Note 219 — HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN. (continued 4)
Reading edition
Siman was reeds gewoon geraakt aan de gevangenisomgeving. Na zijn veroordeeling was hem een andere cel aangewezen, dien hij deelde met een lotgenoot, veroordeeld tot drie maanden wegens een vechtpartij, waarbij de ander een oog kwijt geraakt was. Sarpan, zoo heette Simans celgenoot, was een brutale duivel, en behoorde tot een categorie menschen, waarmede de eenvoudige desaman nog niet in aanraking was geweest. Sarpan was het type van den boaja219, die in de steden leeft van bedrog, oplichterij en diefstal, die niet werken wil, maar teert op zijn medemenschen. Hij was een nog jonge kerel met een vrij gunstig uiterlijk en had een diepen indruk gemaakt op Siman. De jonge Soendanees keek waarlijk met ontzag tegen hem op en luisterde met groote aandacht naar de voor drievierde verzonnen verhalen, welke de ander hem opdischte. Die verhalen openden een geheel ongekende wereld voor hem. Een wereld van weelde, waarin volop de middelen te vinden waren om zich een onbekommerd bestaan te verzekeren, een wereld van avonturen, die prikkelend werkten op de gedachten van den binnenlander, een wereld van genot en pleizier, onbekend aan millioenen. Sarpan kon ’s avonds onder het rooken van een kaoeng-strootje, dat hij, tegen het strenge verbod in, natuurlijk wel had weten machtig te worden, heele verhalen doen van zijn avonturen, die hem reeds vaak met de rechters in aanraking hadden gebracht; maar telkens was hij er weer doorheen geslipt. Een paar keeren was hij op heeterdaad gesnapt, en daarom had hij nu ook voor een onbeduidende kloppartij drie maanden gekregen. Ze wilden zich nu eens wreken op hem, omdat hij ze meest te slim af was. Sarpan sprak altijd met groote geringschatting over de justitie, over de bestuursambtenaren en over allerlei andere dingen, waarvoor andere menschen diep ontzag plegen te hebben. De politie deed je niets, zeide hij, als je maar zorgde dat je een gevulden buidel had, om ze oogen en ooren dicht te stoppen. Nou, en gebrek aan geld had hij hoogst zelden. Zijn laatste veroordeeling was bepaald kluchtig geweest. Hij was twee dagen in de gevangenis, toen hij zich loskocht. Alleen had hij zich moeten verbinden om elken avond terug te komen. ’s Morgens heel vroeg ging hij er alweer uit. Hij was toen voor de politierol gestraft. Aan die geschiktheid om zich overal tusschen uit te draaien had hij zijn bijnaam van Si-Lindoeng220 te danken, onder welken hij het meest bekend was. Och, het was maar de manier, waarop je zulke dingen aanvatte, hé?