HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN. (continued 4)
Reading edition
„Toch geloof ik, Van Affelen, dat je wel zult doen om je niet te veel illusies te maken van de uitwerking van dergelijke concessies. Je kunt desnoods nog vrijstelling geven van vischtjoeké ook. Maar heusch, het zal weinig geven. Neen, wij moeten dat anders aanpakken, geloof me, anders voorzie ik dat we van het jaar voor driekwart padi in de pakhuizen krijgen.”
„Maar dan nog, mijnheer Nederman, is dat zoo in het nadeel van het land? Het zou de moeite loonen, dunkt mij, dat nog eens te becijferen. Ik heb me wel laten vertellen ...”
„Dat becijferen kun je veilig nalaten, man. Dat is al lang en breed overwogen, van alle kanten bekeken en bezien. Wacht ’s, ik heb er nog wel correspondentie over met de eigenaren. Dat kan ik nog wel vinden, denk ik.”
De administrateur opende een boekenkast, zocht een oogenblikje en haalde onder een stapel papieren een bundel oude, geel geworden brieven voor den dag.
„Juist. Hierin zal ik nog wel het een en ander kunnen vinden.”
Hij sloeg het boek open. „Ja, nu moet je weten, dat aan het slot van al dat gewrijf en geschrijf een der eigenaren zoo naïef was op te merken dat de bevolking dan toch eigenlijk werd benadeeld. Ja, stel je ’s voor, we zouden hier aan filantropie doen! ’t Gevolg zou niet anders zijn dan dat diezelfde naïeve mijnheer een scheeven snuit zou trekken als de winst kleiner werd.”
Hij bladerde weer even, terwijl Van Affelen de wijsgeerige opmerking maakte dat de meeste menschen eerst weldadig zijn als ze een volle beurs hebben.
„Hier heb je al iets: 4 Juli 18 ., een brief van de Bank aan den administrateur: „In overleg met de firma Biederman en Van Lochem—je weet dat zijn de hoofdadministrateurs van Telatiga—en naar aanleiding van door genoemde firma ontvangen inlichtingen, moet erkend worden, dat, waar bij beschadigde velden de rijstlevering in het nadeel der bevolking is, enzoovoorts ...” en hier, veertien dagen later, 19 Juli: „de rijstlevering is dus alleen voordeelig voor de bevolking, wanneer de opbrengst per bouw aan natte padi ongeveer 325 picols of meer bedraagt ...” Het is niet eens waar ook.”
Hij bladerde nog een poosje.
„Neen, meer vind ik niet, maar dat is uit den aard der zaak. In mijn copieboek vinden we meer.”
Uit een lade van de schrijftafel haalde Nederman een half uiteen hangend copieboek te voorschijn. Er waren losse bladeren in, ezelsooren en scheuren en het boek droeg niet de sporen van een zorgvuldige behandeling. Het scheen wel of Nederman meermalen de betrekkelijke passages onder de oogen had gehad, althans hij vond zeer spoedig de plaats waar ze stonden.
„Je moet zoo verdomd voorzichtig zijn met je uitlatingen tegenover de eigenaren. Vandaar dat ik die rommel zoo’n beetje bij mekaar gelegd heb. Brieven van mijn voorgangers over de kwestie, nota’s, en nog meer paperassen. Zeg je ze, dat er te veel geheven wordt, dan heet het al gauw: nou, we kunnen wel een beteren administrateur krijgen. Als je den schijn maar redt, zie je. De bedoeling is: voortgaan op den ouden voet, maar verklaren dat je in het belang van de bevolking werkt.—Ja, ja, ’t is maar een weet. Ik heb dan ook zelden ronduit gesproken, dat is veiliger. Hier: 25 Nov. 18 .. laat ’s kijken: „ik ben de eerste,” schreef ik, „om te erkennen dat een heffing van ⅕ der padi-opbrengst of 1/10 der bruto-rijstopbrengst van sawahs een zware heffing is. Willen de eigenaren, nou ja, enz.””
Hij sloeg een bladzijde om.
„Hier heb je een tjoeké-staat. Zoo’n ding lijkt verbazend onschuldig. Maar als er eens een gerechtelijk onderzoek komt, dan kunnen die tjoeké-staten, registers en boeken de eigenaren nog heel wat kwaad doen.—Hier heb je een brief, nog van recenten datum, 4 Maart 19 .. , die de hoofdadministratie weinig plezier gedaan heeft. Ik schrijf hier: „de oningewijde zou hieruit—uit dien tjoeké-staat namelijk—opmaken, dat de heffing mild is. Dit nu is een verkeerde voorstelling, want de heffing bedraagt meer dan ⅕, terwijl tevens het stamploon niet hier bij is inbegrepen, zonder buitendien in rekening te brengen prijzen en verschil in gebroken korrel.”
„Jezus,” zei Van Affelen, „zoo’n erkentenis is nog al gevaarlijk.”
„Ja, maar er is later een beroep op te doen. Wij hebben het dan al gezegd, zie je.—O, en hier is een ander vermakelijk ding. Die eigenaren hebben niet het minste benul van het reglement. Je weet van de weigering van Arabieren en Chineezen op Telatiga om grondhuur te betalen, hé? Dat moet je nog weten; ’t is nog van jouw tijd. (Van Affelen knikte.) Nou, daar schrijft me een van die heeren uit Holland, dat als die dingen ook hier gebeuren, ik het best zou doen er onmiddellijk een civiele zaak van te maken. Ja, die is goed. Ik heb geantwoord: „... daar zij bekend zijn gesteld met de bedoeling van het reglement dat erfpachters van sawahs geen grondhuur behoeven te betalen, hebben zij geweigerd verder die belasting te voldoen. Wijl de menschen in hun recht zijn, kunnen zij civiel-rechterlijk niet vervolgd worden.”
„Wat is dat?” vroeg Van Affelen, wijzende op een blad vol berekeningen, waarboven stond: „Rijstheffing op Telatiga,” met een dikke roode streep er onder.
„Zeker, dat zou het dunkt mij toch ook,” viel Van Affelen in de rede.
„Nou, het is zoo niet. Want die berekening deugt niet, zie je. Of juister, er worden verschillende factoren in genegeerd. Ik heb het ze duidelijk genoeg gemaakt. In de eerste plaats hebben we geen pakhuisruimte als padi wordt ingeleverd. ’t Transport wordt veel duurder door het grooter kwantum.” ...
„Ja, dat is waar.”
„Een fabriek wordt noodig, en dus uitbreiding van personeel.”
„Ja, dat is ook waar.”
„Ja, nu kunnen wij daar de lui zelf mee laten zitten.”
„Nou, dat is nog zoo erg niet. Ze vreten het toch. Maar voor den export is ze niet te gebruiken.”
„Ja, daar heb ik niet zoo gauw aan gedacht.”
„Juist, en dan moet je niet vergeten, dat, als we niet in de kwaliteit van de te leveren padi door de kerels bedot willen worden, van elken sawahbezitter bij den proefsnit de padisoort genoteerd moet worden. In regenachtige jaren krijg je uit die padi veel breuk of vooze korrel, in droge jaren veel schrale bossen.”
„Ja, ja, dat is zoo.”
„En nog iets: het voornaamste punt. Bij padilevering zijn wij verplicht de padi te ontvangen, zooals het uitvalt. Bij rijstlevering heeft keuring plaats van het geleverde.”
„Waarachtig, mijnheer Nederman, dat is een cardinaal punt!”
„O, zoo!”
„Ja, en ik moet erkennen, dat ik nog geen machinaal bereide rijst heb gezien, die mooier was dan de rijst, door de bevolking geleverd.”
„Natuurlijk niet, dat haalt niet bij elkaar. En dan zeg, laten we mekaar nou geen Mietje noemen. Maar Van Bern, van Telatiga, heeft onlangs aangetoond in een gedrukte nota dat de practijk ook een woordje te vertellen heeft. De bevolking van Telatiga, rekent hij uit—en er is geen speld tusschen te steken—brengt per jaar bijna zes en twintig duizend pop te veel op. Nou, hier op Alas Bamboe is het nog wel een beetje meer ook.”
„De eigenaren waren niet erg tevreden met Van Bern, heb ik gehoord. Hij was er toch al een heelen tijd, op Telatiga.”
„Ja, ik geloof zooiets van dertig jaar, waarvan vijftien of nog langer als administrateur. Maar als je de de lui dan gaat dreigen met publiciteit ...”
„Wat zegt u?”
„Ja, dat heeft hij gedaan. Wel, hij was de slechtste niet, en kende zijn menschen door en door. Maar toen kwam er eens wat met de eigenaren; hij wou meer salaris hebben, geloof ik, en toen hij het niet kreeg, begon hij te dreigen. Nou, de rest laat zich denken. Ik geloof tenminste zeker dat dàt de eigenlijke reden is van zijn ontslag.”
„Och kom?”
„Ja, hij zei ze, dat ze er dankbaar voor mochten zijn dat de klagers en de krantenmenschen—die zitten overal met hun neus in—niet bekend waren met de werkelijke wijze van rijstheffing en de nadeelige factoren ervan voor de bevolking, en dat ze daarom tot dusver nog op geen andere onbillijkheden konden wijzen, dan dat de heffing niet in overeenstemming is met artikel 11 van het reglement.”
„Maar, ik zou zoo denken, dat een beschuldiging tegen de eigenaren dan toch ook op den administrateur terugvalt.”
„Pardon, dat ben ik niet met je eens. Die rijstheffing bestond al jaren voor 1837 en is geen maaksel van den tegenwoordigen administrateur. Die heffing werd door de eigenaren vastgesteld, in elk geval goedgekeurd en gehandhaafd. Wat is nu een administrateur? Niets meer dan de gemachtigde van de eigenaren. Hij ontvangt de tjoeké, namens de eigenaren; namens de eigenaren voert hij de administratie volgens hùn inzichten. En dus worden die administrateurs, om het nou eens te zeggen in dezelfde woorden, die Van Bern gebruikte, door de eigenaren geplaatst in een rijstcomplot. En dan moeten die daarvan dan ook maar de verantwoordelijkheid dragen. En nog iets, het lijkt mij nu heelemaal niet in het belang van de eigenaren om den administrateur op zijn aandeel in dat rijstcomplot te beknibbelen.”
„Neen, dat is het zeker niet.”
„Het gebeurt toch en nog slimmer: ze hebben Van Bern beschuldigd de heffing te hebben verzwaard. Dat is ongerijmd. Van Bern heeft juist de onbillijkheid van de rijstheffing aangetoond en een mildere voorgesteld. Ik kan me dan ook best voorstellen dat hem de gal overliep. Nou en toen heeft hij ze gedreigd: ontsla me maar, maar ik zal een boekje van jullie opendoen.”
„Is die bedreiging dus openlijk uitgesproken?”
„Waarachtig. En in antwoord kwam de vraag van een van de eigenaren: „Waarom vragen wij niet integraal 2½ picol rijst eerste soort per bouw, zooals vroeger?” Waaraan je dus kunt zien, dat het vroeger nog een beetje erger was, met minder irrigatie en meer inkomsten. Maar wij dwalen af. We hadden het over die rijstheffing. Nou, ik dank je er voor om padi te ontvangen. Weet je wat, ik ga overmorgen naar Telatiga. We moeten tot een oplossing komen. Het is daar al niet anders dan hier.”
Van Affelen en Nederman bleven nog een heele poos samen praten. Eerst zeer laat ging de employé heen. Hij bleef den nacht bij Zevenaer over en den volgenden morgen vroeg vertrok hij weer naar Herea.
* * *
Hij ging, zelfs in de gevangenis, met eenigen zwier gekleed, werkte overdag zoo goed als niets en had een air over zich van luchthartigheid en neerbuigendheid jegens de bewakers, waar Siman jaloersch van was. De avonduren kortte hij met zijn verhalen, waarin hij ferm opsneed over zijn geluk bij de vrouwen.
Siman leerde weinig goeds van hem. Maar och, de gevangenis is de plaats niet, waar goede eigenschappen worden ontwikkeld!
Toen Si-Lindoeng heenging, na drie maanden, had Siman nog twee maanden voor den boeg. Een week ongeveer bleef hij alleen in zijn cel, die hem toescheen nog te weerklinken van de spot- en minneliedjes van Si-Lindoeng. Daarin was deze een baas geweest. Siman had den lotgenoot de gebeurtenissen medegedeeld, welke hem in de gevangenis hadden gebracht en de ander had hem een beetje spottend aangezien, onderwijl opmerkend dat Siman een volgenden keer wel wat handiger zou zijn. Hij had overigens wel deelneming getoond met Siman en in die drie maanden waren beiden, in dat donkere, vochtige gevangenislokaal, bepaald goede vrienden geworden.
„Als je later ’s soesah hebt, zoek je mij maar op, hoor. Ik zal je wel helpen. Vraag maar naar Si-Lindoeng; iedereen kent Si-Lindoeng op Sapekan.”
Na een groote week was een andere celgenoot gekomen, een stille kerel, van wien Siman niet kon te weten komen, wat hij eigenlijk had misdreven. Maar in enkele buien van woede vloekte de nieuwe tegen de rechters en de menschen, tegen de toestanden en tegen alles, waarmede zijn gedachten zich bezighielden. Toen deze ongure gast in de cel kwam, werd Siman getroffen door een onaangenamen geur, die het vertrek vulde, een inzoete lucht, die je hoofdpijn bezorgde. Zij kwam van den medegevangene. En later begreep Siman dat de man een opiumschuiver was.
Deze gevangene bleef maar heel kort en werd vervangen door een zakkenroller met een gemeene tronie. Ook die ging weer spoedig heen, en na hem kwamen nog een tweetal lieden, welke geweigerd hadden heerendienst te verrichten, recidivisten. Die allen gingen weer heen, vóór Siman. Hij telde de dagen, die hem nog scheidden van zijn invrijheidstelling. Het pijnigde hem dat hij nog steeds zijn wraak niet kon koelen. Heimwee naar huis kwelde hem niet. Och neen, Djiah was er niet en de kleine Rekso zou wel goed bezorgd zijn. Wel verlangde hij zeer naar den kleinen jongen en stelde hij zich voor, hoe groot die reeds zou zijn. Zoo lang al had hij hem niet gezien. Het was al bijna een jaar geleden, dat hij gearresteerd werd.
Over dag was hij werkzaam in de timmerafdeeling. Alle gevangenen moesten werken en Siman, die niet lui was, had genoegen in den arbeid, welke hem vaak de kwellende gedachten aan huis verdreef. Maar beter werd Siman in dat jaar niet. Integendeel. Hij had al den tijd er over te denken hoe hij zijn wraakplannen zou volvoeren, wanneer hij maar eerst weder vrij was. Neen, bij God, hij zou niet weer missen!
* * *
Nederman was een dag lang bij Versnoek geweest, den administrateur van Telatiga. Lang en breed hadden de waardige mannen geconfereerd. En men was tot het besluit gekomen gezamenlijk naar den assistent-resident te gaan om dezen te verzoeken hen te steunen tegen de opgezetenen.
Versnoek was zeeofficier geweest; misschien een goed officier—dit weet ik niet. Maar als administrateur over een land met een bevolking van zeventig à tachtig duizend zielen was hij niet op zijn plaats. Bovendien had hij het al zeer slecht getroffen. Toen hij de administratie van zijn voorganger overnam, was zich reeds een geest van verzet beginnen te openbaren, ook op het land Telatiga. Hij was toen zoo tactloos geweest, den oudsten opzichter zijn afscheid te geven en toen, nadat ook de mantri’s, die onder dezen gewerkt hadden, ontslagen waren en ontevredenheid stookten onder het volk, tegen hun vervangers voornamelijk, die niets anders waren dan spionnen van den administrateur,—toen zij bewerkten dat de onrustige geest onder de opgezetenen zich begon te uiten in daden, was een gegageerd onderofficier van de marechaussee, een Duitscher, benoemd tot opzichter. Die zou er wel orde onder houden. De man kreeg bedektelijk te verstaan dat van hem verwacht werd dat hij rust en orde zou weten te handhaven. Ook bij marine en leger waren onhandelbare sujetten, die men tòch klein kreeg. Zoo noodig moest à la Atjeh worden opgetreden.
Maar zulk „energiek” optreden kan in verschillende streken van den Archipel verschillende uitwerking hebben. En op Telatiga was het resultaat anders dan Versnoek gewenscht had. Hiervan droeg hij evenwel voorloopig nog geen kennis en hij leefde in den waan dat hij den juisten weg had ingeslagen, wijl in den laatsten tijd minder van strubbelingen met de bevolking werd vernomen.
Wij menschen staan altijd klaar met goeden raad aan anderen, wanneer wij met het geven daarvan onze eigenliefde kunnen streelen.
„U moest dien De Leeuw bij u daar op Alas Bamboe wegdoen, mijnheer Nederman,” had Versnoek zijn gast geraden. „U weet niet half, welk een kwaden invloed het op de bevolking heeft als het vergelijkingen gaat maken tusschen den employé en den baas. Ik heb mij om die reden genoodzaakt gezien hier Muller bij me te ontslaan. De man was niet kwaad voor zijn werk, och neen, en zelfs had hij heel veel kwassa bij het volk, maar hij was te lankmoedig, te gemakkelijk, te goed. Hij liet zich al heel gauw bedotten door een beroerden snuit en wat gejank. Nou, dat gaat niet, ziet u. De lui zijn dan al gauw klaar met vergelijkingen. De baas is hardvochtig, maar de ziender, daar kun je mee opschieten. En het gevolg is dat ze meer gaan voelen voor den laatste en uit lust tot weerspannigheid, want iets anders bezielt de lui niet, den administrateur pesten en sarren, wat ons nu niet bepaald het leven veraangenaamt.”
„Je kon wel ’s gelijk hebben, Versnoek.” Nederman herinnerde zich, dat hij zelf De Leeuw „te week” vond, en zijn gedachte van Versnoek’s intelligentie was een zeer gunstige.
„Ja zeker, het is zoo. Ik zeg maar: ik ben de baas en de employé’s doen nu precies zoo als ik het wil of anders kan ik ze niet gebruiken. Sic volo, sic jubeo.”
Die Latijnsche kranigheid kwam er expresselijk achter, omdat Versnoek heel goed wist dat Nederman’s taal- en letterkundige ontwikkeling niet heel ver ging. Hij kon zich bij dezen man dus al heel goedkoop een reputatie van buitengewone kennis verwerven.
Nederman zei weinig terug. Hij was moe van de lange reis en den drukken dag.
Den volgenden dag waren beiden bij den assistent-resident in diens woning te Telatiga. Men kon daar meer op zijn gemak praten dan op het kantoor, meende de heer Van Dam. En zoo zaten zij daar in de luchtige, gezellige voorgalerij der ruime assistent-residentswoning, achter een stevige whisky-en-soda, een geurige havana in den mond. O, zij gevoelden zich zeer op hun gemak; het lichaam eischte in het geheel niets; materieele zorgen kenden zij niet; zoo dadelijk zouden zij de maag, voordat die nog knorde, kunnen bevredigen aan den welvoorzienen disch des heeren Van Dam, die hen genood had bij hem het middagmaal te nuttigen. Zoo, voldaan naar alle behoeften van het fysiek, zouden zij maatregelen beramen om de bevolking te noodzaken hen niet te plagen met zorgen des geestes.
Maar toch, wanneer Versnoek en Nederman gerekend hadden op groote toegevendheid en bereidwilligheid bij den ambtenaar om mede te gaan met hun plannen, dan hadden zij zich vergist. Van Dam, het is misschien reeds meer gezegd, maar herhaling kan, waar zijn deugden zoo weinige waren, zeker geen kwaad—Van Dam was geen slecht mensch, die er op uit zou zijn medemenschen te kwellen. Integendeel, en hij hield zichzelf voor een zeer goed ambtenaar, die werkelijk hart had voor de bevolking. En zelfs was die neiging zoover gegaan dat hij, met de wetenschap zich eenige soesah te veroorzaken, geweigerd had de weigerachtige heerendienstplichtigen te tuchtigen. Elders is ook dit reeds medegedeeld en men weet dus dat de politierechter, op last van den procureur-generaal te Batavia, tot tuchtigen heeft mòeten overgaan.
Nu scheen het wel of Van Dam bij intuïtie begreep dat een dringender reden dan bloot hoffelijkheidsbetoon de beide landheeren naar zijn woning had doen komen. En hij voelde als ’t ware dat men hem zou trachten te overrompelen. Hoe echter zich te verschansen, waar hij niet vermoeden kon van welke zijde de aanval dreigde?
„We komen met een ernstige zending, mijnheer Van Dam!” begon Versnoek, „en het is hoofdzakelijk in uw belang, waarachtig in uw belang, dat u ons bij u ziet.”
„In mijn belang?”
„Ja, ja in uw belang,” viel Nederman in.
„Wij komen u namelijk waarschuwen ...”
„Zoo, waarschuwen? Waarvoor?”
„Er gaat een heel moeilijke tijd voor u aanbreken, mijnheer Van Dam, waarin ... waarin ...—hoe zal ik ’t zeggen—waarin u zult staan voor gebeurtenissen en toestanden, die heel wat beleid, ja, heel wat bestuursbeleid zullen vorderen.”
„Dat is een heel raadselachtige en ernstige inleiding,” lachte de assistent-resident, gemaakt vroolijk. „En waar slaat dat nu allemaal op?”
„Dat zult u dadelijk hooren.”
„De lui weigeren om met den volgenden oogst rijst te leveren,” vulde Nederman ongeduldig aan.
„O, daar weet ik alles van!”
„Zoo? weet u dat?”
„Ja, er zijn reeds verscheidene opgezetenen bij mij geweest om me te waarschuwen, dat ze de vrijwillige overeenkomsten niet meer zullen teekenen.”
„Dat is sterk. Komen die lui u dat te voren reeds vertellen?”
Nederman hield zich, als wist hij hier niet van.
„Ja.”
„En wie zijn de kerels, weet u dat misschien ook?”
„Ja, ik heb ze natuurlijk genoteerd.”
„Mag ik dat lijstje bij gelegenheid eens van u inzien?” vroeg Nederman met een bijbedoeling.
„Wel ja, daar heb ik geen bezwaar tegen. Maar u ziet dus dat ik van de plannen der bevolking weet.”
„En wat denkt u te doen?”
„Niets. Wat zou ik kunnen doen? Als ze volharden in hun dwaze plannen, moeten u en ik ons daarbij wel nederleggen.”
„Daarin ben ik ’t toch niet met u eens, mijnheer Van Dam,” viel Versnoek in, terwijl hij een teug nam van de whisky-soda. „Ziet u eens. U kent ons lang genoeg om te weten dat wij geen bloedzuigers der bevolking zijn, niet waar? Indien maar eenigszins mogelijk helpen wij ze, dan ’s met dit, dan ’s met dat; vischtjoeké, tuinhuur, niet waar? Enfin, dat weet u net zoo goed als wij. In de laatste jaren is de heffing verminderd en, men mag nou toch zeggen wat men wil, maar die heffing is mild: ⅕, en als er een beetje reden voor is, krijgen ze nog vermindering ook. Trouwens het is een practisch oeconomisch beginsel, dat wij de lui niet boven draagkracht belasten. Gaat het de bevolking goed, dan gaat het ons ook goed. En daarbij, gesteld eens dat wij dit beginsel uit het oog verloren, dan is u daar om er voor te waken dat de bevolking niet gevexeerd wordt.”
„Ja, ja, dat is zoo,” beaamde Nederman, „en het is zonder eenige vleierij gezegd, mijnheer Van Dam, ik heb verscheidene assistent-residenten gekend, maar de bevolking mag dankbaar zijn dat u over ze waakt. U bent stipt rechtvaardig en u draagt de lui een goed hart toe ...”
„Juist, mijnheer Van Dam, en behalve een goed hart nog een goede dosis gezond verstand, en nog meer op het laatste dan op het eerste komen wij een beroep doen. In uw belang in de eerste plaats, omdat wij het zeer ongaarne zouden zien, dat u, van wien wij telkens de meest ondubbelzinnige blijken van welwillendheid hebben ondervonden, nu de dupe zou worden, door soesah, lastige perkara’s, noodeloos gewrijf en geschrijf en god-weet-wat-niet-al-meer, van ... eh ... van conflicten tusschen landheeren en opgezetenen. In de tweede plaats in het belang van de bevolking. De inlander is net een groot kind en als hij zich nou in zijn hoofd gehaald heeft dat dìt goed is en dàt niet, dan moet men over meer beleid, overredingsvermogen, taal- en menschenkennis beschikken, dan wij bezitten, om ze te overtuigen van het verkeerde. Dat kunt u, maar dat kunnen wij niet. En in de derde plaats komt ons eigen belang ook nog een woordje meespreken, of juister, het belang van de eigenaren, dat wij dan moeten behartigen. Want ziet u eens: als de bevolking padi levert, dan vervalt ze van zelf in veel zwaardere heffing, dat is duidelijk. Vandaar dan ook dat wij rijst vragen, alweer om ze niet te zwaar te treffen. Nou, en nu zult u zeggen, dan brengt je belang toch mee om padi te ontvangen, als ze dat zelf komen leveren—dat is alleen maar waar voor een of twee jaren. Want als we een beetje verder kijken, wat zien we dan? De bevolking bemerkt natuurlijk al spoedig dat ze meer opbrengt dan vroeger. Ze gaan niet na, dat ze zelf de schuld zijn van den toestand, welneen, maar ze worden ontevreden. Er komt volksverloop, minder zorg wordt er besteed aan het product en het slot van het liedje is dat wij met een betrekkelijk grootere hoeveelheid rijst in het begin bedrogen uitkomen op den duur. De wijsheid gebiedt hier om met het mindere tevreden te zijn. En als de bevolking toch méér wil leveren, dan moeten die groote kinderen maar gedwongen worden om het voor hen voordeeligste te kiezen, al was het dan tegen hun zin in.”
Versnoek had gepoogd met overtuiging te spreken. Hij was welbespraakt, gevat en diplomatiek.
Daarbij had hij een paar sterke bondgenooten, n.l. de onkunde van den assistent-resident wat het bedrijf in zijn afdeeling, het hoofdbedrijf, betreft en de vatbaarheid van den heer Van Dam voor vleierij. Toch was Van Dam niet zoo naïef te gelooven dat eerst in de derde plaats het belang van den landheer gold en dat ethische gevoelens zijn bezoekers tot hem gebracht hadden.
„Maar ik zou u toch wel de opmerking willen maken, mijnheer Versnoek, dat naar het mij voorkomt, de bevolking nog zoo ongelijk niet heeft, als ze ...”
„Als ze padi levert, bedoelt u? Wel, mijnheer Van Dam, daarin vergist u zich toch zeer sterk. Hoewel, ik geef dadelijk toe, dat het voor outsiders altijd een buitengewoon moeilijke zaak is juist de waarde van dit punt,—de heffing van padi of rijst, bedoel ik—te schatten, laat staan te berekenen. Indien u er belang in stelde, zou ik u met cijfers kunnen aantoonen met hoeveel de bevolking in het voordeel is bij rijstlevering.”
„Nou, daar houd ik mij voor aanbevolen.”
„Ik heb er mij niet op geprepareerd, ziet u, anders zou ik mij gewapend hebben met stukken en paperassen. Maar wat in het vat is verzuurt niet.”
„O, ik kan je wel een handje helpen, collega,” zeide Nederman. „Nog eergisteren had ik het erover met een van de employés. Ik behandel die dingen graag met de jongens. Daar leeren ze van. Want over het algemeen loopen ze wat hard van stal. En dan is het maar: hoe meer tjoeké hoe beter. Ziet u, dan pleeg ik te remmen. Wat bliksem, die arme zwarten zijn ook menschen.”
„Natuurlijk, natuurlijk.”
„Nou, Van Affelen had het er ook over dat padi voordeeliger zou zijn voor de lui. Maar dat is niet waar. We hebben rekening te houden met de hoeveelheid rijst, hé? Want de lui moeten hun padi ook tot rijst maken. Nou in 19.. hebben wij binnengekregen ruim vijf en dertig duizend picol rijst. Dat zou geweest zijn—ik ken de getallen nog uit het hoofd—als wij padi hadden gevraagd, ruim zes en tachtig duizend picol padi. Dit omgezet in rijst, eerste en tweede soort, zou het niet onaardige voordeeltje voor ons hebben opgeleverd van ruim een halve ton; stamploon, maalloon, etc. etc. afgetrokken, dus schoone winst.”
„H’m.” De assistent-resident was wat bang voor cijfers: hij was een leek, zijn bezoekers deskundigen.
Zou dus waarlijk padi-levering zooveel nadeeliger zijn voor de bevolking? Het kwam hem vreemd voor. Zouden ze zoo’n voordeeltje van vijftig mille maar hebben laten schieten? Het klonk ongelooflijk!
„Maar nu houdt u ook geen rekening met een hoop factoren,” zeide hij, zich groot houdend.
„Neen, neen, er is met alles rekening gehouden, met de meerdere transportkosten, met het gewicht van de padi, hè, nou dat is een voornaam ding ...”
„Als je blieft,” vulde Versnoek aan. „De rijstlevering belet vexatie, maar met padilevering, gesteld ’s dat een Europeaan zich daartoe zou willen leenen, met padilevering kan je eenvoudig laten wegen, waar het gewas het best staat. Dan zou een hoop schelen op het geheel. En dat kan niet belet worden. De geteekende overeenkomsten daarentegen worden door u geregistreerd en als wij daarvan afweken, gesteld dat we het deden, zou dat als contractbreuk worden aangemerkt; zeer terecht overigens, zeer terecht, ik geef ’t dadelijk toe.”
„En de keuring, Versnoek, vergeet die niet. Hoe gaat dat, mijnheer Van Dam? Daar wordt genoteerd wat voor soort padi, wat voor qualiteit. Nou en in de pakhuizen wordt streng rekening gehouden met die factoren, altijd in het belang van de bevolking. En dat is dan natuurlijk uit met padilevering. Want dan geldt eenvoudig de regel: zooveel oogst; ⅕ afleveren in de pakhuizen. Als je blieft. En nu zeggen we: nou ja, jullie moogt wel wat minder mooie korrel brengen. Er is veel regen geweest van het jaar.”
Zelfs Versnoek zweeg bij deze leugenachtige voorstelling van zaken. Die Nederman durfde! Maar Van Dam wist te weinig van al die zaken om den spreker op z’n valschheden te wijzen. Hij wist van al die factoren niets af. En het was wel jammer dat hij het gesprek tusschen Nederman en Van Affelen van eenige dagen te voren niet had bijgewoond: toen Nederman klaar en duidelijk bewezen had dat padi-levering zoo nadeelig was voor het land. Al kon hij zich nu niet verklaren waaròm de landheeren een zich oogenschijnlijk zoo gemakkelijk te bezorgen winst prijs gaven, hij begon over te hellen tot de meening dat padi-levering nadeelig was voor de bevolking en dat deze dit niet inzag.
„Dat is nu wel allemaal waar”, zeide hij, „maar nu houdt u toch geen rekening met het feit dat u de rijst berekent tegen 54 procent van de padi.”
„Ja zeker, maar ...”
„Nou, die coëfficient is toch te hoog, niet waar?” Het was een stroohalm, waar hij zich aan vastklampte, maar zeker voor hem de zwakste.
„Te hoog? Welneen, mijnheer Van Dam, wel neen. Te laag, bedoelt u, te laag.” Triomfantelijk haalde Nederman uit een portefeuille in een binnenzak een toegevouwen papier voor den dag. Hij reikte het den ambtenaar over, met de woorden: „Hier hebt u een paar stampproeven. Die heb ik altijd met andere paperassen bij me.”
Hij paste er wel voor te verklaren dat hij, als bij intuïtie, nog even voor zijn vertrek het velletje uit zijn zakboekje had gescheurd. Men kon niet weten—het zou eens noodig kunnen zijn.
De assistent-resident keek het papier in. Het bevatte het hier naast afgedrukte staatje.
STAMPPROEF van padi van Alas Bamboe.
Hoeveelheid padi SOORT Verkregen rijst Dedek (zemelen) Merang (stroo) Totaal
grof fijn totaal
picol kattie p. k. p. k. p. k. p. k. p. k. p. k.
1 — Glewang (mindere kwaliteit) — 30 — 26 — 56 — 29½ — 12 — 97½
1 — Idjoean (mindere kwaliteit) — 28 — 31½ — 59½ — 29 — 09½ — 98
Gemiddeld — 29 — 28¾ — 57¾ — 29¼ — 10¾ — 97¾
STAMPPROEF van padi van Sikarang.
Hoeveelheid padi SOORT Verkregen rijst Dedek (zemelen) Merang (stroo) Totaal
grof fijn totaal
picol kattie p. k. p. k. p. k. p. k. p. k. p. k.
1 — Ossok — 36 — 26½ — 62½ — 28 — 07½ — 98
1 — Ossok ,, — 35½ — 27 — 62½ — 27 — 08 — 97½
1 — Idjoean — 42½ — 18 — 60½ — 28½ — 09 — 98
1 — Idjoean ,, — 34 — 27 — 61 — 29 — 08 — 98
1 — Glewang — 41 — 19 — 60 — 28½ — 09 — 97½
1 — Glewang ,, — 42 — 17 — 59 — 29 — 09½ — 97½
Gemiddeld — 38½ — 22–5/12 — 60–11/12 — 28⅓ — 08½ — 97¾
„Wel, het is duidelijk niet waar? Bij minder kwaliteit glewang en idjoean krijgen wij nog 57¾ kattie, bij betere kwaliteiten zelfs bijna 61. Wij brengen de bevolking in rekening niet meer dan 54 procent. Nou, dat is dunkt mij dan toch al het zuiverste bewijs dat wij er niet op uit zijn, de lui te villen.”
Hij wisselde een snellen blik met Versnoek. Van Dam zat nog steeds met aandacht in het papier te turen. Het was dus toch waar? Wel, kijk, het deed hem pleizier! Er was dus toch niet zooveel baatzucht als steeds werd afgeschilderd, niet het minst door sensatie-lievende persorganen. Gelukkig; hij zou nu kunnen rekenen op medewerking bij de landheeren om de bevolking op haar eigen belang te wijzen. Maar toch, hij begreep eigenlijk nog niet goed, waarom de eigenaren dan toch geen padi vroegen. Vroeger moest dat wel het geval geweest zijn. Och kom, het zou wel zijn zooals Versnoek gezegd had. De practijk had ze wijsgemaakt, had ze geleerd de belasting niet te zwaar te doen drukken. Ja ja, dat was het. Volksverloop is een naar ding. En per slot van zaken zouden ze bedrogen uitgekomen zijn. Maar de assistent-resident wist niet dat de stampproeven waardeloos waren, wijl zij genomen waren bij meest zorgvuldige stamping om schitterende resultaten te verkrijgen; hij kon dus niet vermoeden dat deze kleine hoeveelheden wel degelijk uitgezochte padi een valsch beeld gaven van den voornaamsten factor bij de rijstwinning; hij begreep niet dat met zulke staatjes, aantoonende dat men zestig en meer procent rijst kon verkrijgen van 36,7 % breuk bijv., gewoekerd werd; hij kon de valschheid niet bespeuren in de opzettelijke leugens omtrent de winning, hem daarnet van beide zijden op de mouw gespeld; hem was het niet bekend dat van 1887 tot 1898, gedurende twaalf jaren dus, op Telatiga de padi niet meer dan nauw 54 % rijst leverde van de verhouding 32 % grof en 68 % fijn, geheel andere cijfers, naar men ziet, dan die hem uit eenige stampproeven van 8 picols uitgezochte padi werden opgedrongen; hij kon dus niet vragen met welk recht—buiten dat steunen op de „vrijwilligheid” der overeenkomst—de landheeren tjoekérijst eischen van slechts 20 % breuk in naam, van 16 tot 11 % inderdaad. Dit alles wist de assistent-resident niet, al had hij het kunnen, al had hij het moeten weten.
„H’m,” zeide hij, „alles goed en wel; maar de geschiedenis spreekt toch een heel andere taal. Daar heb je bijvoorbeeld de oud-resident Smith, die noemde den toestand op de particuliere landen in sommige opzichten erger dan slavernij. Hij heeft er nog een brochure over geschreven, geloof ik.”
„Jawel, jawel, dat is zoo. Hij toonde aan dat de landheeren in plaats van ⅕ aan padi, 1/10 en meer in rijst eischten. Maar die oude heer sprak van de veertiger jaren, mijnheer Van Dam, al langer dan een halve eeuw geleden. Hij kan best gelijk gehad hebben—wie wie zal het controleeren?—maar wat hij toen zeide, kan toch moeilijk op toestanden van thans toepasselijk verklaard worden.”
„En wat heeft het gegeven?” vroeg Versnoek, ietwat schamper.
„Gegeven? Neen, gegeven heeft het niets, maar er werd een onderzoek ingesteld naar de gegrondheid van de beschuldigingen van vexaties van de opgezetenen door het vorderen van heerendiensten en het doen van heffingen in strijd met de wet.”
„Nou ja, een onderzoek; dat is ons ook bekend,” zeide Nederman, „maar u vergist u dat Kan daartoe den stoot gegeven heeft. Zijn pamflet kwam eerst daarnà in het licht.”
„Zeker,” viel Versnoek bij, „en de uitslag van het onderzoek heeft wel bewezen dat al die beschuldigingen laster waren.”
„Dat is wel wat bout gezegd,” meende Van Dam.
„Er is toch geen vervolging uit voortgevloeid?”
„Neen, dat niet; maar de beschuldigingen zijn wel degelijk juist bevonden.”
„Toch wel kras, dat er dan geen straf gevolgd is,” merkte Versnoek ongeloovig op. Hij had zich eigenlijk nooit druk gemaakt om wat er vroeger gebeurd of niet gebeurd was, en kende dus ook de historie op dit punt niet anders dan terloops.
„O, dat zal ik u wel vertellen. Eerstens is het wel degelijk Kan geweest, die op een onderzoek heeft aangedrongen. En dat onderzoek werd toen gelast door den gouverneur-generaal. De toenmalige hoofdinspecteur der cultures heeft daarop alle beschuldigingen van Kan waar gemaakt. En een gerechtelijke vervolging werd toen wel degelijk gelast. Er is twee jaar later, meen ik, weer van afgezien. Maar waarom? Omdat het bestuur aan de verbodsbepaling van het overtreden artikel 11 van het reglement zelf niet de hand had gehouden.”
„A la bonne heure!” riep Versnoek uit. „Neen, die is goed! Daar hebben de bestuursambtenaren dan de landeigenaren een grooten dienst mede bewezen. De overweging van dat besluit is overigens magnifiek.”
„Cynisch is een beter woord, vind ik.”
„Maar dat slaat ook al niet op den huidigen toestand, mijnheer Van Dam. Integendeel, wij komen hier juist bij u om u te verzoeken met uw invloed de bevolking van haar dwaze voornemens terug te houden. Mij dunkt, dat pleit dan toch eer vòòr dan tegen ons!”
„O, zeker, zeker; de toestanden zijn dan ook zeer ten goede veranderd. Maar houdt u mij ten goede, mijne heeren, goed kan die toestand toch nog altijd niet genoemd worden ...”
„Wij streven er naar, mijnheer Van Dam, om hem in de eerste plaats niet te verslechteren. Dat is al een heele stap in de goede richting, dunkt mij. Strijd tusschen kapitaal en arbeid is er altijd, zal er wel altijd zijn, zoolang kapitaal en arbeid bestaan. Kijk maar om u heen; overal, overal ziet u conflicten tusschen werkgevers en werknemers. Dat is eenmaal onvermijdelijk, een economische strijdvraag, waarop het antwoord wel nimmer gegeven zal kunnen worden,—het bevredigend antwoord ten minste. Ik zou met eenige hoop op goeden uitslag de stelling kunnen verdedigen: zonder belangenstrijd geen industrieele ontwikkeling, al klinkt het wat paradoxaal, en al zullen de meeste economisten dit wel niet met mij eens zijn. Maar, zooals ik zeg, wij streven naar verbetering, en u zult ons niet alleen altijd bereid vinden u te steunen in uwe pogingen om betere verhoudingen in het leven te roepen, maar wij komen u nu zelfs verzoeken om uwe medewerking daartoe.”
„O, daar kunt u op rekenen; daartoe ben ik èn als mensch èn als ambtenaar ten allen tijde bereid. En dan ligt me al dadelijk iets op het hart. Ik zou graag zien dat de bepalingen in de overeenkomsten op de beide landen conform gemaakt werden, in de productiebepaling van de velden, bedoel ik. Op Telatiga neemt u een grens aan van 37,5 picol padi voor geslaagde sawahs en op Alas Bamboe is 31,5 picol ...”
Nederman viel den spreker in de rede.
„En een kwart, mijnheer Van Dam, en een kwart maar, en, ziet u, daar zijn verschillende redenen voor. In de eerste plaats is de bodem op Alas Bamboe zooveel vruchtbaarder; bij gelijke bewerking geeft de grond er meer beschot dan op Telatiga. Dit is wel de hoofdreden. En dan, zooals dat heet, hè—de toestand is een historische,—’t is nu zoowat adat geworden. Wat de deur dicht doet, is, dat uit den tjoeké-aanslag wel blijkt dat altijd ten voordeele der bevolking wordt beslist. Sawahs van een beschot boven de grens van goed geslaagd en minder geslaagd worden nìet met de maximum-opbrengst belast. En daardoor komt het in de practijk toch eigenlijk op hetzelfde neer.”
Versnoek keek zijn collega weer even aan. Waarlijk die Nederman durfde! Hij wist zeker het best dat bijv. onder slecht geslaagde sawahs ook die gerekend werden, welke misoogst hadden opgeleverd. Ja, uitsluitend zulks zelfs. Want de gemiddelde opbrengst van die slecht geslaagde velden bedraagt, volgens den staat van den tjoeké-aanslag zelf, iets meer dan 2¼ kattie natte padi per roede. En dit beteekent: misoogst. En zoo zal men vinden voor de „minder goed geslaagde sawahs” een opbrengst van nauw 4 kattie natte padi per roede. Die sawahs konden dus niet vallen onder artikel vier der vrijwillige overeenkomst. En ook wist Nederman dat de grensbepaling van 31¼ picol padi op niets berustte en dat op Telatiga, bij wat minder slecht geïrrigeerde gronden, een aanzienlijk hoogere limiet gesteld is. Nederman wist dat 0.40 picol rijst gevorderd wordt voor 1 picol natte padi van minder goed geslaagde sawahs van 22.5 picol per bouw. Het „minder goede” ligt niet uitsluitend in de kwantiteit; neen, meest altijd is ook de kwaliteit van het product niet te loven. Nederman wist dat op Telatiga van sawahs met een opbrengst van 27½ picol natte padi—de grens tusschen geslaagd en niet geslaagd product—slechts 0.33 picol rijst voor 1 picol padi werd gevraagd. Hij wist dat dit eerst onlangs daarop was teruggebracht, nadat door den vorigen landheer was aangetoond dat een heffing van 0.37 picol te zwaar was.
Ten slotte ook was het Nederman wel bekend dat een picol natte padi zelden meer opbrengt dan 0.40 picol rijst, grof en fijn dooreen, dat de heffing van 0.40 picol grofkorrelige rijst, als op Telatiga plaats heeft van goed geslaagd product, zeer zwaar is en dat op Alas Bamboe dit van minder goed en slecht geslaagd product geëischt wordt.
Dit alles had ook de assistent-resident kunnen weten. Hij wist het evenwel niet en voelde dus niet het onware van Nedermans woorden.
„Weet u wat de toestand in deze afdeeling zoo lastig maakt? Dat de lui altijd klagen over „dwang” bij de teekening van de vrijwillige overeenkomsten. Niet eens of tweemaal, maar constant door. Het is den menschen niet in het hoofd te praten dat zij toch ongedwongen bij mij komen om de overeenkomsten te laten registreeren. Neen, zeggen zij, tevoren zijn zij al bewerkt. Ze moeten wel. Maar argumenten kunnen zij niet aanvoeren. Wordt daar dan eens wijs uit.”
„Och, dat moet u niet verwonderen, mijnheer Van Dam,” zeide Versnoek. „Waar geen grieven zijn, daar moeten ze gemaakt worden. En dat gebeurt voornamelijk door de raddraaiers, luie kerels, die niet werken, geleerde proletariërs, die A. B. C. kunnen schrijven en dan desa-eminenties zijn, van die kwade elementen, welke men overal aantreft en tegen wien wij blanken eigenlijk veel te zachtmoedig optreden. Die lui zeggen aan de anderen: zeg maar, dat je gedwongen wordt om te teekenen, dat mag niet en dan krijg je wel gelijk. Nou, het tamme vee doet dat, maar den eersten den besten keer dat u wat dieper in de zaak doordringt en wilt weten wèlke dan die dwang is, blijven de motieven tot de beschuldiging weg, eenvoudig omdat die er niet zijn. Het is ook dwaasheid. Waarmede kunnen wij de lui dan wel dwingen? U zelf registreert de overeenkomsten in hun tegenwoordigheid. Onze bemoeienis gaat niet verder dan de vraag: wil je de overeenkomst of taxatie bij proefsnit? Een van die krantenschrijvers heeft gezegd: er wordt moreele dwang uitgeoefend. Moreele dwang? Nonsens! Wat is moreele dwang? Weet ù wat dat is? Je dwingt ze of je dwingt ze niet, zeg ik maar. Dreigen wij ze met gevangenis, boete of doodstraf? Het is belachelijk!”
Versnoek dronk zijn glas leeg, dat, na noodiging van den gastheer, opnieuw gevuld werd door den huisbediende.
„Met dat al,” zeide de assistent-resident, „heb ik er de soesah van. Voor jaren al begonnen de lui te klagen over dwang, met het gevolg dat er een besluit geslagen werd met de opdracht aan den resident te zorgen voor naleving van het reglement.”
„Dat is nog al gek. Er wordt toch een reglement uitgevaardigd om het op te volgen? Aansporingen om te zorgen dat dit gebeurt is een beetje—bizar, zou ik zeggen.”
„Ja, dat is zoo. En het fraaist is, dat bijzonderlijk de nadruk wordt gelegd op het registreeren der overeenkomsten. Alsof dat niet altijd gebeurt! Die algemeene secretarie schrijft ook maar wat neer, voor vorst en vaderland weg.”
„Hebt u het besluit bij de hand?”
„Ik denk wel, dat ik het uittreksel nog kan vinden.”
Meteen stond Van Dam op en begaf zich in zijn kantoor. Het duurde een heele poos voordat hij terug was. Het stuk lag blijkbaar niet voor de hand.
Versnoek had alleen om inzage van het besluit gevraagd om Van Dam even weg te hebben.
Snel wisselde hij gedurende de afwezigheid van den gastheer eenige woorden met Nederman.
„We moeten in deze richting werken; hij zal er wel toe te brengen zijn. Maar wanneer kunt u hem ontvangen?”
„Deze week, als je wilt. Laat maar even weten, dan zorg ik thuis te zijn.”
„All right!”
Van Dam kwam terug.
„Hier hebt u het. Dwaasheid!”
Versnoek las, voor den vorm met voorgewende aandacht:
No. 39.
Extract uit het Register der besluiten van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.
Buitenzorg .....
Gelezen:
I enz.
II enz.
Is goedgevonden en verstaan:
Eerstelijk, enz.
Ten tweede: Den Resident van ...... op te dragen om zooveel noodig toe te zien, dat aan de naleving van de artikelen 7 en volgende van het reglement op de particuliere landerijen, gelegen ten Westen der rivier Tjimanoek (Staatsblad 1836 no. 19), bepaaldelijk ook voor zooveel betreft de registratie en goedkeuring door het Bestuur der overeenkomsten tusschen de landheeren en de opgezetenen omtrent de heffingen op de rijstvelden (art. 11, alinea 2), stiptelijk de hand worde gehouden.
Extract enz.
Accordeert met voors. register.
De Gouvernements-Secretaris
......
„Het is mooi. En,” vroeg hij wat sarcastisch, „heeft dit besluit geholpen?”
„Och, wel neen. Integendeel: de lui begonnen te requestreeren, zooals de heeren wel weten zullen.”
„O, ja, alles bekend. Requesten aan den gé-gé, deputaties zelfs, die bij mijnheer Kan zijn geweest, te Batavia. Als die ons maar kwaad kon doen ...”
„Het is mij intusschen niet recht duidelijk, wie de lui op het goede spoor heeft gebracht. Want wat wist de desaman nu eigenlijk van Kan, of dat hij te Batavia te vinden was?”
„Hebt u dan niet gehoord van dien raden Djakaria?”
„Djakaria, neen.”
„Die is mantri of zooiets geweest hier op de landen. ’n Echte onruststoker, die zich in het hoofd gehaald heeft dat hij de lui moest helpen. Die kerel woonde te Batavia en heeft de deputaties den weg gewezen. Ten minste, dat werd mij uit Batavia geschreven,” zeide Versnoek. „Gelukkig dat de autoriteiten zoo leep waren, zich aan dien belachelijken nonsens niet gelegen te laten liggen.”
„Maar, mijnheer Van Dam, om nu niet af te dwalen: wij willen u verzoeken een bezoek te brengen op de landen.”
„Waarvoor dat?”
„Och, kijk, in de eerste plaats zou u het bezoek als een inspectie kunnen beschouwen. Dat kan nooit kwaad. Er zou eens gevraagd kunnen worden of u wel eens de landen bezoekt, niet waar? Maar ook zouden wij u willen verzoeken om uw invloed aan te wenden ten einde de menschen te overtuigen dat ze verkeerd doen met te volharden bij padi-levering. Als u dan nog eenige inlandsche hoofden wildet mede ....”
„Neen, maar dat kan ik niet doen. Wel, neen, dat gaat niet. Men zou mij van buiten deze inmenging euvel kunnen duiden. Ik heb er immers niets mede te maken? Ik registreer alleen de overeenkomsten. Verder gaat mijn bemoeienis niet. Neen, dat kan niet!”
Van Dam schrok er van. Stel je eens voor als daar eens een verkeerde voorstelling van werd gegeven! En hij was heel beslist in zijn weigering.
De anderen begrepen dat zij op dit punt niet te zeer moesten aandringen, wilden zij geen argwaan omtrent de ware bedoeling van hun verzoek wekken.
„Ja, dat is waar,” haastte zich Versnoek te antwoorden. „Daar dacht ik zoo gauw niet aan. U hebt gelijk, u hebt volkomen gelijk.”
„Nietwaar?”
„Zeker, zeker. Enfin, dan moeten ze het maar zelf brouwen. Wij kunnen niet meer doen dan we doen. Maar u wilt toch zeker wel een kijkje nemen, want ik voorzie moeilijkheden en dan is het een geruststelling voor ons, ook tegenover de eigenaren, ziet u, wanneer wij naar u kunnen verwijzen in de verklaring, dat de wijziging der toestanden niet is te wijten aan slechte administratie of vexaties onzerzijds.”
„O, zeker, dat wil ik u graag beloven. Ik was toch reeds van plan u te verzoeken mij bij u te ontvangen.”
„Mooi, dat klopt dus prachtig. En mogen wij u dan de volgende week, laten we zeggen Woensdag, verwachten?”
„Woensdag, neen dat zal niet kunnen. Laat ’s kijken: Wat dunkt u van Vrijdag?”
„Uitmuntend, het komt er voor ons op den dag niet aan. En zorgt u dan maar niet voor reisgelegenheid. Ik zal u het rijtuig wel hierheen sturen en mijnheer Nederman zal dan wel verder zorgen.”
„Natuurlijk,” zei Nederman.
„Ook goed. Dat is dus afgesproken.”
„Maar dan is er nog iets. We moeten op alles voorbereid zijn, ziet u. En als de lui nou halsstarrig blijven bij den wensch om padi te leveren, dan moeten wij daarop rekenen. En het is noodig dat wij dan het aandeel padi van den landheer op het veld wegen. Anders is elke contrôle onmogelijk.”
„Dat is begrijpelijk.”
„Juist, en al zijn wij volkomen in ons recht daarmede, dit recht wordt ons niet uitdrukkelijk verleend in het reglement en natuurlijk zal men ons betichten van onwettige handelingen als we niet meer doen dan wat de wetgever natuurlijk bedoeld moet hebben. U zoudt ons daarom zeer verplichten met ons te machtigen de padi te wegen.”
„H’m.”
Van Dam zweeg en dacht na. Instinctief begreep hij dat hij aan het verzoek niet moest voldoen. De inkleeding kwam hem verdacht voor. Maar de drijfveer kon hij gissen noch raden.
„H’m. Ik geloof niet dat dit in mijn bevoegdheid ligt, mijnheeren.”
„Niet?”
„Neen, ik zou u raden u te wenden tot den procureur-generaal. Dit is een justitie-zaak, ziet u, en competeert mij, bestuursman, niet.”
„Maar het heeft toch absoluut geen beteekenis?”
„Neen, dat is wel mogelijk. Maar het gaat hier toch om een wetsuitlegging, hé? en daar houd ik mij liefst buiten. Waarlijk ik zou in uw plaats mij tot den procureur-generaal wenden.”
Verder aandringen der bezoekers baatte niet. Van Dam wenschte zich niet in een wespennest te steken.
In den namiddag reden Nederman en Versnoek weer naar huis, na den rijken maaltijd bij Van Dam alle eer te hebben bewezen.
Dien avond en ook den volgenden dag bleef Nederman de gast van Versnoek. Dien tijd hebben zij benut met ongeveer gelijkluidende brieven te schrijven aan de hoofdadministraties te Batavia, de Nederlandsch-Indische Commercieele Bank en de firma Biederman en Van Lochem, waarin werd aangedrongen van den procureur-generaal machtiging te erlangen tot weging van de padi bij den snit.
* * *
Siman was vrij. Vrij om weer te gaan waarheen hij wenschte, vrij om zich te bewegen gelijk hij verkoos, om te doen en te laten wat hij wilde. Vrij om zijn wraak te koelen, een wraak, in de eenzame uren van zijn gevangenschap uitgegroeid tot een allesbeheerschenden hartstocht.
Dien morgen was de cipier hem komen mededeelen, dat hij kon gaan. En niet langer dan noodig was, had hij nog vertoefd te Telatiga. Hij ging weer gekleed in zijn oude plunje, die hij versteld had, en in zijn gordelband had hij het weinige geld, dat hem werd uitgereikt als zijn verdienste met gedwongen arbeid tijdens den gevangenistijd.
Hij was heen gestapt, voort naar het westen, al maar naar het westen, naar Alas Bamboe, naar Herea, naar Kario! Hij dacht in de eerste uren van zijn vrijheid niet aan eten of andere lafenis, niet aan rust. Hij liep maar voort, uur na uur.
Achter hem klapte een zweep en rolde een rijtuig: hij hoorde het niet. Eerst door een ruwen schreeuw van den koetsier schrok hij op en deed een sprong zijwaarts. Rakelings vlogen de wielen langs hem heen; de twee vurige Sandelwoods, schichtig geworden, trokken aan de teugels. Uit den wagen werd hem een scheldwoord naar het hoofd geslingerd:
„Minggir, asoe!”
Het was Nederman, die van Sapekan terug reed naar Alas Bamboe.
„Hond!” Ja, zoo was hij gescholden. Een schrijnende pijn ging Siman door het gemoed. Hij, een hond! Die blanke daar had hem een hond durven noemen! Wist die beul, die uitzuiger, dan dat hij uit de gevangenis kwam? Zou hij hem herkend hebben? Hij, die Europeaan, was ook schuld aan zijn leed, hij, die zijn ondergeschikten dwong om de bevolking te bedriegen en te bestelen. Zie, hoe schraal de sawahs weder stonden. Door de droogte! Dat was hier op Telatiga. Hoe zou het op Alas Bamboe zijn? En te Gatok? Hoe zou hij zijn oude moeder weer vinden en de zusjes, en zijn kleinen, lieven jongen? Wat zou die gegroeid zijn ...
En nog langen tijd peinsde hij zijn hersens moede, hoe het wederzien zijn zou? En de tijd, die hem nog scheidde van dat wederzien, leek hem langer dan de tien maanden, die hij in de gevangenis had doorgebracht. En toch weer, hoe zag hij op tegen de ontmoeting ...
* * *
Een onprettige verrassing wachtte Nederman bij zijn thuiskomst, wat hem dubbel onaangenaam stemde waar hij, moede door den langen rit in den wagen en gekweld door zorgwekkende gedachten, naar een oogenblik van verpoozing had verlangd. Het eerste, wat hij op zijn bureau zag liggen, was een brief van De Leeuw. „Spoed” stond er met groote, ronde letters op.
Nederman had bitter weinig lust om zich nu weer met zaken te occupeeren, maar hij begreep wel dat De Leeuw inderdaad dringende mededeelingen zou hebben. Hij opende de enveloppe en las. Aan zijn gelaatsuitdrukking was wel te zien dat het nieuws hem weinig aangenaam was. Het was dringend nieuws, dat De Leeuw mededeelde. En aan den datum zag de administrateur, dat de brief reeds twee dagen op zijn schrijftafel had gelegen, hetgeen door Karto, den huisjongen, ook werd bevestigd. De Leeuw, wetende dat de administrateur van het land was, had op schrift gesteld wat hij mondeling had willen behandelen, teneinde zijn chef zoo spoedig mogelijk te kunnen inlichten. En waarlijk, er was haast bij! De lieden van de desa Tegal Ombo hadden gezamenlijk geweigerd de vrijwillige overeenkomsten te teekenen: zij wilden padi leveren, niets anders dan padi, geen korrel rijst. De Leeuw, die vernomen had dat groote ontevredenheid onder het volk heerschte, had het noodig geoordeeld zich in de desa te vertoonen. Daar had hij de lieden voor zich doen verzamelen en van de oudsten van het dorp had hij vernomen waarom het ging. De aanleidende oorzaak van de plotselinge verbittering was weer de heerendienst geweest. De opgezetenen hadden weer meerdere en langere dagdiensten verricht dan waartoe zij rechtens verplicht waren. Enkelen hunner hadden geweigerd aan de prentah van den koewoe om uit te komen te voldoen en deze had toen een drietal doen opbrengen naar Sikarang, zooals steeds met weigerachtigen geschiedde. De koewoe wist niet dat de administrateur zich te Telatiga bevond; anders zou hij met de opzending wel gewacht hebben. Die arrestatie nu had kwaad bloed gezet.
Tegal Ombo is een desa, juist op de grens van de beide districten Alas Bamboe en Sikarang, en is bij laatstgenoemde afdeeling ingedeeld. De rijstvelden liggen evenwel voor het grootste deel in het district Alas Bamboe en het was wel vleiend voor De Leeuw dat de dorpelingen er op aandrongen dat de weigerachtigen naar zijn standplaats, Oeroettan, en niet naar Sikarang zouden worden gezonden. De Leeuw hoorde van een en ander, schreef op een velletje van zijn zakboekje een kort briefje aan Zevenaer te Sikarang, waarin hij hem ried de drie opgebrachten weder in wijsheid te stellen, wijl het er allen schijn van had dat zij onbillijk waren behandeld. Tevens meende hij Zevenaer den raad te moeten geven zich in persoon met de kwestie te bemoeien, wijl hier brandstof genoeg opgestapeld was om vlammen te veroorzaken. De ontevredenheid moest weggenomen worden. Voor het aanbreken van den dag nog werd De Leeuw, die weer naar Oeroettan teruggegaan was, uit zijn slaap gewekt. Er was roesoe te Tegal Ombo, zeide men. De koewoe was gevlucht; men had hem willen vermoorden. Dit nu was wel niet waar, maar de koewoe had het toch veiliger geacht zich onder de dadelijke hoede van De Leeuw te stellen, nadat hem de vijandige gezindheid van zijn dorpsonderhoorigen op zeer duidelijke wijze was gemanifesteerd. Met zijn geheele gezin was de koewoe in den nacht nog naar Oeroettan gekomen. Hij dischte vreeselijke verhalen op, om zijn eigen figuur te redden. Maar De Leeuw kende zijn volkje en bereidde het laffe dorpshoofd een warme ontvangst. Als de toestand bedorven moest worden, dan zeker was de vlucht van den koewoe daartoe de beste manier. Maar De Leeuw geloofde nog zoo erg niet aan een roesoe.
Toch was er al kwaad genoeg gesticht. Toen De Leeuw voor de tweede maal te Tegal Ombo kwam vond hij het huisraad in de woning van den koewoe vernield en diens beide paarden doodgestoken. Hij bleef in de desa om een voorloopig onderzoek in te stellen naar de daders van de gepleegde baldadigheid. Later op den dag kwam Zevenaer.
Nauw was De Leeuw te Oeroettan terug of hij moest een deputatie van desalieden te woord staan. Het waren menschen van Djampang Koelon, de oudsten van het dorp. Zij kwamen den opziener mededeelen, dat zij bezwaar maakten tegen den komenden oogst rijst te leveren als tjoeké; hoofdzakelijk omdat zij te groot percentage van de padi in rijst moesten opbrengen. De Leeuw maande hen aan, zich te bedenken; het gaf hun geen oentoeng wanneer zij soesah veroorzaakten. Het baatte niet. De vooruitzichten voor den komenden oogst waren zeer slecht, te slecht. Dat wist De Leeuw, evenals hij wist, dat de klagers gelijk hadden in hun klacht, dat ze te veel rijst moesten opbrengen.
Dit alles had De Leeuw in zijn brief aan den heer Nederman medegedeeld, zoo kort als hem mogelijk was. Tevens had hij den chef in overweging gegeven een ingesloten berekening voor de heffing van tjoeké-rijst op strikt billijken grondslag in te zien. Als deze heffing werd toegepast, zou, zoo meende de employé, bij genoegzame bekendmaking in de desa’s, veel soesah voorkomen kunnen worden, veel verbittering weggenomen.
Nederman keek de berekening in.
Zij zag er aldus uit:
„Billijke Grondslag
voor een berekening van het door de bevolking op te brengen contingent tjoeké-rijst per picol natte padi.
Een picol natte padi levert bij indroging op 0.80 picol, leverende bij verstamping tegen 54 % 0.43 picol rijst.
Hiervan af stamploon à ⅙ 0.07 picol ,, rijst. ,,
Rest 0.36 picol ,, rijst. ,,
Witstampen: extrabetaling f 0.25 p. p., 2 X eten aan de stampsters, maakt tezamen f 0.40 p. p.; dat is voor 0.36 p. f 0.14.
Marktwaarde: bij 50 % gebroken korrel f 5.— p. p. De door den tjoeké-plichtige uit te geven f 0.14 vertegenwoordigt derhalve de waarde van 0.03 picol ,, rijst. ,,
Rest 0.33 picol ,, rijst. ,,
Deze rijst bestaat dus uit (± 50 %) 0.17 p. grof en 0.16 p. fijn. De tjoeké-rijst heeft een verhouding van grof tot fijn als van 4 tot 1. Derhalve in casu als van 17 tot ± 4,
te zamen 0.21 picol.
Blijft over fijne rijst 0.12 picol te gebruiken om in te ruilen tegen tjoekérijst. Marktwaarde van 0.12 picol fijn à f 3.50 p. p. = f 0.42. Marktwaarde tjoekérijst f 6.30 p. p., waarvan dus voor f 0.42 te krijgen is ongeveer 0.07 picol. ,,
Totaal 0.28 picol. ,,
Dat wil dus zeggen, dat de bevolking redelijker wijze niet meer dan 28 katties tjoekérijst per picol natte padi behoeft te leveren.”
„De berekening is prachtig, maar ik zal wel oppassen er in te komen. Dank je. Wij vragen nu veertig kattie en het zou dus een verlies beteekenen van een derde van den oogst. Jongens, ik zou de snuiten van de eigenaren wel eens willen zien, als ik ze dat kwam vertellen; neen, neen, alles goed en wel, De Leeuw heeft het grootste gelijk van de wereld, maar mij krijgt hij er niet toe!”
En hij lachte even om de naïeviteit van zijn employé. De Leeuw werd toch werkelijk lastig met zijn filantropie.
Nederman opende een brief van de hoofdadministrateuren Biederman en Van Lochem, door de post in zijn afwezigheid gebracht.
„Dat is grappig,” zeide hij, „dat zal ik De Leeuw eens vertellen.”
De hoofdadministrateuren schreven „dat de ontvangers der export-rijst over de qualiteit van het artikel begonnen te klagen, weshalve den administrateur in overweging werd gegeven de rijst nog wat witter en met minder percentage gebroken te doen leveren ...”
* * *
Siman was ’s avonds laat te Gatok gekomen. Hij had zich schuil gehouden, uit schaamte. Het denkbeeld pijnigde hem dat al zijn dorpsgenooten hem met medelijden zouden nawijzen of met minachting zouden bejegenen. Daarom had hij het duister afgewacht om Pah Ran en de zijnen te ontmoeten.
Aarzelend, als met weerzin, kwam hij de desa in. Om niet het geheele dorp door behoeven te gaan, was hij buitenom over de galangans naar den zuidoostelijken ingang geloopen. Zijn huisje was bijna het laatste aan die zijde van den dorpsweg.
Hij zag in het licht der maan den staat van verwildering en verlatenheid, waarin nu de woning verkeerde, de woning, waar hij, zoo trotsch en gelukkig, zijn lieve, teere Djiah als zijn vrouw had ingeleid; waar zij korten tijd zoo gelukkig geweest waren; waar de kleine Rekso geboren was ... Die gedachten wondden hem en gaven nieuwe levendigheid aan zijn wraakzucht.
Toen kwam hij aan de woning van Pah Ran. Zouden de zusjes thuis zijn en z’n oude moeder? Hij waagde het niet de bamboezen deur open te duwen. Hij gluurde binnen door een reet, maar zag niets: in een der kamertjes slechts brandde een lichtje. Maar het was doodstil, en toch, hoorde hij niet snikken ...? Ja zeker, een vrouw schreide zacht. Zou hij binnen gaan? En als Pah Ran en de zijnen daar eens niet meer woonden? Maar waar zouden zij dan zijn? Waar zou hij zijn kleinen jongen dan moeten zoeken?
En, in de aandrift om te weten, klopte hij.
„Ja,” riep een gesmoorde stem, „ik kom.”
En achter de deur vroeg een vrouw: „Wie ben je?”
„Woont Pah Ran hier?” vroeg Siman terug.
„Ja, maar wat wil je?”
Siman had nu Mariams stem herkend.
„Ik ben Siman, Mariam.”
Met een ruk werd de deur opengetrokken. Siman zag het droef gelaat van zijn mooi zusje, dat hem stil welkom heette.
„Ben je alleen thuis?”
„Neen, wij allen, alleen Djamin is er niet. Ben je nu vrij?”
„Ja, ik kom van Telatiga, regelrecht. Maar wat is er? Waarom huil je?”
„Moeder ... is ... stervende.”
Siman zweeg.
Het was de straf des Heeren, die hem moest treffen, hem, omdat hij ook Djiah ... Neen, niet denken, niet zeggen. Zijn oude arme moeder ... ging ze naar vader? Zou ze waarlijk sterven? En de kinderen dan? Maar als zij hem zag, hem, Siman ...
Snel trad hij binnen; in het kamertje lag de oude vrouw op de harde balé, stil als was zij reeds een doode. Ipah steunde het magere, grijze hoofd in de handen, Djirah weende aan het voeteneinde. Pah Ran stond wat achteraf. Het was zoo stil, dat Siman de muggen om zich heen hoorde gonzen. De palita verlichtte slechts een kleine plek in het vertrekje. De aanwezigen keken nauwelijks op, toen Siman binnentrad. De stemming drukte hem. Hij keek rond, als zocht hij daar Rekso, zijn jongen. Die sliep rustig in het kamertje daarnaast. Toen ging hij naar de balé, knielde er bij neer, lei zijn hand op die der oude uitgeputte moeder ... Hij schrok. Die hand was koud, ijskoud ... Hij keek op, zag Ipah aan, verschrikt. Zij begreep, legde haar oor aan den mond der moeder,—zacht en voorzichtig lei zij het hoofd neer op het gore kussen. Toen luisterde zij naar den hartslag, schudde het hoofd ....
Djirah begon luide te weenen.
De anderen bleven stom, buiten alleen schreide zachtjes Mariam. Toen ontwaakte Rekso; dringend schreide de kleine man en Ipah, het huismoedertje, nam hem op, suste hem, vergeefs echter. Siman nam hem van haar over, drukte het hoofdje tegen zijn wang, aaide en suste; de kleine bedaarde plotseling en lachte. Zou hij zijn vader herkend hebben? Maar Siman had weinig gedachte voor hem; hij was bedrukt en verstrooid. Dat was dus zijn thuiskomst ...
Hij lei den kleine weer in zijn wiegje, waar Rekso bleef doordreinen en drensen. De anderen bleven achter in het keukentje bij elkander zitten. Siman alleen was op de balé blijven zitten, zich overgevende aan zijn gedachten. Eerst toen de geburen kwamen, door Pah Ran gewaarschuwd, ging hij heen, naar buiten. Zij heetten hem welkom en dat drukte hem. Het weerzien was zoo droevig ...
* * *
Van Wetten zat met een aflevering van het tijdschrift „Het Recht in Nederlandsch-Indië” voor zich; hij had er in zitten lezen, lui in een langen stoel uitgestrekt. Vriendelijk brandde de groote kantoorlamp in het gezellige vertrekje. Een geurige sigaar lag, op het punt van uitgaan, op het aschbakje. Van Wetten zat stil na te denken over het gelezene. Het betrof de klachten van Pah Ran en de anderen, die, nu maanden geleden, bij hem geweest waren. Hij had die klachten geverbaliseerd; er waren, naar hem voldoende gebleken was, onrechtmatige handelingen gepleegd door den administrateur van Alas Bamboe, en met verwijzing naar artikel 37 van het reglement op de particuliere landerijen, had Van Wetten het proces-verbaal der klachten opgezonden aan den procureur-generaal.
Er was door dezen een onderzoek gelast. En het gevolg van dit onderzoek was, dat tegen den administrateur bij requisitoir van den officier van justitie te Batavia rechtsingang werd verzocht. Van Wetten had zich, en niet alleen als rechter, zeer voor de zaak geïnteresseerd. Nu bracht hem het tijdschrift de resultaten van de ingediende klachten, en het was hem een zeer onaangename verrassing geweest te moeten vernemen, dat, blijkens het artikel, zoowel door den raad van justitie te Batavia als door het hooggerechtshof was uitgemaakt, dat tegen de in artikel 37 vermelde handelingen in de thans vigeerende strafwet geen bepaalde straffen zijn bedreigd, zoodat dit artikel niet meer kan worden toegepast.
„Dat wil dus zeggen,” bromde Van Wetten bij zich zelf, „dat de inlander met een beroep op de wet niet gewapend is tegen knevelarij en misbruik van gezag. Het is mooi.”
Hij wilde dat artikel 37 dan toch nog wel eens inzien. En de zaak had zoozeer zijn aandacht, dat hij uit zijn gemakkelijke houding opstond, uit de boekenkast een deel van de rij Staatsbladen nam en aan zijn schrijftafel nasloeg Staatsblad 1836 no. 19, artikel 37.
De sigaar was uitgegaan.
Het stond er duidelijk, meende Van Wetten: „Landeigenaren, die andere, meerdere of hoogere opbrengst en diensten van hunne opgezetenen vorderen dan bij dit reglement uitdrukkelijk zijn toegestaan, of die verzuimen om op den voet, bij hetzelve bepaald, ten opzichte van hunne opgezetenen te handelen, zullen naar exigentie van zaken door het plaatselijk bestuur op den voet, bij artikel 60 aangewezen, bestraft, dan wel voor den rechter, terzake van knevelarij en misbruik van gezag, vervolgd worden.”
„Wat duivel, „ter zake van knevelarij en misbruik van gezag”—dat laat toch geen twijfel?”
Hij nam het tijdschrift weer ter hand en herlas:
„De raad van justitie te Batavia verleende den verzochten rechtsingang niet, wijl hij oordeelde dat de feiten niet vallen onder het bereik der strafwet.”
Tegen deze beslissingen was de officier van justitie in verzet gekomen.
„Goed, maar de overwegingen,” mompelde Van Wetten weer.
De raad van justitie had den rechtsingang geweigerd op de volgende gronden:
dat die feiten opleveren het als eigenaar van een particulier land van de opgezetenen vorderen van andere en meerdere diensten dan bij stbl. 1836 no. 19 uitdrukkelijk zijn toegestaan; en art. 37 van dat staatsblad bepaalt, dat zij die zich daaraan schuldig maken naar exigentie van zaken door het plaatselijk bestuur op den voet, bij art. 60 aangewezen, bestraft, dan wel voor den rechter terzake van knevelarij en misbruik van gezag vervolgd worden;
dat art. 37 alzoo schept delicta sui generis en voor de daarop gestelde straffen verwijst, behalve naar genoemd art. 60, naar de gewone strafwetgeving omtrent „knevelarij en misbruik van gezag,” tegen ieder van welke misdrijven verschillende straffen zijn bedreigd, bij „knevelarij” afhangende van den ambtelijken rang van den schuldige en bij „misbruik van gezag” van het karakter der gepleegde handelingen;
dat alzoo tegen de in meergenoemd art. 37 vermelde handelingen in de vigeerende strafwet geen bepaalde straffen bedreigd zijn, zoodat het artikel niet meer is toe te passen nu door het in werking treden van den in art. 26 der algemeene bepalingen van wetgeving en later in art. 88 van het Regeerings-Reglement afgekondigden regel, niemand tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld mag worden, dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien.
De officier van justitie voerde tegen deze beslissing aan:
1e. dat vermits in het vigeerend strafwetboek, tegen „knevelarij” en „misbruik van gezag” straffen zijn bedreigd, en er geen enkel bezwaar bestaat om die straffen toe te passen, indien in rechten het bewijs wordt geleverd dat de landeigenaar zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten, in art. 37 bedoeld;
2e. dat de rechter, die weigert dit artikel toe te passen, het voorschrift van art. 386 van het Wetboek van strafrecht voor Europeanen overtreedt.
Het hof nu overwoog dat het O.M. zonder de alleszins juiste hoofdstelling van den raad aan te tasten „dat toepassing van genoemd art. 37 alleen dan mogelijk is wanneer in de vigeerende strafwetgeving „bepaalde” straffen tegen de daarin genoemde handelingen zijn bedreigd,” verzuimt aan te geven welke straffen dan in elk concreet geval op hem, die zich aan de bedoelde handelingen schuldig maakt, moeten worden toegepast;
dat immers gemeld art. 37 niet aangeeft wanneer de behandeling als „knevelarij” en wanneer zij als „misbruik van gezag” moet worden bestraft en dat, zelfs al zou men bij de meest rationeele uitlegging van het artikel willen aannemen, dat „knevelarij” ziet op het onrechtmatig vorderen van „opbrengsten” en „misbruik van gezag” op het onrechtmatig vorderen van diensten, een enkele blik op art. 124 tot en met 131 van het Strafwetboek voor Europeanen reeds doet zien, dat met geen mogelijkheid is uit te maken onder welke strafbepaling de geïncrimineerde feiten dan zouden vallen;
dat al evenmin ’s Raads stelling wordt omvergestooten door het argument dat in lagere stukken van wetgeving naar strafbepalingen in het Wetboek van strafrecht wordt verwezen, omdat de Raad niet beweert, dat de poenale sanctie niet in een ander stuk van wetgeving mag worden neergelegd dan waarin het strafbaar feit is omschreven, doch alleen dat naar die strafbepaling, wil zij niet in botsing komen met art. 88 van het regeerings-reglement, op zoodanige wijze moet zijn verwezen, dat omtrent de op het delict gestelde straf geen onzekerheid bestaat;
dat de beslissing evenmin een overtreding kan zijn van art. 386 van het Wetboek van strafrecht voor Europeanen, omdat slechts dan in strijd met dat art. zou worden gehandeld, wanneer de toepassing van de in dat artikel bedoelde wettelijke verbindende verordeningen werd geweigerd, terwijl die toepassing in verband tot de latere wetgeving mogelijk is, immers daarmede niet in strijd komt, hetgeen in casu op grond van het hierboven overwogene het geval is.
Ten slotte overwoog het hof dat het betoog van den procureur-generaal, hetwelk ten doel heeft aan te toonen, dat ook zij die geen ambtenaar zijn, zich onder vigueur van het in 1836 geldend strafrecht aan „knevelarij” konden schuldig maken, ter zake niet afdoet, omdat het in casu niet de vraag is of de in art. 37 genoemde handelingen inderdaad naar ons thans heerschend strafrecht de elementen van „knevelarij,” dan wel van „misbruik van gezag” opleveren, doch alleen of de strafbepalingen, waarnaar dat artikel verwijst, nog toepassing kunnen vinden; een vraag welke het hof, met den raad, ontkennend beantwoordt.
„Erg mooi, prachtig, maar ketterij. Want de gepleegde knevelarij en het gepleegde misbruik van gezag blijven ongestraft. En daar komt het dan toch maar op aan, dunkt mij.”
Van Wetten ergerde zich over deze theoretische nonsens, die geen rechten waarborgt en onrecht sanctioneert. Hij sloeg in een teug zijn bittertje naar binnen en beval den jongen het eten op te brengen.
„Waarachtig,” zeide hij, het tijdschrift toe slaande, „het heet met heel veel recht: „Het „Recht” in Indië.” Maar hij kon het niet voor zich houden. En na den eenvoudigen avondmaaltijd kwam hij bij den assistent-resident oploopen.
De heer Van Dam had juist gedaan met eten en lag klimaat te schieten in de voorgalerij.
Van Wetten viel met de deur in huis.
„Nou moet u toch eens deze juridische ketterij hooren, mijnheer Van Dam.”
En hij deed hem het heele relaas.
„Het lijkt wel erg gek,” meende Van Dam.
„Gek? Dat is er heelemaal het woord niet voor; het is cynisch, vind ik, om den durf te hebben je zoo ... zoo ... angstvallig te houden aan de doode letter van de wet. Wâ-bliksem, zoo’n uitspraak is gevaarlijk. Ze kunnen nu gaan knevelen naar hartelust, want ze staan nu, zich beroepende op die prachtige uitspraak, buiten het bereik van de strafwet. Dàt is ’t. Neen, waarachtig, als ìk dat kluifje in handen gehad had, zou het anders geloopen zijn, dat beloof ik u!”
„Ze doen tegenwoordig meer rare dingen, daar op Batavia; daar kan ik ook van meepraten.”
„Zoo, hoe dat?”
„Ik heb een circulaire ontvangen van den procureur-generaal; het is een heele geschiedenis, en zonder inleiding zul je het niet goed begrijpen.”
Van Dam verhaalde van het bezoek van Nederman en Versnoek, maar niet uitvoerig genoeg om Van Wetten gelegenheid te geven hem te waarschuwen voor de onedele, baatzuchtige bedoelingen der landheeren, die de rechterlijke ambtenaar zeker wel doorzien zou hebben.
„Maar ik ben nog altijd niet op de landen geweest. Het is nou ruim twee weken geleden, maar telkens komt er wat tusschen. Enfin, deze week zal ik er toch heengaan, denk ik, ook in verband met die circulaire van den procureur-generaal. Nou, na wat ik er u van verteld heb, zult u de strekking ervan beter begrijpen. Die landheeren hebben natuurlijk naar Batavia geschreven en een van de vertegenwoordigers daar heeft de belangen der eigenaren bepleit bij den procureur-generaal. En nou lijkt het mij wel dat er gevaarlijke dingen in dat ding staan, waar de bevolking weer de dupe van zal zijn.—Och, kijk ’s, den procureur-generaal is het natuurlijk niet kwalijk te nemen, hè, dat hij van al die détails van het bedrijf geen kennis heeft, en ...”
„Mag ik die circulaire zien, of is ze geheim?”
„Welneen, was dat maar waar. Ik moet afschrift zenden aan de beide landheeren—Wacht ’s ... Oppas!”
„Kandjeng,” haastte zich de oppasser te antwoorden.
„Kandjeng.”
De oppasser was schielijk terug. Van Dam sloeg de portefeuille open. Boven op een stapeltje papieren lag de circulaire, die hij zijn bezoeker toereikte. Deze las zeer aandachtig:
No. 1638.
Batavia ...
Naar aanleiding van door den heer J. P. Paulette Vlaming, lid der firma Biederman & Van Lochem alhier, mij gevraagde inlichtingen omtrent de bevoegdheid van den eigenaar van een particuliere onderneming om het op het veld afgezonderde ⅕ aandeel voor den landheer in de opbrengst van door opgezetenen van zijn land bebouwden grond af te wegen, heb ik de eer UEd. G. mede te deelen:
dat art. 28 juncto artikel 11 van Staatsblad 1836 No. 19 niet verbiedt dat de gemachtigde van den landheer het op het veld afgezonderde den landheer toekomend ⅕ aandeel in de opbrengst afweegt, teneinde bij de aflevering in de pakhuizen te kunnen constateeren of aan de bossen padi niets veranderd is;
dat daarvoor dan ook niet de toestemming van den erfpachter wordt vereischt;
dat deze weging niet met zich brengt het in ontvangst nemen der padi, daar dit ook reeds gezegd zou kunnen worden van het nemen van 1 bos uit elk der op het veld uitgelegde rijen van 5 bossen padi;
dat de landheer dus noch door het nemen van de hem toekomende bossen, noch door het afwegen dier genomen bossen geacht kan worden te zijn geworden bewaarder van het hem toekomende ⅕ aandeel padi, totdat het den erfpachter behaagt, die padi naar de pakhuizen te vervoeren.
De Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië. VAN VLISSINGEN.
Aan den Assistent-Resident Telatiga.
„Ik begrijp niet goed ...” begon Van Wetten.
„Begrijpt u niet?” Van Dam was blijde zijn helder inzicht te kunnen demonstreeren. „Wat treft u hierin? Dit, niet waar: De padi wordt op het veld gewogen. Wanneer, wordt niet bepaald en de landheer doet het dus,—wel, wanneer denkt u?”
„Dat is dunkt mij het zelfde.”
„Zeer zeker niet. De padi wordt gewogen dadelijk na den snit.”
„Ik begrijp nog niet, wat hiervan het gevolg is.”
„De indroging, Van Wetten, de indroging! Als de padi in het pakhuis geleverd wordt, droog natuurlijk, want de landheer zal niet nat willen ontvangen, dan heet het: nee, mannetje, ik heb meer gewogen dan je brengt. Maar hier is toch geen bedrog gepleegd; het gewichtsverlies komt door de indroging!”
„Ah, zoo; ja juist. Maar de lui leveren toch rijst.”
„Nou en wat zou dat? Ik zal u eens wat zeggen. Deze circulaire is een geducht wapen in de hand van den landheer. Want de belasting wordt er met een vijfde ongeveer door verzwaard. En alleen die lui, die de vrijwillige overeenkomsten teekenen, en volgens deze bijvoorbeeld veertig katties opbrengen per picol natte padi, ontloopen die verzwaring. De anderen, al leveren ze rijst, moeten die rijst dan toch stampen uit droge padi, niet waar? En nu, weet je, geloof ik al dat er een beweging onder de lui gaande is om alleen maar padi te leveren ...”
„Nu u me dit alles zegt, treft me een andere passage in de circulaire, deze: dat de landheeren zonder toestemming van de erfpachters kunnen laten wegen en dan toch niet geacht worden onmiddellijk na de weging eigenaar te zijn geworden van de padi. Die passage is fnuikend voor de bevolking. Dat begrijpt iedereen.”
„Behalve dan de procureur-generaal, naar het schijnt ...” Van Dam schrok zelf van dezen oneerbiedigen uitval en haastte zich er aan te voegen: „Maar, zooals ik zei, hem kan men het eigenlijk niet kwalijk nemen.”
„Zoo, en wie dan wel?”
Van Dam antwoordde hier niet op. Wat zou hij hebben kunnen antwoorden? Den heer Van Vlissingen was indertijd door een journalist lauwheid en onverschilligheid verweten ten opzichte van de telegrafisch tot hem gerichte klachten van de bevolking der particuliere landen. Die publicist wist van het bestaan van bovenmedegedeelde circulaire niet af; hij wist dus niet van de medeplichtigheid van den procureur-generaal aan het vexeeren van de bevolking.
Drie dagen later schreef Versnoek een kattebelletje aan Nederman, dat per specialen bode werd overgebracht. Het luidde:
Waarde heer Nederman,
Morgen, Zaterdag, komt Van Dam hier, blijft tot Maandag. Gaat dan door naar Alas Bamboe. Houd U geprepareerd.
Wat zegt U van de circulaire van den P. G.? Fijn, wat? ⅕ meer op de markt!
Vale!
t. à. v. Versnoek.
* * *
De dood zijner moeder had Siman heel diep getroffen. Het gemoed van den mystiek-aangelegden inlander zocht bovenaardsch verband tusschen dat sterven op den dag van zijn terugkomst en de gebeurtenissen, die volgen zouden.
Mah Ten was in allen eenvoud begraven. Nadat het lijk uit de woning was gedragen, was er eenige moeilijkheid ontstaan omdat Pah Ran weg wilde. Het was een soort étiquette, dit hem drong. Hij vond het strijdig met den adat, samen te wonen met ongehuwde meisjes, ook al bleef Siman bij hen. Intusschen wist hij niet waarheen te gaan en voorloopig kon hij nog niet weg ook, want Siman was den dag na den dood zijner moeder heengegaan, zeggende dat hij Pah Asriep wilde opzoeken in Kalapa Aloes.
Dit nu was de waarheid niet geweest. Siman was naar Herea gegaan. Wat hem dreef, behoeft geen nadere uitlegging: hij zocht Kario.
Maar zijn reis was vergeefsch geweest, want, waar hij den mandoer ook zocht, hij vond hem niet. In ’t pakhuis was een ander, dat had hij terloops vernomen, en vragen durfde hij niet, uit vrees zijn plannen te verraden door de vraag alleen. ’Mboh Sima had hij willen opzoeken, maar ook zij was niet meer te Herea.
Een groote teleurstelling trof Siman. Hij zag het doel, waarvoor hij nog leefde, onbereikbaar. Want wie zou hem kunnen zeggen, waar Kario was? Had hij daarvoor zijn kris zoo scherp geslepen? Hij bleef zoeken, wilde niet opgeven. Hij vertoonde zich op de passer: Kario was er niet. Hij ging naar de woning van den mandoer, maar hij kon duidelijk merken dat andere bewoners daar hun intrek genomen hadden.
Een oogenblik had hij staan kijken in een der achterste rijen, toen hij zich voelde aanstooten. Hij keek om.
Een nog jonge vrouw, wat verlept, maar toch mooi, keek hem met twee vurige oogen brutaal in het gezicht. Die oogen spraken duidelijk genoeg: dezelfde taal, die zij reeds tot zoovelen, dien avond echter nog vergeefs, gesproken hadden. Zij deed eenige stappen achteruit en stond toen geheel buiten den lichtkring. Toen wenkte zij Siman, die haar nog steeds aanzag, met de hand. Siman gaf gehoor.
„Vin-je tlèdèk mooi?” fluisterde de vrouw. Siman antwoordde niet.
„Ik weet wel wie je bent: Siman van Gatok,” ging zij op denzelfden toon, snel pratend, voort. „Je bent pas weer vrij, hè? Pas? Hoelang?”
„Twee dagen!” antwoordde Siman werktuigelijk.
„Wat doe je hier, te Herea?”
„Niets, maar wie ben jij?”
„Dat doet er niet toe. Ik zal het je wel zeggen, straks. Kom maar eerst mee. Ik heb je veel te vertellen.” Zij wilde hem meetrekken, maar Siman volgde niet.
„Ben je in de gevangenis onbeleefd geworden, Siman? Je hebt om een vrouw Kario willen vermoorden. Ik vraag je alleen om mee te gaan.”
Ze drukte zich tegen hem aan, haar warme adem streek hem langs het gelaat en bracht een rilling in zijn bloed. Hij voelde het nog mollige lichaam tegen zich aan ... Een woeste begeerte ontwaakte. De gevangenistijd was lang geweest ...
„Ga mee”, hijgde hij, „ga mee,” en hij trok de deern mee.
Ze stapten vlug voort. De weg was niet lang. In een armoedig huisje stapte de vrouw binnen; Siman volgde haar niet.
„Ik ken dit huis. Wie ben je toch?”
„Kom eerst binnen. Je hebt me maar eens gezien, heel kort, daarom herken je niet.”
Siman greep haar aan. Zij worstelde tegen.
„Eerst geld, geef op,” hijgde zij.
Hij greep naar zijn gordel, gaf haar dien. Zij zocht naar het geld, zes dubbeltjes. Meer was er niet. Nu, ze had meest minder gehad ....
* * *
Siman zat naast de deern op de balé.
„Zeg nou, wie ben je?”
„Satima.”
„Satima? Satima? Ik weet niet ...”
„Den avond, dat je Kario gekrist hebt ...”
Maar hij herinnerde zich nog niet.
„Je bent een domkop. Waarom heb je hem niet doodgestoken, dien smeerlap ...!”
„Heb je zoo het land aan hem?”
„Hij heeft mij er uitgezet, uit het pakhuis. Ik verdien niets meer, ik heb elken dag honger. Als er geen man bij me slaapt, heb ik niets, geen eten, geen kleeren. O, die ellendeling, die schurk, maar ik zal me wreken, ik weet waar hij is ...”
„Waar is hij?” riep Siman en hij greep de vrouw ruw bij den pols.
„Zeg op, waar is hij?”
„Laat los, je doet me pijn, laat los!”
„Waar is hij?”
Siman liet los. Satima wreef zich den pols.
„Wat wil je doen?”
„Dat gaat je niet aan. Is hij hier, te Herea?”
„Neen, hij is ver weg. Ik weet niet waar ...”
„Je liegt, je weet het wel.”
Satima vloog overeind om weg te komen, ze was bang voor de uitdrukking van haat in de oogen van Siman, maar hij greep haar nog net bij tijds bij de kondeh. Hij rukte haar omlaag, zij viel, dwars over zijn knieën.
„Satima, zeg het mij. Waarom wil je ’t verzwijgen?”
„Ik heb zoo vaak geen geld; ik heb alles verpand, Siman, heb medelijden,” jammerde de slet. „Geef geld, Siman ... het is je veel waard, ik weet wat je wilt doen, Siman, ik weet het ... ik weet het ... geef mij geld ...”
„Ik heb niets meer, ik heb alles gegeven.” Hij liet haar los. Ze stond op, naakt, het haar los. Toen ging ze liggen op de balé, trok hem naar zich toe.
„Ik wil niet, zeg eerst waar hij is. Ik zal je later geld geven, later, ik heb nu niets.”
Zij zuchtte.
„Zal je ’t me heusch geven, zal je dikwijls komen ...?”
„Ja, ja, ja, maar zeg op ... Je maakt me driftig ...”
„Op Telatiga is hij—op de besaran.”
Een trek van vreugde ging over het gelaat van Siman.
„Te Sapekan—ik zal hem vinden.”
Satima schoof naar hem toe.
„Hé? ... schuif jij ...?”
„Het doet de zorgen vergeten, Siman; ik heb veel soesah ...”
Siman kreeg medelijden met de ongelukkige.
„Moet je niet doen,” zeide hij, „wat heb je er aan, het is slecht, en je wordt er mager van en leelijk, en dan verdien je niets meer ...”
„Ik kan het niet laten, loop dan ... gauw, Siman, nu heb ik weer geld ...”
„Ik wil niet, ga ’t zelf halen.”
„Zal je dan niet weggaan? Je kunt nu toch niet weg. Ik ben zoo bang, buiten. Het is al laat. Maar niet weggaan, ik ben dadelijk terug.”
Onder het spreken had ze zich aangekleed, de sarong boven de borsten opgebonden, het zware, vette haar in een wrong bijeen geknoopt, de klambi aangeschoten.
Toen snelde ze heen, door de begeerte van den opiumschuiver voortgejaagd.
Siman bepeinsde wat haar gedrongen had hem te bidden en te smeeken te blijven. Hij kon het niet gissen en legde zich neer op de balé, de handen onder het hoofd, nadenkend.
Ze was spoedig terug, een klein pakje in de vuist geklemd.
Ze verdween in het eenige kamertje. Siman volgde haar. Ze lag op een rustbank, stopte met beverige vingers een bolletje in de bamboezen pijp, hield deze boven het olielampje, nam een langen teug. Zoo bleef ze liggen, de oogen gesloten,—het was alsof ze sliep. Ze glimlachte, er kwam iets rustigs over haar gelaat.
Siman beschouwde met afgunst dien trek van vrede. Het was toch wel machtig, het opium. En waarom was het eigenlijk zoo slecht te schuiven? Men deed er niemand kwaad mee. En waarom, als je zorgen hadt, zou je die niet mogen bannen? Hij had geen vrouw meer! Zijn jongen? ... Nou ja, maar hij kon immers rooken, nu en dan, als de soesah hem kwelde. Natuurlijk moest je er niet aan verslaafd raken. Maar zoo nu en dan; dat kon toch geen kwaad ... Zie nu daar die Satima. Hoe lang lag ze daar nu al? En ze lachte maar. Het moest toch wel heerlijk zijn, niet te denken ... Er was nog een bolletje over ... Satima had aan één genoeg gehad ... Zou hij eens probeeren ...?
Hij nam de pijp uit de hand der vrouw, deed het bolletje er in, aarzelend. Toen nam hij blijkbaar plotseling een besluit, hield de pijp boven de vlam, en zoog den rook op.
Een gevoel van misselijkheid beving hem dadelijk, hij wierp de pijp weg, wilde braken. Hij werd duizelig, voelde zich allerellendigst en ging liggen naast Satima. Al spoedig viel hij in een loodzwaren slaap. Het opium had hem bedwelmd. Maar het waren geen aangename visioenen, die voor hem opdoemden. Zijn fysiek protesteerde nog te heftig tegen het gif.
Diep in den nacht ontwaakte Satima, loom en mat. Naast zich voelde zij Siman. Die aanraking maakte haar wakker. Ha, hij was dus niet weggegaan. Hij was er nog. Ze gleed de balé af, sloop zacht het vertrek uit. De deur der woning stond voor nog open. Ze schrikte even, trok haar dicht. Toen vond ze het baadje van Siman, op den grond,—ze grabbelde in de zakken ...
„Niets,” bromde ze spijtig. Ze doorzocht de twee geldzakjes in den gordel. Er was niets meer in, ze had er alles uitgenomen. Hij had dus niet gelogen. Dan had hij ook wel heen kunnen gaan. Zou ze hem wekken? Och, waarvoor? ze zou hem laten liggen. Ze had nog een bolletje—waar was het ook weer? O, ja, bij het nachtlichtje. Maar ze vond het niet. Toen kreeg ze een ingeving, boog zich over den slapende heen, snoof den adem op, die tusschen de halfgeopende lippen ontweek ...
„Waarachtig, ik dacht het wel.”
Ze dacht na. Siman wentelde zich onrustig op zijn leger.
„De eerste keer, hij is nog misselijk. Ik zal hem helpen—hij komt wel terug.” En ze begon hem te wrijven over de heupen, langs de dijen in rhytmische, gelijkmatige bewegingen. De slapende werd rustiger, een zware zucht ontsnapte hem, toen werd zijn slaap kalm en vredig, en wellust-droomen kwamen over hem ...
Het was al laat dag, toen zij weer ontwaakte en Siman wekte. Hij stond op, wreef zich het hoofd. Hij voelde zich nog loom, maar had toch een vage herinnering aan oogenblikken van een zeker geluk, door gedachtenloosheid. Toen herinnerde hij zich weer: hij had opium geschoven.
Hij trok zijn kleederen aan. Satima kwam terug van de put, waar zij zich gewasschen had. In een opwelling van teederheid en wellust drukte hij de deern tegen zich aan.
„Ik kom weer, Satima, mijn hart; nu moet ik weg naar Gatok.”
„Kom je gauw?”
„Ja, waar is mijn kris?”
„Hier ... wees voorzichtig ...”
„Geen nood,—ik zal niet missen. Maar je zwijgt, begrepen? Als je praat, zal ik je dooden.”
„Wees maar niet bang—ik haat hem.”
* * *
Voor het landhuis hadden de lieden zich opgesteld, eenige honderden. Ook de koewoes waren er en de opzichters van de districten. Die zaten in de voorgalerij.
„Wat een volk, mijnheer Nederman,” merkte de heer Van Dam op. „Dat is tegen de afspraak. U weet dat ik u verklaard heb, niet de minste pressie te willen uitoefenen op de plannen van het volk.”
„Houd mij ten goede, waarde heer Van Dam. Dat het volk bijéén is, is een heel toevallige omstandigheid. Ik ben gewoon zoo van tijd tot tijd als ik iets te zeggen heb, het volk, alleen maar uit dit district, bijeen te doen komen. Dat geeft wat plechtigs aan de vertooning, ziet u, en dan blijft het wat langer bij. Het spijt mij zeer dat zoo’n koempoelan toevallig moest plaats hebben tijdens uw aanwezigheid hier. Maar Versnoek heeft mij uw komst eerst gisteren medegedeeld en toen was het te laat om de koempoelan weer af te lasten. U zult mij niet euvel duiden dat ik een oogenblikje den rol van gastheer verruil tegen dien van administrateur, niet waar?”
„Oh, als de zaak zoo zit, dan heb ik geen bezwaar; ga gerust uw gang.”
„Nou, dat heeft zoo’n haast niet. Laat ik u eerst welkom heeten, hier te Alas Bamboe. Het is ons allen waarlijk een genoegen u in ons midden te zien. En het is geen frase, mijnheer Van Dam, als ik u hier, ongetwijfeld, ook namens de andere heeren, de verzekering geef dat wij u gaarne nog vaak hier zullen begroeten.”
„Daar gaat-ie!”
Een bediende had champagne voorgebracht. De glazen werden geleegd en weer gevuld. En het gesprek werd algemeen.
Buiten zaten de inlanders nog steeds gehurkt. Opzettelijk: zij moesten getuigen zijn van de plechtige ontvangst. Eindelijk kwam de heer Nederman naar de stoep. Hij gaf een wenk aan de employé’s, die de geheele komedie natuurlijk heel goed begrepen. Zij kwamen bij hem staan.
„Ziet u nou eens, mijnheer Van Dam,” riep de administrateur zijn gast toe, „of het volk van Alas Bamboe er welvarend uitziet. Ze zitten allesbehalve sjofel in de plunje, zooals u ziet, en bepaald hongerlijdersgezichten ziet u er toch ook niet onder.”
Hij gaf een wenk aan de koewoes om naderbij te komen. Hurkend schoof de menschendrom een pas of tien vooruit. Van Dam was uit hoffelijkheid opgestaan en kwam achter Nederman staan om te voldoen aan zijn uitnoodiging tot zien.
Hij begreep in zijn naïeviteit niet dat hij gebruikt werd als onmisbare figurant in het drama; ook niet dat de toeschouwers daar, die menschenmenigte, order hadden bekomen in feestdos te verschijnen.
Nederman deed, als gold het een gewone beleefdheid, een stap achteruit. Hij stond nu tusschen den assistent-resident en den boepati in. Toen begon hij het volk toe te spreken:
„Ik heb met leedwezen vernomen, dat gij allen, menschen van Sikarang, geweigerd hebt om de vrijwillige overeenkomsten te teekenen en dat gij volhardt in uwe weigering om de tjoeké in rijst op te brengen, en dit verkiest te doen in padi. Ik kan en ik wil u ook niet dwingen om te doen wat ik in uw belang zou wenschen; gij zijt geheel vrij. Gij kunt dus padi leveren, gelijk gij verkiest. Maar de tijd is ver achter ons, dat dit op Alas Bamboe geschiedde. Uw vaders waren niet zoo stijfhoofdig en verblind als gij en zagen in, dat rijstlevering voordeeliger was voor hen. En zoo zullen de gebruiken, die gij in acht hebt te nemen bij padilevering, u niet meer bekend zijn. Daarom heb ik u bij elkander doen komen omdat ik u deze gebruiken in herinnering wil brengen, opdat gij, in uw eigen belang, geen soesah zult ondervinden. Ten eerste dan zal de padi bij het snijden gewogen worden, en ook wordt de tjoeké-padi gewogen in de pakhuizen, opdat ik zal kunnen nagaan of gij wel levert wat gij schuldig zijt aan het land.
„Dan moet gij er voor zorg dragen dat op den dag zelf, dat de padi wordt gesneden, het ⅕ gedeelte in de pakhuizen wordt afgeleverd. Zooniet, dan zal ik verplicht zijn u te bestraffen. Wijl nu eenige desa’s verre gelegen zijn van de pakhuizen en ook met het oog op den weg over zee van andere desa’s, zullen de pakhuizen voor die desa’s tot één uur des nachts open blijven.—En anders heb ik u niets te zeggen. Denkt na over hetgeen ik u hier medegedeeld heb, en bedenkt wel hoe gij uw eigen belang het best zult dienen.”
Op een wenk van den spreker dreven de dorpshoofden de inlanders uitéén.
Nog lang werd deze koempoelan in de desa’s besproken. De administrateur, zoo zeide men, had het bestuur vòòr zich. Als men nu, na deze officieele proclamatie, nog weigerde te voldoen aan den wensch van den landheer, zou men veel soesah hebben. En er waren er niet velen meer, die het waagden bij hun weigering te volharden. Nederman had prachtig munt geslagen uit de aanwezigheid der bestuursambtenaren te Alas Bamboe. Hij was vergenoegd en toonde zich voor den verderen duur van het verblijf van den heer Van Dam, een fideel en royaal gastheer. De heer Van Dam bracht een zeer aangenamen indruk van zijn uitstapje naar Telatiga mede terug.
* * *
Het liep mis met den oogst. Dat was duidelijk te bespeuren. En overigens, wie dit niet vermocht in te zien, zou, als hij dààrvoor oog had, aan tal van teekenen hebben kunnen bemerken, dat de bevolking niet gerust was op de toekomst. De regens hadden den landman in den steek gelaten en met de droogte hadden de insecten in het gewas gewoekerd, geholpen door muizen en engerlingen. Er was stagnatie geweest in den groei, hama dedet noemt de inlander dit.
En reeds was men overgegaan tot het planten van gadoe, ’n ruwe plant, nauw eetbaar product leverend, maar die zelfs uit het woestijnzand voedsel in zijn wortels zou kunnen trekken.
Toen eerst—te laat—waren de regens gekomen. Overmaat van ramp. Het water kon toen niet dienstig meer zijn, ja erger: het schaadde. Er kwam veel water; hier en daar werd de aanplant bedorven. En na de wolkbreuken kwamen de walang sangits. Neen waarlijk, de oogst dreigde zeer, zeer schraal te worden.
En, onbedriegelijk verschijnsel van komenden nood, de buffeldiefstallen namen dagelijks toe.
De landen Alas Bamboe en Telatiga zijn berucht om de buffeldiefstallen. Er is gebrek aan ploegvee in de geheele afdeeling Telatiga, maar het wordt eerst recht voelbaar op de beide particuliere landen. En gevolg van dit afwezig zijn van ploegvee is patjolbewerking der sawahs voor een zeer groot deel.
Alles grijpt in elkander: gevolg van patjolbewerking is dat de sawahs minder deugdelijk en intensief bearbeid worden bij grooter tijdverlies. En de afdeeling is groot. Negentig duizend bouws zijn er in cultuur gebracht; op die geheele uitgestrektheid wordt rijst verbouwd.
De Koloniale Verslagen geven elk jaar een achteruitgang van den veestapel aan, een achteruitgang van 34.5 procent in elf jaren tijds! Het totaal buffelbezit der bevolking is van 41.000 stuks op 27.000 teruggeloopen. Deze achteruitgang is te wijten aan diefstal, zelf een gevolg van voedselgebrek. De raderen grijpen onverbiddelijk in elkaar. Verdrietig is het te constateeren, dat niet door veeziekten, hoe treurig ook, noch door levendigen uitvoer, die winst geeft, de veestapel aldus onrustbarend vermindert. Diefstal is de oorzaak, onvoldoende bescherming van het bezit der bevolking, onvoldoende, slecht georganiseerde, niet tegen haar taak opgewassen politie, afwezigheid van wettelijke bepalingen, die den landheeren moesten kunnen dwingen tot bescherming van have en goed de opgezetenen.
Verdrietig is het ook te weten, dat het bestuur zich den stand van zaken wel bewust is: ’t tegenovergestelde zou hoop geven op eventueele verbetering. Die bewustheid manifesteerde zich, maar met betreurenswaardige impotentie, nu eenige jaren geleden, in het uitvaardigen van een bepaling, waarbij bevolen werd dat de buffels van een desa in eenzelfde kraal moesten worden bewaakt tegen dieven. De diefstal verminderde toen, dat is waar, maar het middel bleek een lapmiddel en welhaast even noodlottig als de kwaal. Want de desaman kon zijn dieren niet bij zich houden, hun verzorging kon hij niet geheel op zich nemen; hij zag hoe de jongere en zwakkere dieren leden door de sterkere; de paring vermocht hij niet meer te regelen, en de geboorte van buffels kwam minder tot haar recht. De desaman verkocht toen zijn vee...
En men kon of wilde niet inzien dat het mangelde aan de politie, oordeelde dat de inlander, in zijn domheid, het oogenblikkelijk geldelijk voordeel van den verkoop verkoos boven het productief bezit van den buffel. Maar stelselmatig roerde men het punt niet aan dat er te weinig weideplaatsen waren voor de buffels, van den tijd der sawahbewerking tot den snijtijd. De buffeleigenaar was dan genoodzaakt gras te snijden, wat tijd en arbeid kostte. En de sterfte onder de slecht gevoede dieren nam toe: De desaman verkocht dus zijn vee, niet uit hoop op dadelijk geldbezit, maar wijl hij vreesde spoedig ook dat niet meer te zullen krijgen.