. Ipah staarde hem na. Hij ging den desaweg af. Een heele poos nog volgde Ipah hem met den blik. Toen verloor zij haar broeder uit het oog. Zij weende niet. Haar oogen hadden te veel geweend de laatste dagen, na den dood van hun aller kleinen lieveling.
Siman liep steeds door, naar Herea. Hij was nu geheel down; hij dacht aan niets anders dan zijn dooden jongen. Paal na paal legde hij af, ten laatste niet meer denkend. Het warrelde hem in het hoofd; het schemerde voor zijn oogen: zijn eenig kind, zijn Rekso, dood! En hij had den kleinen jongen in het geheel niet meer gezien ... Dood ... zijn jongen ...
In zulk een toestand van martelend, tot waanzin voerend lijden bereikte hij Herea. Hij was er in lang niet geweest. Zijn spionnendiensten te Sikarang eischten bijna al zijn tijd. Siman was nu heel laag gezonken: hij was een spion van den koewoe van Sikarang, een verrader van zijn eigen volk. Het was er wel van gekomen. Pah Asrieps raad was goed geweest voor een, die sterk was van geest als de oude zelf. Maar voor iemand, die hongerde en verslaafd was aan opium, was de verleiding der extra-belooningen voor het aanbrengen van vee- en houtdieven, van anderen, die het voorschot niet gebruikt hadden om te doen wat zij er mede doen moesten, n.l. nieuwe padi in den grond te brengen—was die verleiding te groot geweest. Hij was steeds lager gezonken, was nu een gemeene sluwe spion, gehaat door de anderen, die hem niet openlijk aandurfden, wijl hij een gunsteling was van Madja, den koewoe.
En toch ook nu nog leed hij honger. Geld had hij niet meer. Het opium kostte hem telkens meer en meer. Eerst daaraan, dan aan voedsel werd zijn vrij ruim Judasloon besteed. Maar nu was het geld verbruikt; opium bezat hij niet meer. Dubbel leed.
Zoo kwam hij bij Satima. De slet hield op haar manier van den jongen, en nadat ze genoeg op hem gescholden had om het ontvreemden van haar pending en sarong, was de vrede hersteld. Satima had bovendien een bijzondere reden om Siman nu niet te boudeeren: zij had hem noodig om haar wraak te koelen op ... Kario. En de gelegenheid was zelden gunstiger geweest dan juist nu. Satima had hem gezien, Kario, hier te Herea, niet later dan gisteren. Als Siman nu wilde, de kans was zoo mooi .... Kario was teruggekomen, omdat hij op Telatiga geen werk kon vinden en honger leed, hier had hij vermogende familie ...
Maar Siman, hoewel een oogenblik geprikkeld door den dorst naar wraak, verviel weer in zijn indolentie.
„Ik heb ook honger ...”
„Je hebt net al wat ik nog had opgevreten.”
„Het was nauwelijks genoeg.”
„Vreetzak! Ben jij een man?—Bah! Denk om je eed ...”
„Eed, wat voor eed...?”
„Je hebt gezworen dat je hem zoudt dooden ...”
„Vroeger, nou ja, nu heb ik honger,—vandaag of morgen ga ik zelf dood. Waarvoor zou ik hem opzoeken; als ik hem nou ineens zie, dat is nog wat anders ...”
„Je bent een lafaard geworden, een spion ...”
„Scheld maar, hoor, scheld maar.”
„Van mij heb je gevreten, al dien tijd—je pens is er rond van geweest; opium schuif je. Dat kun je, maar als het er op aan komt, hè, dan ben je een beroerling, een ... een ...” Satima stikte in haar woorden. Maar het had geen uitwerking op Siman. Het leed had hem verstompt, niet verbitterd, ten slotte. De zucht naar opium, naar geld, om geen honger meer te hebben, nooit meer, was nu sterker dan het wraak-gevoel ....
„Jij bent nooit in een gevangenis geweest, Satima.”
„Het zou me niets kunnen schelen. Als ik een man was, dan zou ik hem dooden ...”
„Doe het maar!”
„Als jij niet durft, dan doe ik het.”
Siman zweeg.
„Ik zal hem opzoeken, hem van nacht hier brengen ... net als dien eenen avond, toen jij kwam ....”
„Dat lukt je nou niet meer; je vel is gerimpeld van het opium, je vleesch is hard.”
„Smeerlap, jij wil dat vleesch nog wel, hè?”
„Nou, probeer ’t met hem.”
„Bah, wat ben jij een ellendeling!—’t Kan je niks schelen hè, dat hij met me slaapt ...”
„Wel nee, hij zou de eerste niet zijn ...”
„Net zoo min als bij Djiah!”
Toornig keek Siman haar aan. Eindelijk, dacht Satima, eindelijk heb ik hem. Maar ze vergiste zich. Siman deed niets, verzonk in gedachten. En even later, het was al donker, verliet hij de woning.
Hij slenterde de desa door, doelloos. Kon hij nu maar opium krijgen, om de martelende gedachten te verdrijven, die Satima weer bij hem opgewekt had! De oude wonden deden hem weer pijn. Hij liep te mijmeren: Rekso zou zijn moedertje wel mededeelen, dat de verstoorder van hun geluk, de schender van haar eer, de veroorzaker van haar dood, nog steeds in leven was ...
Opeens ving Siman eenige woorden op, toen hij langs een troepje jonge lieden ging. Het was Prawira, die gesproken had: „Ja, ik heb daarnet vijfhonderd gulden gebracht aan den ziender, ... te weten dat de lui crepeeren van honger ...”
Siman was haastig doorgeloopen. Hij schaamde zich voor Prawira, nu hij een spion was, een vijand van het volk. Maar de woorden klonken hem na in de ooren: vijfhonderd gulden, vijfhonderd. Welk een som! Als hij die had ... als hij ze weghalen kon ... die stukken zilver ... Was het zilver? ... Papier, misschien ... Dat was nog gemakkelijker ...
Hij slenterde door; de gedachte liet hem niet met rust: vijfhonderd gulden ...
Het begon te regenen, met fijne straaltjes. Siman voelde het niet dadelijk, zoo verdiept was hij in de beschouwing van Van Affelen. In de nevenkamer had hij door het raam een ledikant gezien: de slaapkamer. Dus daar zou hij het geld wel geborgen hebben: vijfhonderd gulden ...
Zich nauw rekenschap gevend van wat hij deed, sloop Siman naar de achtergalerij. De spen kwam uit de keuken—een hevige schrik beving den indringer. Door een deur op zij drong hij snel de slaapkamer in, onder het bed ... Het duurde lang voor zijn bonzend hart tot rust kwam. Hij kromp van schrik ineen toen Van Affelen in de kamer kwam. Hij zag den blanke plaats nemen aan de tafel. De maaltijd duurde niet lang. De jongen ruimde het servies af, blies de lamp uit. Van Affelen ging weer vòòr zitten lezen; de regen, die een oogenblik hard had doorgezet, siepelde na.—Al die kleine bijzonderheden nam Siman met martelende nauwkeurigheid waar. Zou hij niet heengaan, langs den weg, dien hij gekomen was? ... Hij durfde zich niet verroeren ... Van Affelen kwam weer in de achtergalerij, vloekte omdat hij in het donker tegen een stoel stiet; toen hoorde Siman den sleutel van de achterdeur in het slot knarsen.—Nu kon hij niet meer weg ... Hij wachtte een uur en langer. Van Affelen zat nog steeds te lezen, lui liggend in den langen rottan-stoel.
* * *
Plotseling keek hij op. Onhoorbaar was een ineengedoken gedaante tot bij de stoep genaderd, waar zij neerhurkte buiten den lichtkring. Van Affelen legde het boek op de tafel, richtte zich op, keek scherper: het was een vrouw.
De hurkende gedaante antwoordde niet.
Van Affelen stond op, naderde de vrouw. Ze was doornat en huiverde van koude. Haar gelaat, omlaag gebogen, werd overschaduwd door een doek, dien zij over het hoofd geslagen had.
„Mariam”, klonk het gefluisterd terug.
Van Affelen herinnerde zich den naam niet.
Gatok! Een intense vreugde doortrilde den blanke. Vol verwachting herhaalde hij zijn vraag:
„Wat wil je?”
Mariam zweeg. Het wàs Mariam. Gevlucht van huis, toen Pah Ran verdwenen was, weggegaan in stilte; niemand wist waarheen. Hij had de drie meisjes achtergelaten, prijsgegeven aan ellende, gebrek en honger. Alles was verteerd. Toen had Pah Roesmi zich ontfermd over Ipah, die zijn bruid had kunnen zijn, als de tijden beter waren geweest. Maar Pah Roesmi was zelf niet rijk en het was hem onmogelijk om alle drie de meisjes te onderhouden. Djirah had een onderkomen gevonden bij een rijken gebuur, wiens vrouw ziekelijk was. En Mariam was weggevlucht van Gatok, dat haar te benauwd werd. Een groote angst voor hongerlijden had haar voortgedreven. Waarheen, bedacht ze eerst onderweg. Van Affelen zou haar wel helpen en wel bewust was ze zich, tegen welken prijs ... Maar beter huishoudster bij een blanke, en een weelderig bestaan, dan ellendig omkomen van den honger, zonder schande ...
„Wat wil je hier?”
Van Affelen had haar aangeraakt, het hoofd omhoog getild. Droeve, maar nog vurige oogen blonken hem tegen. Hij moest zich bedwingen ...
„Ik heb honger ... ik ben bang ... help mij ...”
„Kom binnen,” hijgde de jonge man.
Maar Mariam aarzelde, keek naar de lamp.
Van Affelen begreep haar beschroomdheid, draaide de lamp heel laag; zij dreigde uit te gaan. Toen nam hij haar bij de hand, trok haar de kamer in, sloot de deur. Mariam was in een hoek neergehurkt, het gezicht in de handen verborgen.
Van Affelen richtte haar op, wilde haar ontdoen van het natte goed. Mariam verzette zich met de laatste kracht van maagdelijke kuischheid.
„Eerst geld, ... je hebt het beloofd ... eerst geld, ik moet eten ... ik heb honger ... ik kom terug ...” Ze hijgde benauwd.
Van Affelen moest wel toegeven. Met koortsachtige haast opende hij de geldkist, op het gemetselde muurtje vastgeschroefd, nam een bankje uit een trommeltje, een groen papiertje van tien gulden. Mariam greep het aan, hield het krampachtig in de vuist en wilde heengaan. Van Affelen hield haar tegen, sloeg de armen om haar heen, kuste haar op het klamme gezichtje ...
„Neen ... neen; ik kom terug ... ik wil eerst eten ...”
Maar Van Affelen wilde haar niet laten gaan; ze zou niet terugkomen, vreesde hij.
„Je kunt hier eten,—kom mee ...”
En hij nam haar bij de hand, bleef haar vasthouden, als vreesde hij dat ze plotseling zou verdwijnen. Hij opende de dispenskast: „Daar, eet zooveel je wilt.”
Hij zette de borden op de tafel, vleesch, rijst.
Mariam at, de hand in den rijstbak stekend, leunende tegen den wand. Van Affelen had het nachtlampje op de tafel gezet, beschouwde in het zwakke licht het meisje; hij kon zich nauwelijks meer bedwingen; van ongeduld brandend, vatte hij haar aan, kuste haar, nog eens, nog eens ... ze at door, gulzig smakkend ... Maar hij trok haar mee, scheurde haar half de kleeren van het lijf, in wilden hartstocht ...
Zij worstelde tegen, heel zwak; ze had ’t immers gewild?
„Mag ik ... bij je blijven ... als huishoudster? ik ben zoo bang.”
Van Affelen beloofde alles ...
* * *
Siman was gedwongen getuige geweest van het geheele tooneel. Toen hij zijn zuster de kamer zag binnenkomen, was plotseling de lust in hem opgekomen, zich te vertoonen, Mariam te redden van haar lot. Maar hij reageerde niet meer op impulsen. Zijn geestkracht was lang reeds weg. De doorgestane ellende had alle gevoel van waardigheid, van ridderlijkheid in hem gedood. De dorst naar het geld, door de betrekkelijke veiligheid weer ontwaakt, en door het opengebleven geldkistje—dat hem den weg zou ontsluiten naar het opium, slaaf die hij was van dit verfoeilijk genotmiddel—was sterker prikkel voor zijn bijna verdierlijkt gemoed, dan de schande, getuige te zijn van de schending zijner zuster. Zoo diep gezonken was hij, dat hij met ongeduld wachtte op het oogenblik dat Van Affelen en Mariam, uitgeput, in elkanders armen zouden inslapen. Het geldkastje stond nog steeds open ...
Maar uren gingen heen, voordat het rustig werd in het vertrek. Het was lang na middernacht. Nog wachtte Siman een lange poos, voor hij zijn schuilplaats verliet. Hij kroop naar de deur, draaide geruischloos den sleutel om. Dan ging hij terug naar de geldkist. Ook het trommeltje stond nog open; er lag papier en wat zilver in. Met haastige, bevende handen ledigde de dief het. Op de teenen verwijderde hij zich, zorgvuldig de deur achter zich dichtdrukkend. Onder het gaan trapte hij op Mariams natte kleederen. In het bed lag zijn zuster, naast van Affelen, zijn maîtresse ...
* * *
Weer vluchtte Siman weg van Herea. Steeds verder voerde hem zijn vlucht. Hij moest een grooten afstand hebben tusschen zich en Herea. Al maar naar het zuid-westen ging hij. Even voor het aanbreken van den dag eerst zette hij zich neer op een galangan, een donkere stip op het kale, grauwe land om zich heen. Hier telde hij den buit na: ruim vier honderd en zeventig gulden. Het was hem een genot al dat geld bijéén te zien. Nooit was hij zoo rijk geweest. Wat zou hij er mee doen? ...
Eerst opium, dan eten, veel en goed eten. Die gedachte dreef hem voort. Met het eerste morgenkrieken was hij in de desa Tjakoeng. Aan een stalletje, waar een oude vrouw voor eenige centen kleine pakjes dampende rijst verkocht, zette hij zich neer. Hij at er zich zat. Toch was de rijst weinig meer dan menier. Ze zag grauw van vuil. Siman lette er niet op, spoelde het voedsel door met troebel water, hem uit een gore gendie geschonken.
Maar nu stond hij voor een moeilijkheid. Opium wenschte hij. En de vrouw vertelde hem dat hier in Tjakoeng geen opium te krijgen was. In Gatok wel, bij Tio Ang Sioe. Maar dat vond Siman toch àl te gevaarlijk. Tio Ang Sioe had hij eens bestolen, nog onlangs, en vermoedelijk wist deze wel wie de dief was. Dan liever terug naar Herea. Dom toch ook van hem, weg te loopen. Wie zou nu vermoeden op hèm hebben? Hij had rustig in de desa moeten blijven, bij Satima. Zeker, dat was het beste. Hij kon er zijn geld in niets-doen verteren. Welaan ja, het was verreweg het beste! Ze zouden een gouden tijd hebben, hij en Satima. Ze was toch nog een verduiveld knappe deern, en als hij haar maar eerst in de kleeren had gezet, zou ze nog heel wat lijken. Later konden ze naar Tjilamatang gaan. Hier was het toch altijd misère.
Welgemoed ging hij weer op weg. Hij voelde zich een heel ander mensch, krachtig en opgewekt. Ja waarlijk, een deel van zijn geestkracht kwam terug. Nu, met een gevulde maag en een buidel vol geld is het ook zoo moeilijk niet de wereld van een zonniger zijde te bekijken!
Siman kwam bij Satima met een rijke hoeveelheid opium. Hij gaf haar geld om goed eten te koopen. Satima keek verwonderd, maar vroeg niets.
Onderweg ontmoette zij weder—Kario.
De gewezen mandoer sprak haar aan, vroeg haar, waar zij nu woonde. Satima snauwde hem af, schold hem uit. Onder het huiswaarts keeren bedacht ze weer hoe Siman er toe te krijgen dien ellendeling uit den weg te ruimen. Die vrouw was onverzoenlijk.
„Ik heb weer dien smeerlap van een Kario ontmoet.”
Het waren haar eerste woorden tot Siman, toen zij thuiskwam. Siman sprong op:
„Waar?” vroeg hij, driftig.
Satima keek hem verwonderd aan. Hoe was Siman nu in eens weer een en al belangstelling? Ze begreep het verband niet dat er bestaat tusschen een bevredigd fysiek en een sterken geest. Siman had geld, eten en opium in overvloed: een deel van zijn geestkracht was weergekeerd.
Satima vertelde.
Siman zeide niet veel en trok er op uit. Waarlijk vond hij al dra den gezochte. De aanblik van dat gehate gezicht wekte weder zijn wraaklust op, in al zijn felheid. Hij omklemde het gevest van zijn kris. Maar daar, op de passer, ging het niet. Dat zou roekeloos zijn. Hij wilde niet weer missen ditmaal. Hoe hem dus weg te krijgen ...?
Siman dacht na. Satima moest helpen.
Hij ging snel terug naar huis.
„Satima, ik heb hem, maar je moet helpen. Troon hem mee, buiten op de sawah bij het bruggetje.—Zeg, dat je daar woont ... ik zal er zijn.”
Satima had er weinig lust in. Ze wilde niet betrokken worden in een perkara. Maar Siman was al weg. En dus deed ze, wat haar gevraagd was.
Kario was reeds huiswaarts gekeerd. Maar Satima liep hem achterop.
„Sst! Kario!”
Hij bleef staan. De slet drukte zich tegen hem aan.
„Je bent een domme man; daareven sprak je me aan, en mijn man was vlak bij me;—hij is zoo jaloersch, weet je—maar ga nu mee ...”
Kario liep in den val.
„Waarheen?”
„Niet naar huis. Mijn man is thuis; ga maar mee, ’mboh Inten woont buiten, over de brug.—Wat ben je lang weggeweest, vent, ik heb erg naar je verlangd ...”
„Zoo waarlijk?”
Kario voelde zich gevleid. Verliefd keuvelend voerde Satima hem, met popelend hart, verder. Ze waren de desa reeds uit. De nacht was donker. Satima speurde rond, ze zag Siman niet. Als hij zich bedacht had ...
Nu waren ze op het bruggetje. Geen Siman ...
Toch was hij er. Achter een groot steenblok lag hij goed verscholen. Nauw waren beiden over het bruggetje of met een sprong viel hij Kario van achteren aan.
De man uitte een rauwen kreet. Simans kris was hem door den hals diep in de longen gedrongen. Hij zakte inéén, zonder meer geluid te geven. Satima, verschrikt, vloog terug naar de desa.
Siman bukte zich over zijn slachtoffer, dat nog zwak ademde. Zou er nog leven in zijn, zou de man weer aan den dood ontkomen, om tegen hem te getuigen voor den rechter ...? Siman zocht kalm de plek uit van het hart. En langzaam dreef de moordenaar het staal in het lillende vleesch.
Djiah was gewroken.
Geboeid werd hij in grooten optocht naar den koewoe gebracht. Bittere gedachten bestormden den moordenaar. Hij zag weer den avond van den eersten aanslag op Kario. Ook toen had men hem geboeid, ook toen was het volk te hoop geloopen, ook toen was hij voor den koewoe gebracht. En de gevangenis was gevolgd, toen de veroordeeling en de zes maanden gevangenisstraf. Zou hem dat weer wachten? Nu de wraak gekoeld was, werd het vooruitzicht, opnieuw van zijn vrijheid beroofd te worden, hem een marteling.
Hij werd opgesloten in het tijdelijk arrestantenhuis. Van Affelen was naar Sikarang, op hem diende gewacht te worden, alvorens een beslissing genomen kon worden.
Een boedjang van den koewoe bracht hem rijst met wat water, waar hij niets aan had, wijl zijn handen hem op den rug gebonden waren. Toen de bewaker wilde weggaan, riep Siman hem toe: „Vraag den koewoe, of hij hier wil komen, ik heb belangrijke tijding, die zeer perloe is.”
Hij had een idee. Had Sarpan, zijn lotgenoot in de gevangenis, niet gezegd: met geld doe je alles, kun je ze allemaal omkoopen? Als je maar geld hebt, krijg je geen tjilaka. Het was te beproeven. Hij was nu rijk en den koewoe kende hij van vroeger als weinig scrupuleus.
De koewoe kwam.
„Wat wil je?”
„Weet je, waarom ik Kario gedood heb?—Is hij dood?”
„Ja, je hebt goed geraakt.”
„En waarom heb ik ’t gedaan?”
„Och, zeker die oude perkara; dom van je! Djiah is dood. Die kon je niet meer helpen.”
„Maar was het verkeerd, dat ik dien schurk doodde!”
„Natuurlijk, je hangt er voor.”
„Dat is geen bewijs dat ik ongelijk had. Ik moest hem dooden: ik had ’t gezworen.”
„Is dat alles wat je te zeggen hebt?”
„Neen, Kang, luister eens. Je bent arm, dat weet ik; je hebt ’n groote familie, die op jouw kosten leeft ...”
„Ja, en ...?”
„Ik kan je rijk maken.”
„Jij? Wou je mij tot erfgenaam benoemen?”
„Neen, ik wil je geld geven, nu dadelijk, veel geld, zooveel als je nooit bij elkaar gezien hebt.”
„Hoeveel centen?”
„Tweehonderd gulden.”
„Tweehonderd gulden?! Waar zou jij die vandaan halen? Zeg, denk je soms dat ik gek ben? Ik heb wel wat anders te doen dan naar jouw praatjes te luisteren, versta-je?”
De koewoe wilde heengaan.
„Blijf nog even; ik houd je heelemaal niet voor den gek. Ik spreek in vollen ernst.—Je bent toch niet bang voor me, is het wel? Je bent gewapend, ik niet, en vastgebonden.—Maak mijn linkerhand los, dan zal ik je hier op de plaats tweehonderd gulden uittellen ...”
De koewoe keek Siman aan. Zou hij het nu meenen of was hij opeens gek geworden? Siman zag de aarzeling. Er moest gebruik van gemaakt worden.
„Met tweehonderd gulden kun je een heelen lap sawah koopen. Dat maakt je tot den rijksten tani van het heele district.”
„Hoe kom je aan dat geld?”
„Dat is mijn zaak.”
„Gestolen heb je ’t natuurlijk.”
„Wat doet dat er toe. Neem je ’t aan?”
„En wat moet ik daarvoor doen?”
„Mij vrijlaten?”
„Ben je gek! Ik werd immers dadelijk ontslagen!”
„Ja, als je je laat snappen, maar dat is niet noodig. Maak één hand van me los en laat de deur open; morgen zeg je dat ik uitgebroken ben. Jou kan het niets schelen of ik hang.—Ik heb je vaak geholpen, dat weet je. Het is een kleinigheid, die ik nou op mijn beurt van jou vraag ...”
„Wat je een kleinigheid noemt, als je blieft.”
„Zeker, jij hebt er geen soesah van, alleen pleizier!”
„Maar ik geloof je niet, zie je. Zeg mij eerst hoe je aan dat geld komt.”
„Och, dat kan ik ook wel. Ik heb eergisteren avond ingebroken bij den opzichter ...”
De koewoe keek Siman met groote oogen aan. Toen sloot hij langzaam de deur.
„Voor tweehonderd doe ik het niet.”
„Bedenk dat ik weg moet van het land, ik heb reisgeld noodig.”
„Je hebt een heele boel meer. Vierhonderd moet ik hebben en anders ga ik weg.”
Siman overlegde. De liefde tot de vrijheid was te sterk.
„Goed.”
De koewoe maakte zijn handen vrij. Siman knoopte zijn broek los. Op het lijf droeg hij een gordel, waarin hij het gestolen geld geborgen had. Hij telde de afkoopsom uit: veertig papiertjes van tien gulden.
De koewoe stak het geld in een binnenzakje van zijn jas.
„En als ik je nu niet vrij laat, en het geld houd?”
„Daar heb ik om gedacht. Het zou je niets geven. Want ik zou je aanbrengen bij den opzichter en den rechter. Maar bovendien—je hebt er geen voordeel bij.”
Veel werd er tusschen beiden niet meer gesproken.
„Ga nu niet dadelijk weg. Over een uur bijv. Ik zal de waker laten inrukken,” fluisterde de koewoe. Buiten deed hij als sloot hij de deur af, maar draaide den sleutel weer terug ook.
Het was voor Siman een gemakkelijke vlucht. Sarpan had gelijk gehad. Ze waren allen omkoopbaar. Met geld deed je alles.
Den volgenden morgen rapporteerde de koewoe dat de gevangene ontvlucht was. Hij toonde een verbroken slot; het was zijn schuld niet.
Van Affelen vloekte. Dat was al.
* * *
Nederman las met volle aandacht de memorie van De Leeuw inzake de heerendiensten. Herhaaldelijk schudde hij het hoofd en meer dan eens mompelde hij: „Verkeerd aangepakt, zoo gaat ’t er zeker niet in.”
Het schriftstuk is waard in zijn geheel te worden weergegeven. Het luidde aldus:
Motiveering van mijn meening dat de zeer zware heerendiensten onwettig worden geheven.
„Ter voldoening aan een verzoek van den administrateur van Alas Bamboe, den heer N. Nederman, zal ik hieronder,—ter motiveering van mijne tegenover hem uitgesproken meening dat de op dit land geheven heerendiensten te zwaar zijn en dus in strijd met den geest en de bepalingen van het reglement van 1836, bovendien onwettiglijk worden gevorderd—ongereserveerd mij uitspreken over de toestanden op Alas Bamboe, te specialen opzichte van de heerendiensten.
De betreffende artikelen systematisch volgende, stuit ik op de volgende, welhaast tot adat geworden, overtredingen van wettelijke bepalingen:
Er wordt vaak meer gevorderd van de opgezetenen dan een dag arbeid in de week, en ook wordt niet één dag van elke week gevorderd, daarentegen vaak een reeks opvolgende dagen, zes of zeven of meer, welke gevolgd heeten te worden door evenzoovele weken vrij-af. Aan dit laatste wordt echter niet de hand gehouden.
Er wordt geen voldoende voedsel verstrekt aan de heerendienstplichtigen.
Ook personen, die beneden of boven de leeftijdsgrenzen zijn, worden vaak genoodzaakt heerendienst te verrichten.
Het is wel eens gebeurd—niet in mijn afdeeling—dat zieken in tijden van gebrek aan werkkrachten tot het verrichten van heerendiensten werden gedwongen.
Het komen en gaan van de opgezetenen van en naar hun woonplaats wordt nooit onder den arbeidsduur gerekend.
Nooit wordt twee cents per paal boven de vijf paal afstands tusschen werk- en woonplaats te goed gedaan.
De heerendienstplichtige moet zijn arbeid ook geven aan ondernemingen, voor uitsluitend profijt van den landeigenaar aangevangen.
Overeenkomsten te dezen aanzien worden niet gesloten.
Ik geloof niet dat ik ten opzichte van deze punten nadere toelichting behoef te geven. De toestand is als ik afschilderde en van geen eerlijk man, die weet dat ik de waarheid spreek, zal tegenspraak te verwachten zijn. Ik ben veertien jaren op het land werkzaam geweest en heb den tijd gehad om me heen te zien. In het bovenvermelde heb ik dus aangetoond dat te zware diensten worden gevorderd.
Rest mijn inzicht te motiveeren, dat die diensten onwettig worden geheven.
Hoe zijn de rechten van heerendienstheffing ontstaan? Omtrent de landen Alas Bamboe en Telatiga heb ik de volgende gegevens weten te vinden:
In de koopakte dan, waarbij door het Engelsche tusschenbestuur het land Alas Bamboe aan den heer Henry Barker Melville werd verkocht d.d. 30 December 18.., staat uitdrukkelijk gestipuleerd dat niets anders verkocht was dan het recht tot belastingheffing tot het bedrag van ⅕ van het padigewas van de opgezetenen van het land, met bepaalde uitsluiting van alle heerendiensten en gedwongen leveringen.
Bij de codificatie van de rechten en verplichtingen der eigenaren in 1836 zijn in art. 61 van het reglement op de particuliere landerijen de speciale voorwaarden van verkoop in stand gehouden.
Bij gouvernements-besluit van den 1en October 18.. werd desalniettemin het recht van heerendienstheffing geschonken aan de eigenaren van Telatiga en Alas Bamboe (deze beide landen waren bij de acte van 26 October 18.. uit het land Alas Bamboe ontstaan.)
De oud-resident J. Kan schreef omtrent de onwettigheid zijns inziens dezer gunstbetooning:
„Bij art. 2 § 4 van de bekendmaking van November 18.., welk artikel in art. 61 van St.bld. 1836 no. 19 gehandhaafd is, waren de heerendiensten uitdrukkelijk afgeschaft. Sedert den afstand in 18.. en na de publicatie van 18.. waren zij ook nimmermeer gevorderd. In spijt daarvan evenwel werd vergund heerendiensten te vorderen en hiermede riep de regeering in het leven een belasting in arbeid ten behoeve van particulieren, in strijd met art. 60 van het toen vigeerende regeeringsreglement (Staatsblad 1836 no. 48) luidende: „Geene belastingen mogen voortaan in N. I. geheven worden, dan op een publicatie van den gouverneur-generaal na daartoe vooraf onder gewone omstandigheden verkregen te hebben de toestemming des konings.”
De regeeringsbeginselen, ook thans nog, eischen de goedkeuring van den koning op de invoering van nieuwe belastingen, wanneer geen voorafgaande machtiging daartoe is verleend.
Tot de uitvaardiging van het besluit van .. Maart 18.. no. 10 werd die goedkeuring des konings niet verkregen, toen niet en later niet. Zoodat bedoeld besluit nietig is naar den inhoud en onwettig naar den vorm, wijl het niet bij publicatie werd afgekondigd, zoodat zelfs de betrokken bestuursambtenaren er geen kennis van droegen. Bovendien zou een koninklijke goedkeuring van deze belasting ten behoeve van particulieren nooit verkregen zijn.
Ook is volgens den heer Kan duidelijk dat hier een gunst bewezen werd aan de landeigenaren ten nadeele der ingezetenen, immers aan de eigenaren van de andere, gelijktijdig met die landen en op dezelfde voorwaarden, krachtens dezelfde bekendmaking, verkochte landerijen werd een gelijke gunst niet toegekend, toen niet en ook evenmin daarna.
Een nog treffender bewijs van de onregelmatigheid, hierboven bedoeld, vond Kan in het feit: dat toen in 1857 de eigenaar van een der landen in het Semarangsche de Regeering verzocht heerendienst door de bevolking van zijn land te mogen doen verrichten, hem dit „op grond der verkoopvoorwaarden van 5 November 1812” werd geweigerd! Al evenzeer wijst op die onregelmatigheid de tot op dezen dag gehandhaafde clausule in alle acten van overschrijving, zoowel als in de openbare registers, in verband met de beide particuliere landen „dat de eigenaren van de bevolking geen heerendiensten mogen eischen.”
Men zou een ander, en wellicht het krachtigste bewijs van het feit dat gedurende ruim zestig jaar onrechtmatig heerendiensten werden gevorderd, kunnen vinden in het gouvernementsbesluit van den .. April 18.., waarin de regeering beslist erkent de onwettigheid van het heffen van heerendiensten op de beide bedoelde landen.
Welnu, ik kan niet anders dan mij volkomen aansluiten bij de meening van den oud-resident Kan. Men zal mij allicht tegenwerpen dat het Polynesisch recht den souvereins-grondbezitter toekent het recht van de opgezetenen te vorderen een belasting in arbeid buiten een deel van de opbrengst der door die bevolking gecultiveerde gronden. Dat derhalve de koopers der particuliere landerijen een zeker adatsrecht kunnen doen gelden op de heffing van heerendiensten. Dat de regeering vòòr het Engelsche tusschenbestuur, en deze tusschenregeering zelf, te weinig waarde heeft gehecht aan het adatsrecht.
Ik heb hierover nagedacht. Krachtens deze stelling zou de belasting in arbeid het karakter verliezen, dat de heer Kan haar overeenkomstig art. 60 van het regeerings-reglement van 1836 toekent, en behoefde de verleening, jaren later, van dit belasting-recht, waarvan sedert den koop geen gebruik meer was gemaakt, niet te worden afgekondigd als bij bedoeld art. 60 R. R. 1836 voorgeschreven, n.l. bij publicatie. Ten overvloede zou dan nog kunnen worden aangevoerd dat bij jarenlang bestaand gebruik dit daarom wordt geacht afgekondigd, d. i. wettig te zijn.
De erkenning van de onwettigheid der heerendienstheffing, opgesloten in het raadselachtig gouvernementsbesluit van — April 18—, zou dan evenzeer als een gebrek aan rechtskennis bij de adviseurs der toenmalige regeering moeten worden aangemerkt.
Dit alles schijnt logisch in elkander te sluiten.
Echter heb ik een bedenking. Het wil mij—maar ik heb geen juridische opleiding gehad, en het is mogelijk dat ik daarom wat meer gevoel voor recht heb—het wil mij dan voorkomen dat bij deze argumenteering over het hoofd gezien wordt, dat door de rechtmatige beschikkers over den grond geenszins verzuimd is rekening te houden met het adatsrecht; dat zij integendeel bij het uit handen geven van den grond eens en voor al, het ontstaan van misbruiken uit een niet te controleeren rechtsmacht hebben willen voorkomen, weshalve bij den verkoop de uitdrukkelijke voorwaarde werd gesteld dat de grond vrij van heerendienst zou overgaan in andere handen. Van een tekortdoening in rechten kan onder deze omstandigheden geen sprake zijn, wijl de kooper geheel vrijwillig de voorwaarde aanvaardde. Het Engelsche tusschenbestuur heeft juist, zeer practisch, met het ondeugdelijke, tot velerlei misbruiken aanleiding gevende adatsrecht in dit bijzondere opzicht voor immer gebroken, waarvoor het nu nog lof verdient. Het heeft juist met één bepaling een eind gemaakt aan juridische sofisterijen van later. Is dit, mijn inzicht, juist—waarvan ik overtuigd ben—dan wordt nu reeds sedert ruim zestig jaren onwettelijk heerendiensten geheven op Alas Bamboe en Telatiga.
Mij wil het daarom voorkomen voor eigenaren een plicht der menschelijkheid te zijn, aan het bestaande onrecht ten spoedigste een eind te maken. Ik wijs er bovendien op, dat de verbittering onder het volk tot gisting is overgegaan. En waarlijk geen wonder! Veiligheid van persoon of goed bestaat eenvoudig niet. Moreel is het stelselmatig gedemoraliseerde volk gedwongen te doen wat eigenaren wenschen, op poene van vergaan. Het voedselgebrek verdient reeds den naam van hongersnood. Klachten hebben niet het minste effect. Of weigerde niet in 18..—om het meest sprekende voorbeeld aan te halen—het bestuurshoofd der residentie de klachten aan te hooren, welke de bevolking eerst te Telatiga, later op zijn standplaats, waarheen een deputatie hem gevolgd was en waar de lieden creveerden aan koortsen, bij hem inbracht? Hoe begreep die hooge ambtenaar den plicht, hem opgelegd in art. 55 R. R. 2e al.: den inlander overal gelegenheid te geven vrijelijk klachten in te dienen? Natuurlijk is dit bestuurshoofd op zijn tijd beloond met het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw. Virtus nobilitat!
Van dezen beschermer der bevolking hebben de eigenaren van Alas Bamboe en Telatiga geen menschelijkheid kunnen leeren. En in 18.. werden zij straffeloos verklaard door een gouverneur-generaal, die zijn „eersten plicht” niet kende ...
Ik dring zeer ernstig aan op prijsgeving, althans zeer groote verzachting, van het z.g. „recht” van eigenaren tot heffing van een belasting in arbeid.
De opzichter van de districten Alas Bamboe en Goenoeng Malang van het land Alas Bamboe, DE LEEUW.
Nederman vouwde in gedachten het geschrift dicht.
„Ik zal het opzenden,” mompelde hij. „Het is wel eens goed, dat hun de waarheid gezegd wordt. Des te beter als ik het niet behoef te doen. Om den drommel geen domoor, die De Leeuw!—maar het zal hem een douw geven.”
Het gàf hem een douw!
De hoofdadministrateuren waren ten zeerste ontstemd. Zij schreven dat zij den eigenaren zeer zeker in kennis zouden stellen met het schriftuur, komende van een werknemer, en dat op zijn minst de betiteling van zeer eigenaardig verdiende. In den brief werd overigens op zeer hoogen toon aan den employé te verstaan gegeven dat men in den vervolge niet gediend zou zijn van uitingen van zijn overdreven en ziekelijke filantropie en gaarne een wat meer te waardeeren vorm van zijn werkzaamheden op het land zou zien.
De Leeuw was woedend. Zonder tijd van beraad—hij zou ook zeker niet op zijn besluit zijn teruggekomen; daar was hij te koppig voor—schreef hij Nederman dat hij zijn ontslag nam. Hij gaf den administrateur veertien dagen tijd om een anderen employé te engageeren en zwichtte voor geen overreding tot blijven, noch van den administrateur, noch van de collega’s.
„Wat dachten ze wel van ’m, verdomme ...!”
Hij ging heen, met de bedreiging van een open aanklacht tegen eigenaren en hoofdadministrateuren in een dagblad, ten bate van het geknechte, geestelijk gedegenereerde volk.
Hij hield woord. Een goede kennis van hem was journalist. Dien lichtte hij in. Tegelijk kwamen uit Telatiga berichten in de persorganen omtrent den nijpenden hongersnood. De publieke opinie begon zich met het drama bezig te houden. Er werd aangedrongen op een regeeringsonderzoek. Maar de weken verliepen en groeiden tot maanden ... De bevolking van Alas Bamboe en Telatiga creveerde van gebrek en honger, of verliep naar de gouvernementslanden en het alarm der pers bleef de stem van den roepende in de woestijn. De regeering bleef zwijgen, als altijd.
Toen kwamen betere tijden. Langzaam, heel langzaam begonnen de landen zich te herstellen van de doorgestane ellende. Toch heerschte nog allerwege nijpend gebrek. Nog had een onderzoek veel rots aan het licht kunnen brengen.
En de regeering besloot, bijna te laat, een hoofdambtenaar uit te zenden om een officieel rapport uit te brengen over den nood. In de keuze van haar dienaar was de regeering niet gelukkig. De hoofdambtenaar was meer dan eens ... onbetrouwbaar gebleken, steeds bezield van een geheel verkeerd begrepen esprit de corps.
Men wachtte het rapport af.
De regeeringscommissaris reed in snelle vaart per postwagen van Telatiga over een gedeelte van het district Sikarang naar de woning van den administrateur Nederman. Hij werd er met schuimende champagne ontvangen. Eenige uren bracht hij in zeer opgeruimde stemming door in de gastvrije woning, deed enkele vragen, teekende eenige inlichtingen op, en verwijderde zich toen weder per postwagen. Het onderzoek was zoo degelijk dat de regeeringscommissaris zelfs niet opmerkte de opzettelijk zichtbaar te werk gestelde mannen en vrouwen in de sawahs en langs den weg, dien de inspecteerende en rapporteerende hoofdambtenaar zou afleggen. Deze lieden waren uitgezocht. Het lijkt een sprookje: de meest welvarend uitziende menschen uit de desa’s hadden van het bestuur, door tusschenkomst van den controleur der naaste contrôle-afdeeling, de prentah aloes ontvangen „zich te kleeden als op lebaran”; de rest der kampongbevolking, de magere, armoedige lieden „zich niet buiten de desa te vertoonen, aan den weg des hoofdambtenaars.”
De mystificatie, hoe grof ook, had geen effect: de hoofdambtenaar stelde geen onderzoek in. Niets zag hij van hetgeen men hem had willen laten zien, van wat hem als het ware werd voorgezet. Hoeveel zal hij gezien hebben van hetgeen verborgen werd gehouden! Hoeveel zal hij vernomen hebben uit den mond der desalieden, die hij niet sprak! Trouwens, de mededeelingen van den administrateur waren volmaakt voldoende. Zoo onderzoeken intègre, bekwame, hoogbezoldigde hoofdambtenaren wel meer in Indië.
Het logenachtig rapport verscheen: de nood werd ontkend! Wel was er een zware tijd geweest, maar het volk was weder aan den arbeid; het product was weder in den grond. Hij, rapporteur, had streek en bevolking gezien; bijzondere maatregelen waren niet noodig; de landeigenaren waren de bevolking, waar noodig, krachtig te hulp gekomen. De palawidja was goed geslaagd; hij produceerde er cijfers van. Hoe kwam hij aan die cijfers, waar geen aanteekening gehouden wordt van de tweede gewassen, wijl er niets van „geheven” wordt? Waren die cijfers verzonnen of hem verstrekt door den administrateur?
Nuttelooze vragen. Het regeeringsgeweten was gesust. Daar was het om te doen, niet waar?
De rapporteur schermde met groote getallen: de rijstproductie; nam een rijstcoëfficient aan van 0,50, op niets berustend ... Wat deed het er toe? Wie, die hem controleeren zou? Enkele persorganen! Nou ja—maar officieel bestond de nood niet.
* * *
Een knipsel uit een der Java-bladen:
J’accuse!—Over den welhaast geleden hongersnood op de particuliere landerijen Alas Bamboe en Telatiga bereiken ons, in spijt van de officieele ontkenning van zijn bestaan, nog zeer treurige berichten. Is het nog noodig deze berichten na onze uitvoerige mededeelingen van gisteren, eergisteren en vorige dagen, weken achtereen, mede te deelen? Wij gelooven niet; alle jobstijdingen zijn samen te vatten tot deze eene stelling, door machtiger pen dan deze der Indische regeering, der Nederlandsche natie in het aangezicht geslingerd: De Javaan wordt mishandeld!
Hieronder onze akte van beschuldiging. Wij weten dat hier in Indië met de belachelijke wetten op de drukpers geen recht te krijgen is voor tienduizenden; dat artikel 282 e.v. van het drukpersreglement misdrijf in de hand werkt, en strijd tegen onrecht straft met vrijheidsberooving. Evenwel, wij doen een beroep op onze aanstaande rechters en noodigen hen uit een enkele maal den moed te hebben af te wijken van de geschreven wetten; te gelasten dat een onderzoek worde ingesteld naar de waarheid van wat wij zullen zeggen; ons te vergunnen te bewijzen de gegrondheid der door ons uit te spreken beschuldigingen. Wij kunnen bewijzen dat wij de waarheid dienen. Of wij mogen bewijzen, hangt van onze rechters af. Welnu, wij noodigen hierbij onze rechters uit den moed te hebben recht te doen.
Het zij hier zonder hoogmoedige vergelijking gezegd: „Hier staan wij; wij kunnen niet anders.”
Wij beschuldigen de eigenaren van de particuliere landerijen Alas Bamboe en Telatiga, stellende hen verantwoordelijk voor het in hun naam gevoerde en door hen goedgekeurde beheer op genoemde landen, om het even of de rechtsgeleerden zullen glimlachen om deze beschuldigingen van het rechtsgevoel, om het even of de overtredingen, vergrijpen en misdrijven al dan niet vallen in de termen der geschreven strafwet, van:
1e, overtreding van art. 10 van het Reglement op de particuliere landerijen bewesten de Tjimanoek (Staatsblad 1836 no. 19) wegens het als regel heffen van meer dan het een-vijfde gedeelte van de opbrengst;
2e, overtreding van art. 11, 2e al. van v.z. Regl. wegens het doorloopend uitoefenen van moreelen dwang op de bevolking bij het sluiten van de „vrijwillige overeenkomsten” tusschen bevolking en eigenaren tot levering van tjoeké in rijst;
3e, overtreding van art. 13 van vz. Regl. wegens het weigeren rekening te houden met de hoegrootheid van de opbrengst, bij mislukking van het gewas buiten de schuld des erfpachters;
4e, overtreding van art. 26 van vz. Regl., wegens het niet verstrekken van behoorlijke voeding aan de heerendienstplichtigen;
5e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het vorderen van meer dan één dag onbetaalden arbeid in de week;
6e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het niet betalen van twee cents voor elken paal afstands boven den afstand van vijf palen tusschen de plaats der werkzaamheden en de woningen der heerendienstplichtigen;
7e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. paragraaf c wegens het vorderen van heerendiensten van hen, die volgens de inlandsche gewoonten (adat) vrij zijn van persoonlijken arbeid;
8e, overtreding van artikel 26 van vz. Regl., laatste alinea, wegens het niet onder den onbetaalden arbeid rekenen van den tijd, benoodigd voor het komen en gaan van de heerendienstplichtigen van en naar hun woningen;
9e, overtreding van artikel 29 van vz. Regl. wegens het bezigen der opgezetenen tot het verrichten van diensten, nadrukkelijk door bedoeld artikel verboden;
10e, overtreding van artikel 32 vz. Regl., wegens het aanleggen en instandhouden van dammen en doorgravingen, het verleggen en verstoppen van bestaande rivieren, waarbij het gouvernement en gouvernementsonderdanen belang hebben, zonder vergunning, zelfs tegen het protest der plaatselijke autoriteiten in;
11e, overtreding van artikel 40, eerste alinea van vz. Regl. wegens het tot stand brengen van alle zulke ondernemingen, welke de landeigenaren voor eigen profijt, risico en rekening aanvangt, met de hulp der landsopgezetenen, zonder zich van die hulp door het aangaan van vrijwillige overeenkomsten te verzekeren;
12e, het nemen van woekerrenten op de in geld of padi verstrekte voorschotten aan de bevolking;
13e, het eischen van verpakkingsmateriaal (gonnizakken) tegen minder betaling dan door de opgezetenen vaak werd uitgegeven om dat onwettig geëischte materiaal in hun bezit te krijgen;
14e, het meten en wegen met valsche maten en gewichten bij de ontvangst der heffing-contingenten padi of rijst, ten nadeele van de opgezetenen;
15e, bedrog bij de ontvangst der sub. 14e bedoelde contingenten door verzwaring der, later geijkte, gewichten, dan wel door moedwillige onjuiste weging, ten nadeele der opgezetenen;
16e, contractbreuk ten nadeele der bevolking door moedwillige overschrijding van de bevoegdheden, den eigenaren bij de vrijwillige overeenkomsten toegekend;
17e, opzettelijke misleiding van een door de regeering uitgezonden ambtenaar, wien opgedragen was een onderzoek in te stellen naar de toestanden op de particuliere landerijen;
alle welke feiten, herhaaldelijk of doorloopend gepleegd, daarstellen de misdrijven: kwade trouw, afpersing, diefstal, knevelarij en misbruik van gezag, strafbaar gesteld bij de ongeschreven wetten van het rechtsgevoel;
onder aanteekening dat als zeer verzwarende omstandigheden moeten worden aangemerkt de bewustheid van het plegen dier misdrijven, blijkende deze immers uit de erkenningen en uit de op de landerijen aangehouden boeken, registers en statistieken.
Wij hebben gesproken, belangeloos, zonder mandaat van, niet gekend zelfs door de duizenden daarginds, die nog steeds wachten op recht.
Die lieden, uitgezogen, gekneveld, bedrogen, bestolen, mishandeld, vragen geen gunst, noch ook eischen zij vergelding voor hun pijnigers, al hebben zij tot eischen recht.
Zij hopen slechts dat in den vervolge niet méér van hen gevorderd worde, dan waartoe zij verplicht zijn.
Zij eischen niets, zij hopen en verzoeken ...
De geestkracht, noodig om, bij bewustzijn van hun recht, ook te dwingen tot erkenning van dat recht ontvliedt den menschen, als de honger hun lichaam pijnigt.
Lang reeds is dus de geestkracht van de bevolking daar ginds, honderd en vijftig duizend zielen, gevloden.
Die honderd en vijftig duizend zielen doen jaar op jaar, en jaar op jaar te vergeefs, een beroep op het plichtsgevoel der ambtenaren.
Hoe hebben de ambtenaren verantwoord, den smaad op hen als dienaren der Nederlandsch-Indische regeering geworpen, door ons, die streden met open vizier, ongestraft te hebben gelaten?
Zij zwegen, en met hen de eigenaar ...
Aan onze rechters van morgen de taak hen te dwingen tot spreken ter verdediging, hen te gelasten verantwoording te geven van hetgeen zij gedaan hebben met de bevolking, die hun werd toevertrouwd, die recht heeft op den grond, welken zij bebouwt en vruchtdragend maakt, en die in goede tijden het recht mist van elk levend schepsel: dat van verzadigd te zijn ...
Moeten de feiten voor hen antwoorden, wanneer de tijd daar is, dat de bajonet op de geweerloopen gezet wordt om de „rust” te herstellen?
* * *
Opgejaagd, zonder verblijf, verdierlijkt door de ellende, verzwakt naar het lichaam door gebrek, gedemoraliseerd naar den geest, gekweld door zelfverwijt, had Siman rondgezworven. Zijn geld was hij kwijt. Op zijn beurt had men hem bestolen; familieleden van Kario hadden hem hardnekkig vervolgd; hij was uitgeweken, en weergekeerd, wijl hij te zeer verlaagd was door gebrek, te zeer verstompt door opium, om zich een nieuw bestaan te scheppen ginds. Zijn lichaam was uitgeput, voedsel had hij in dagen niet genuttigd; de onmogelijkheid om opium in handen te krijgen had hem een soort dilirium bezorgd; koortsen sloopten zijn gestel ...
Hij had zich voortgesleept naar den boschrand, daar was hij neergezegen, krachteloos, stervend ...
Daar hongerde hij dood.
* * *
De slechte gevolgen van den hongersnood werden voor de eigenaren eenigszins goedgemaakt: de rijstprijzen stegen.
* * *
Tegen den redacteur van het blad, waarin de felle beschuldiging tegen de eigenaars had gestaan, werd, op hun aanklacht, een strafgeding aanhangig gemaakt. Hij had niets mogen bewijzen en werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens „laster” ...
EINDE.