Note 235 — HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN. (continued 5)
Reading edition
Al maar voort rende hij, in een wanhopigen angst opnieuw te worden gevat en opgesloten in de gevangenis. In den morgen eerst kwam hij tot rust. Hij had de desa’s gemeden; geen kieken, geen vrucht had hij weten machtig te worden; zijn maag knorde van den honger; hij was uitgeput van vermoeienis. Toen legde hij zich neer aan den kant van een slootje om te slapen; maar de slaap bleef weg. De honger gaf geen kamp. Lang reeds lag hij daar, overdenkend zijn ellende. Hoe vele dagen reeds was hij niet te Gatok geweest. Hoe de toestand daar wel zou zijn? Maar lang denken kon hij niet: zijn maag liet hem niet met rust. Hij kauwde op een takje bajem235, dat hij afgebroken had, en werktuigelijk slikte hij het door; het smaakte afschuwelijk, zoo rauw. Als hij het maar koken kon. Toen op eens zag hij aan den anderen kant van het slootje een derkwak. Hij hunkerde er naar, den ranken watervogel te hebben om hem te verslinden, om den honger te stillen ... hij nam een steen op, en wilde naar het dier gooien. Maar hij hield den worp in. De vogel had een klein vischje in den bek gevangen en verdween daarmede in het riet van den oever. Siman hoorde het kirrend geluid van jonge vogels. Hij kroop de sloot in, heel voorzichtig. Met luid geschreeuw vloog opeens de derkwak op. Maar Siman liet zich niet storen: hij zocht het nest met de jongen. Hij vond het ook. Drie kleine, nog naakte vogels sjilpten van onbestemden angst. De Soendanees draaide ze den hals om. Krijschend vloog de moeder om.