← Table of contents
Het boek van Siman den Javaan

HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN. (continued 3)

Reading edition

„Ja, het is kwaad spelen met vuur,” merkte de ander wijsgeerig op.

„Natuurlijk, natuurlijk, welnu blijf dan met je vingers van het vuur af. Wat drommel, Ing Kiok had er niets mee noodig.”

Hij zuchtte.

„Nou ja, Boen Ho, maar je moet toch ook bedenken dat het hard is voor ons Chineezen om heerendiensten te doen. Het reglement zegt heel beslist, dat wij niet heerendienstplichtig zijn. Het is toch een leelijk ding om te moeten werken zonder loon.”

„Jawel, jawel, maar men kan water in den wijn doen. Geld maakt veel goed. En de landheer wil niets liever dan geld in afkoop van de diensten.”

„Dat staat dan toch nog te bezien.”

„Welneen, dat is het niet. De landheer heeft zelf de lieden aangeboden, de diensten af te koopen. Eerst vroeg hij zes en twintig gulden per hoofd en per jaar, wat nog zoo onbillijk niet was: een halven gulden per dag. De lui wilden er niet aan. Niet omdat de som te bezwarend was, neen, enkel en alleen om oppositie te voeren. Dat is juist het verkeerde. Men moet weten te geven en te nemen. Deze landheer is nog zoo kwaad niet voor ons, handelaren. Nu wordt hij noodeloos verbitterd, en het eenige gevolg is dat de handel er onder zal lijden. En het is zuiver oppositie, anders niet. De landheer heeft van zijn goede gezindheid voldoende blijk gegeven, dunkt mij, want later vroeg hij maar twintig gulden, toen achttien, en nu kunnen de menschen van den garok af voor vijftien gulden voor een heel jaar ...”

„Dat is erg vreemd.”

„Vreemd, waarom vreemd? Dacht je dat een landheer ook niet liever vrede en rust heeft op het land, dan altijd soesah en relletjes?”

„Zeker, maar als ik in mijn recht ben, dan onderhandel ik daar niet over, zou ik zeggen.”

„Nou ja, recht. Dat is zoo’n groot woord. In elk geval bewijst de landheer dat hij nog zoo kwaad niet is. En dan, er moet nog blijken dat de lieden in hun recht zijn. Als ze nu maar deden wat hij wilde, waren ze van alle soesah af.”

„En waar was het einde!”

„Och kom, het is nu al jaren zoo gegaan, en het ging goed.”

„Boen Ho, Boen Ho, nu ben je toch niet billijk. Jij weet net zoo goed als een ander dat het niet goed ging. Ze zeggen altijd dat wij, Chineezen, het volk zoo uitzuigen, maar ik geloof toch niet dat jij en ik evenveel rijst van de bevolking zouden kunnen binnenhalen, als die daar ginds,” en de spreker wees over de rivier.

„Wees jij maar voorzichtig. Wie veel praat, moet veel verantwoorden. En een goed handelaar zorgt alleen dat de handel voor den wind gaat.”

Er voegden zich anderen bij de beide Chineezen en het gesprek nam nu een wending. Men liet de critiek varen en bepaalde zich tot de feiten. Pah Asriep, Siman en de andere desalieden luisterden zwijgend toe. Wat zij hoorden, wekte zeer hun belangstelling. Zij vernamen zulke buitengewone dingen dat hun eenvoudige hersens alles nauw konden bevatten.

„Hoe is de heele beweging toch begonnen?” vroeg een jonge Chineesche handelaar. „Ik ben eergisteren eerst van Tegal teruggekomen. Ik weet dus zoowat niets.”

Tan Boen Ho nam het woord:

„En is dat niet zoo?”

„Weet ik het? Ik heb het reglement niet bestudeerd. Eerst hebben ze toen een telegram gezonden naar Batavia, dat wil zeggen, ze waren eerst op de politierol gestraft. Ze vroegen dan om hulp aan iemand, die misschien wel eenigen invloed had, omdat hun protest—zooals zij zeiden—geannuleerd was. Toen begonnen de Chineezen ook ...”

„Nadat de anderen gestraft waren?”

„En ze hebben niet betaald?”

„Neen, zij ...”

„Natuurlijk niet,” viel een ander in, „dan konden zij wel elken keer betalen. Eens begonnen, moest natuurlijk doorgezet worden.”

„Jullie moet me niet telkens in de rede vallen. Dan raak ik den draad kwijt. Waar was ik nu ook weer?”

„Ze wilden niet betalen ...”

„Och kom?”

„Ja. De assistent-resident was woedend. Dat kun je zoo denken. Hij zou ze tienmaal laten opkomen, al werd er tienmaal vol gehouden, zei hij. Jullie begrijpt dat het bedrijf op die wijze heelemaal verlamd zal worden. De rol wordt tweemaal ’s weeks gehouden.”

„Voor de lui van Waroe Lima beteekent dat ruïne.”

„Dat zal waar wezen; vijf en twintig tot dertig paal het binnenland in, tweemaal in de week, dat is aan reizen en verblijf al zes dagen.”

„En is dat gebeurd?”

„Ja, dat is gebeurd.”

„Maar mag de assistent-resident dat nu wel doen?”

„Doe er wat tegen, als je kunt.”

„Nou en wat deden de lui toen?”

„Ze telegrafeerden aan den toean besar te Bogor ...”

„Brani zijn ze.”

„Waarom brani? Ik zou het ook doen.”

„Het schijnt dan toch wel, dat ze gelijk hebben.”

„Zijn jullie nu klaar, zeg? Wat telegrafeerden ze, Boen Ho?”

„Dat ze reeds in de gevangenis waren geworpen. Nou moet je weten dat eenige dagen te voren de assistent-resident last had gegeven dat de lui, die reeds meermalen waren gestraft en nog weigerden, meerdere straf moesten krijgen ...”

„Gelast zeg je? Aan wien was dat gelast?”

„Aan den demang.”

„Het wordt toch gezegd. Maar hoe het zij, dit weet ik dan wel heel zeker, dat de demang de weigeraars gebonden liet opbrengen, zooals jullie daareven hebt gezien.”

„Astaga! hoe is het mogelijk!”

„En het was een prentah kasar van den kandjeng—ten minste dat zegt men,” haastte zich de spreker er aan toe te voegen.

„En het mooiste is—ja dat moet jullie hooren—dat er later gebleken is, dat de raadsman te Batavia het eerste telegram niet ontvangen heeft ...”

„Hè?”

„En het antwoord was betaald!”

„Waarom is het dan niet bezorgd?”

„Wie zal dat zeggen? Het is mogelijk dat het verloren is geraakt. Maar het lijkt toch vreemd, dat juist dàt telegram weggeraakt is.”

„Dan moeten ze protesteeren.”

„En dan?”

„Dan krijg je ten minste je geld terug.”

„Nou ja, maar de bedoeling was toch dat het telegram werd weggezonden ...”

„Sstt, sstt!”

De deur der politiekamer ging open. Het dertigtal opgeroepenen kwam naar buiten, niet meer gebonden. Ze waren erg opgewonden, praatten druk. De buitenstaanders omringden hen en overstelpten hen met vragen.

De gestraften riepen dat ze niet betalen wilden; dat men hen maar weer moest opsluiten; dat de assistent-resident geen recht had hen te straffen, want dat de zaak voor den landraad behoorde.

Twee politieoppassers dreven de menschen uiteen en na een kwartiertje was het rustig voor het kantoor.

Pah Asriep en zijn metgezellen gingen langzaam heen, om wat te eten aan een warong. Zij waren moe van de vele indrukken, die zij opgedaan hadden.

* * *

Den volgenden morgen reeds vroeg waren zij weder voor het assistent-residentiekantoor. Het was nog geen half negen, en de assistent-resident kwam gewoonlijk niet voor tienen op bureau, maar dat wisten zij natuurlijk niet en zij hadden verzuimd te informeeren, op welk uur zij den volgenden morgen aanwezig moesten zijn. Ruim twee uren hadden zij gewacht, toen de assistent-resident verscheen, gevolgd door twee politieoppassers. Het was een weinig opmerkelijk persoon; hij had een van die gezichten, welke men dagelijks ontmoet en dadelijk weer vergeet. Er sprak niets uit dat gelaat, zelfs geen barschheid of berekening; het droeg den stempel van volmaakte onbeduidendheid. Maar hij had de bestuurspet op met breed-zilveren rand en voor dit blinkend distinctief heeft de inlander ontzag. Zij betuigden de pet meer hulde dan de Zwitsers den hoed van Gesler: zij hurkten dadelijk neer, toen zij haar zagen aankomen. De assistent-resident scheen de lieden niet op te merken. Hij stapte zijn kantoor binnen, waarvan de deur zich achter hem sloot.

De vier buiten wachtten, een half uur, een uur. Toen vatte Pah Asriep moed. Hij vreesde dat zij ook dezen dag niet gehoord zouden worden, als zij nog langer zouden wachten. Het liep tegen twaalven. Hij naderde daarom den oppasser, die op zijn bankje zat te dutten.

Of hij hen niet kon aandienen?

De oppasser had er weinig lust in. Het was een andere, dan die er gisteren zat. Misschien ook wilde hij voor zichzelf gezag kweeken uit de marteling van dat wachten.

Maar Pah Asriep was diplomatiek.

„O, het mag zeker niet,” merkte hij op. „Nou, als je niet durft, laat dan maar.”

De oppasser was nu wel verplicht te toonen, dat hij wèl durfde. Hij stond op en ging binnen. Na een oogenblik verscheen hij weer.

„Volgt mij maar,” zeide hij.

Beschroomd traden de vier binnen en hurkten voor de schrijftafel neer. De kandjeng lag achterover in zijn stoel, spelende met zijn zwaar gouden horlogeketting. Er lag nu een trekje van goedigheid over zijn gelaat.

„Zijn dit de lieden van Alas Bamboe?” vroeg hij den oppasser.

Buigende en de handen tegen elkander naar het gelaat opheffende, antwoordde deze:

„Goed, ga dan maar naar buiten.”

Toen de deur zich gesloten had, vroeg de assistent-resident welwillend:

„Wat komen jullie hier doen?”

Het antwoord bleef uit. Vòòr dit oogenblik hadden Asriep en zijn gezellen een klinkende rede opgesteld in den geest, een rede, waarin zij alle grieven en klachten hadden samengevat, maar het was toch nog iets anders om nu, in tegenwoordigheid van den hoogen bestuursambtenaar, vaardig te zijn met het woord.

„Komen jullie om een perkara?”

„Neen, kandjeng,” zeide Asriep.

„Om te klagen, dan?”

„Ja, kandjeng.”

„Waarover?”

Weer zwegen de inlanders.

„Ik geloof dat ik het begrijp. Jullie behoeft niet bevreesd te zijn; ik krijg dikwijls klachten te hooren. Maar haast je een beetje, want ik heb het druk.”

„Wij kwamen om te klagen, kandjeng, maar ook omdat wij u wilden waarschuwen voor komende moeilijkheden.”

De kandjeng werd onrustig. Moeilijkheden had hij altijd zeer onaangenaam gevonden. Hij hield heelemaal niet van moeilijkheden. Als de zaken maar marcheerden, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en er kwamen geen lastige inspecties en geen perkara’s, dan voelde hij zich erg seneng te Telatiga.

Moeilijkheden! De gedachte alleen stemde hem al onprettig.

„Wat is er dan weer?” vroeg hij, ietwat korzelig.

„Wij willen de vrijwillige overeenkomsten niet meer teekenen, kandjeng”.

„Wat is dat nu weer? Waarom niet? Die contracten zijn heel goed. Ik registreer ze, en je kunt je er dus altijd op beroepen. Jullie zijn erg dom, je kunt het niet beter wenschen. Als je niet teekent, moet je tuinhuur betalen, en je moogt niet vrij visschen en hout halen en dan krijg je taxatie, en als die dan te hoog is ...?”

„Wij willen geen rijst meer leveren, kandjeng.”

„Geen rijst meer leveren? En wat dan? Padi?”

„Ja, kandjeng.”

„Maar, menschen, je bent niet goed wijs! Dan moet je immers veel meer opbrengen!”

„Toch niet, kandjeng.”

„Och, maar dat is dwaasheid. Doe dat toch niet. Je moogt dat niet doen. Daar geef je den landheer heel wat soesah mee. En mij ook. Ja zeker, mij ook. Natuurlijk, er komen relletjes, en perkara’s, en dan moet ik zeker maar elken keer naar Alas Bamboe, om den boel weer in orde te maken, he? Welzeker! Lieve jongens zijn jullie—Nou, maar ik raad het je héél sterk af. Je krijgt er maar niets dan displezier en verdriet van. Wees toch niet zoo dom.—Het is dom, het is erg dom. En als er dan soesah is, dan komen jullie natuurlijk weer bij mij soebatten ...”

„Ja, kandjeng, u zult ons wel helpen.”

„Helpen, helpen! Het is wat moois; eerst den boel op stelten zetten en dan hulp vragen.”

De assistent-resident was in zijn emotie opgestaan en ijsbeerde de kamer op en neer, demonstreerende dat het erg dom was om padi te willen leveren in plaats van rijst.

De vier desalieden zwegen, zij begonnen intuïtief te begrijpen, dat de assistent-resident niet de persoon was, die hen zou bijstaan als zijn bijstand ingeroepen zou worden. En met de geslotenheid van den Javaan, zwegen zij, waar hun geen steun wachtte.

Na eenige oogenblikken wendde de bestuursman zich weer tot de inlanders.

„Van welke desa, en welk district zijn jullie?”

„Wij drieën zijn van Kalapa Aloes, hij hier is van de desa Gatok, district Herea, kandjeng,” antwoordde Pah Asriep.

De heer Van Dam maakte eenige aanteekeningen.

„Jullie wildet nog klagen; zeker over de rijstlevering?”

„Neen, kandjeng.”

„Waarover dan?”

„Over den garok, kandjeng.”

„Zoo, wat is daarmee?”

„Ik ben al meer dan vijftig jaar, kandjeng, en er zijn nog vele anderen, die even oud en ouder zijn dan ik; wij allen moeten nog werken in heerendienst. En ook zijn er nog jonge lieden, kinderen bijna, die nog geen veertien jaar zijn en heerendienst moeten doen.”

„Zoo. Hoe weet je, dat je al vijftig jaar bent?”

„Ik denk van wel, kandjeng.”

„En is dat alles?”

„Neen, kandjeng, wij moeten ook te veel dienst doen ...”

„Vertel eens, hoe gij dat weet.”

„Er is de groote garok, kandjeng, van een heele week. Den laatsten keer zijn wij te Gending geweest, een week lang. Gending ligt twee en twintig paal van Gatok, kandjeng, en achttien van Kalapa Aloes.—En dan is er de kleine heerendienst, de krigan.”

„Hoe lang?”

„Zeven of acht maanden, kandjeng.”

„Nou, dat is dan toch altijd nog geen twee en vijftig dagen in een jaar!”

„De garok, de groote heerendienst, komt meermalen, kandjeng.”

„Hoeveel maal?”

„Dat weet ik niet precies, kandjeng.”

„Maar hoe kan je dan zeggen, dat je te veel dienst doet! Jullie klaagt maar raak. Ik zal maar naar Telatiga gaan, denk je zeker, he? De assistent-resident zal wel helpen?”

„Ja, kandjeng.”

Siman kreeg opeens moed.

„Het eten is ook niet goed, kandjeng.”

„Krijgen jullie dan geen kattie rijst per man?”

„Jawel, kandjeng.”

„Nou dan, de landheer behoeft niet meer te geven.”

„Ja, kandjeng.”

„Ja, jullie zegt maar: ja, kandjeng, ja kandjeng, maar de klachten komen eigenlijk op niets neer.”

De heer Van Dam werd waarlijk boos. De brave man meende volmaakt in zijn recht te zijn. Hij voelde niet dat zijn korzelige bejegening reden was, dat de menschen niet praatten, niet alles zeiden wat zij op het gemoed hadden. De desa-man is als een slak. Bij den minsten tegenstand trekt hij, bedeesd, zijn voelhorens in. Men moet hem tegemoetkomen, door vriendelijkheid en welwillendheid zijn natuurlijken schroom overwinnen en zijn vertrouwen wekken. Heeft hij dat vertrouwen niet, dan zwijgt hij en duldt nog liever dan zich te compromitteeren door het uiten van niet begrepen grieven.

En zoo ging het hier ook. De assistent-resident vernam niets van wat hij toch zeker had behooren te vernemen. Hij zelf was daaraan schuld.

Voor Pah Asriep, Siman en de beide anderen was de tocht naar Telatiga dus een vergeefsche geweest, wat het klagen betreft. Maar geheel zonder nut was de reis toch niet gebleven. Zij hadden veel geleerd, wat hun tot dusver onbekend was. En bovenal hadden zij wel zeer goed begrepen dat het reglement op de particuliere landerijen—bij hen slechts bekend als het reglement—ook hun rechten vaststelde. Wat hun verplichtingen betreft, och, het was niet noodig deze te kennen. De eigenaren zouden wel zorgen, dat zij gèèn hunner verplichtingen verzuimden. Maar hun rèchten! Zij hàdden dus rechten. Zij hadden het recht diensten of opbrengst te weigeren, wanneer de heffing daarvan niet was veroorloofd door den wetgever. Maar welke waren die rechten? Het was zaak voor hen die te leeren kennen. Maar hoe? Ze stonden in een boekje. Maar al waren zij in het bezit hiervan, zouden zij dan geen uitleg behoeven? Pah Asriep, hooge uitzondering, kon weliswaar lezen, maar zou zijn kennis voldoende zijn tot begrip van het gelezene? Hij twijfelde er zelf aan. Toch moest men vòòr alles in het bezit komen van zoo’n boekje. En Siman meende dat het beste adres daarvoor zou zijn, een van de lieden van Waroelima. Die hadden zich verzet, steunend op hun rechten, welke zij dan toch wel kennen zouden.

Er werd besloten dien dag te besteden aan het zoeken van een exemplaar van het boekje van Mr. Hagelaar, met het reglement in het Maleisch gedrukt.

Pah Asriep had een idee. Hij zou Tan Boen Ho in den arm nemen. Wellicht zou hij Tan Ing Kiok bij hem ontmoeten en die zou hem toch zeker wel op den weg kunnen helpen.

Tan Boen Ho was geen kwade vent. Plooibaarheid, vriendelijkheid en goedmoedigheid hadden hem vooruitgebracht in zaken. Hij hielp graag. Behulpzaamheid was een kapitaal, dat, uitgezet, zijn rente opbracht. En toen Pah Asriep hem naar zijn broeder gevraagd had en het verzoek, dat hij Ing Kiok wilde doen, bekend gemaakt had, was Boen Ho wel eerst begonnen met te trachten op welwillende wijze de lieden te overtuigen van hun dwaasheid om zich tegen de bestaande machten te verzetten, maar hij was toch geëindigd met Ing Kiok te doen roepen, die bij een buurman was.

Pah Asriep en zijn gezellen waren wàt in hun nopjes met het goede resultaat van hun pogingen, maar dat ze nu alweer langer te Telatiga zouden moeten vertoeven, was hun toch niet aangenaam. Hoe weinig ook, het verblijf aldaar kostte geld. Toch zouden zij zich in het onvermijdelijke schikken, want hun leek het bezit van zoo’n boekje een panacee voor al hun leed. Zij konden natuurlijk niet weten, dat, in spijt van alle codificatie hunner rechten, deze met voeten getreden worden. Zij konden niet weten dat het voor ambtenaren een kwaad ding is hoogerop „lastig” gevonden te worden en dat het voor hen dus van minder gewicht is ontevredenheid te wekken bij de bevolking, die lang duldt alvorens haar leed te uiten, dan aanleiding te geven tot klachten bij de Europeesche ingezetenen. Zij konden ten slotte niet weten dat de gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië ongestraft den eersten hem opgelegden plicht verzaakt, den plicht namelijk, de bevolking te beschermen voor willekeur, van wien ook.

* * *

Dienzelfden avond had het gewone partijtje ten huize van den assistent-resident plaats. In de voorgalerij waren alle lichten op, en de ruime woning bood met die illuminatie een vriendelijken aanblik.

Aan het speeltafeltje zaten de vier heeren in eenvoudige witte Atjeh-jassen: de heer Van Dam, dokter Bottenman, mr. Van Wetten, de landraadspresident, en de ontvanger Haalman.

De jurist was met den bestuursman in druk dispuut, zeer ten ongerieve van de anderen, want Van Wetten speelde toch reeds onoplettend. Men had het natuurlijk over den tegenwoordigen roerigen goest onder het volk, over het weigeren van heerendiensten.

Van Wetten had volgehouden dat de lieden ten onrechte ter politierol werden gestraft. De assistent-resident had niet willen toegeven.

„Je kunt nu wel komen aandragen met alle mogelijke rechtsgeleerdheid, Van Wetten, maar je praat het niet bij me omver dat, waar zulke geschillen tusschen landheer en opgezetene nu reeds jaar en dag ter politierol zijn beslecht, er dan toch zeker wel eens een pientere kop op de idee zou gekomen zijn dat dit in strijd was met de wet.”

Van Wetten gaf, en onderwijl betoogde hij dat dit een opvatting was, die hij niet kon deelen. Wat drommel, als de sleur de menschen deed inslapen, dan was er reden te meer om eens aan te toonen dat men al maar door op den verkeerden weg bleef.

„Wat doet u, mijnheer Van Dam?”

„O, moet ik het zeggen ...? Pas ... Dus jij zoudt meenen dat zulke geschillen voor den landraad moesten worden berecht? ... Hoeveel is er over? Zes? Goed, geef maar op ... Wie danst voor?”

„Altijd, die het vraagt.”

„Ik geloof heel zeker, mijnheer Van Dam, dat mijn stelling uitmuntend te verdedigen is. De bepalingen, zegt men, zijn onduidelijk, maar ik heb dat tot nu toe niet kunnen inzien. En nu geloof ik er wel wat van te weten, want in den laatsten tijd heb ik mij heel veel beziggehouden met deze kwestie. Alle geschil spruit voort uit de beteekenis, die men hecht—en verkeerdelijk hecht—aan den term: „alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortkomende rechten ...”

„Neen, dokter, hangen doet u. Manille, ponto, als je blieft.”

„Ja, het was te jong. Toch een aardig spel!”

Bottenman betaalde, verdubbelde den pot voor den verloren sans-prendre en Van Dam gaf.

„Ik beroep mij maar op artikel 59 van het reglement,” nam de assistent-resident het gesprek weer op onder het afgeven. „Het plaatselijk bestuur zal kennis nemen ... allemaal negen? ...”

„Pas.”

„Een vraagje.”

„Wacht’s even,” zei Van Wetten. „Potdori, het zou er één kunnen zijn. Wat denkt u er van, mijnheer Van Dam?”

„Nou, ik heb zulke wel zien verliezen. En het potje is vet.”

„H’m. Of ze ’t bennen, dan maar.”

„Al waren ze ’t,” zeide de ontvanger.

„Vijf.”

„Mij drie.”

„Vijf over? Kan ze niet gebruiken. Vier maar en zien.”

Basta viel open.

„Wat een boffert,” zei de dokter spijtig.

Het spel werd gespeeld en Van Wetten lette goed op. Hij hield echter vast aan het gesprek als een terriër aan een kluif en de volgende gift nam hij te baat om weer te beginnen.

„Ja, dat artikel 59 zou je op een dwaalspoor kunnen brengen.”

„Wel neen, het is heel duidelijk: „Het plaatselijk bestuur zal kennis nemen van alle geschillen tusschen de landeigenaren en hun opgezetenen omtrent opbrengsten, diensten en wederkeerige rechten of verplichtingen, en zal, bij al dien partijen niet in der minne kunnen worden bevredigd, enzoovoort, in de zaak beslissen. Zoo staat het er precies ...”

„Komaan praesis, een kaart of een takkebos. Ik zou het dispuut nu maar tot aan tafel verschuiven, want het partijtje lijdt er onder,” merkte de dokter ietwat korzelig op. Bottenman was een hartstochtelijk ombreur en kon onoplettendheid maar slecht verdragen.

Het was gelukkig gauw etenstijd. Er was een logeetje, een onbeduidend dametje, dochter van een suiker-administrateur en al een paar jaar op de mannenjacht. Mevrouw de assistent-residentsche had haar een uitstekende partij toegedacht: Van Wetten. En daar Lientje hem een „mooie man” gevonden had, was mevrouw Van Dam in den geest al op de bruiloft geweest. Van Wetten zelf wist van den strik, dien men hem spande, niets af. Hij was wat meer ten eten gevraagd bij de Van Dams in den laatsten tijd, en hij had moeten musiceeren met Lientje, „die zoo verrukkelijk piano speelde,” maar overigens had hij weinig aandacht aan het meisje gegeven, dat toch wel een lief snoetje had met haar zwarte krullen en uitlokkende oogen.

Natuurlijk zat hij nu naast Lientje. Aan de andere zijde, aan het hoofd van de tafel, troonde Van Dam. En dien avond had mevrouw Van Dam heel wat gemoedsonrust te verduren, want Van Wetten had alléén woorden voor zijn buurman. Lientje moest zich behelpen met Bottenman, een ouden vrijer, die heel weinig zorg besteedde aan zijn uiterlijk en ook in ander opzicht geen man van de wereld genoemd kon worden. Voor Lientje was het heele dineetje een faillure. En daar hadden de opgezetenen van het particuliere land Telatiga schuld aan, want Van Wetten was op zijn stokpaardje en kwam er voorloopig niet af. Hij praatte zich geheel in vuur en vergat zelfs den goeden wijn eer aan te doen—wat hem niet vaak overkwam.

„Dat artikel 59 van u, mijnheer Van Dam, is krachteloos gemaakt.”

„Hè, en waardoor dan?”

„Door het regeeringsreglement.”

„Dat begrijp ik niet.”

„Het regeeringsreglement is van jongeren datum niet waar, van ’55. Welnu, artikel 78 R. R., eerste alinea, verklaart—luistert u goed?—dat alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende rechten bij uitsluiting behooren tot de kennis van de rechterlijke macht. Daarom is dat artikel 59 van u krachteloos.”

„Met je verlof, maar rechten uit eigendom voortspruitende zijn toch geen ...”

„Dat zijn ze wel, mijnheer, dat zijn ze wel! De eigenaar heeft het land in eigendom, niet waar? Ik laat daar dat hier van een dominium plenum geen sprake is. Volledig eigendomsrecht is er niet, dat heeft mr. Sibenius Trip, oud-president der beide hoven, voldoende aangetoond. De eigenaren bezitten een dominium directum. De opgezetenen verwerven dan ook door bebouwing enz. zakelijke rechten op den grond. Maar, zooals ik zeg, dat laat ik daar. Uit den eigendom echter spruiten rechten voort, en wel in de allereerste plaats, versta me goed, in de allereerste plaats het recht om heerendiensten te vorderen en een zeker tantième van de voortbrengselen.”

„Verder?”

„Wel, mij dunkt dus, dat, waar artikel 78 regeerings-reglement spreekt van „rechten uit den eigendom voortspruitend,” er niet anders kan bedoeld zijn, in de allereerste plaats alweer, dan die rechten van tjoeké- en garokheffing. Als dus over die rechten twist gevoerd wordt, zal uitsluitend de rechterlijke macht bevoegd zijn daarin te beslissen. En dus ...”

„En dus doe ik iets onwettigs met de lui, die heerendienst weigeren, op de rol te straffen?”

„Naar mijn overtuiging, ja. U handelt daardoor in strijd met de bepalingen. Evenwel, er zijn mitigeerende omstandigheden ...”

„Ah, er zijn dus verzachtende omstandigheden, gelukkig!”

„Ja, dat de sleur zoo langzamerhand deze onwettigheid schijnt te gaan wettigen. Anders geen.”

„Maar dan, Van Wetten, een vraag.”

„Ja?”

„Het reglement op de particuliere landerijen is een algemeene verordening, niet waar?”

„Ja, zeker.”

„Best. Maar dan zou ik wel willen wijzen op artikel 82, eerste alinea, van hetzelfde regeerings-reglement, dat jij aanhaalt. Dat artikel zegt: de zaken, welke uit haren aard of krachtens algemeene verordeningen ter beslissing staan van het administratief gezag, blijven daaraan onderworpen. En dus, zeg ik op mijn beurt, mijnheer de rechtsgeleerde, en dus is artikel 78 regeerings-reglement van geen kracht.”

Het weinig levendig gesprek der anderen was allengs geheel verstomd en ook zij hadden, schoon zwijgend, deelgenomen aan het opgewekt debat tusschen Van Dam en Van Wetten. De triomf van den assistent-resident was door den dokter begroet met een vroolijk: „Habet, Van Wetten!”

De ontvanger viel dadelijk bij. „Prosit!” riep hij en hij nam zijn glas op. Van Dam lachte zegepralend. Van Wetten maakte evenwel niet den indruk van een verwonneling. Een fijn, sarcastisch lachje trok om zijn lippen. Hij keek de anderen aan en zei:

„Wel, mijnheer Van Dam, ik begreep waar u heen wilde en liet u dus spreken. Maar zoo spoedig als u wel denkt, hebt u me toch niet vast, geloof ik. Natuurlijk ken ik uw artikel 82 ook wel, maar dit mooie artikel is, jammer genoeg voor u, sedert 1857 niet meer van toepassing.”

„Dat is sterk! Ik weet van geen wet, die het regeerings-reglement op die wijze besnoeid heeft. Volgens mij is het reglement op het beleid der regeering de handleiding voor al onzen arbeid.”

„Dit is ook zoo, zeker, of beter: dit behoorde zoo te zijn, want natuurlijk houdt men de hand niet aan de bepalingen van dat reglement. En ook is er geen enkele wet, die een wijziging, als door mij bedoeld, vaststelt ...”

„Welnu dan.”

„... maar het reglement zelf bepaalt het.”

„Och kom, jullie juristen leest altijd meer in de wet dan wij; dat is trouwens jullie beroep.”

„Ik dank u voor uw goede meening over ons, mijnheer Van Dam, maar wat ik nu bedoel, kan ieder openlijk en duidelijk zien staan. Als dames het regeerings-reglement lazen, zouden zij de bepaling zonder eenigen twijfel gevonden hebben.”

„Van Wetten spreekt in raadselen,” merkte Bottenman op.

Van Wetten stelde zijn triumf uit om er des te meer van te genieten.

„Dames kijken immers altijd achter in het boek voordat zij beginnen te lezen,”—de geestigheid viel heelemaal in het water; niemand vond haar aardig. Alleen Leentje vond haar „flauw”—„en,” vervolgde Van Wetten „de laatste alinea van het laatste artikel van het regeerings-reglement zegt dat artikel 82 maar twee jaar van kracht zal zijn.”

„Daar wil ik me dan toch eerst van overtuigen,” zeide Van Dam, en met een ruk schoof hij zijn stoel achteruit, liet zijn servet vallen en verdween in het kantoortje. Hij kwam terug met een regeerings-almanak, eerste deel, en zocht naar het regeerings-reglement. Toen las hij: „artikel 132, tweede alinea: Bepalingen, voorkomende in de verordeningen, vermeld in de eerste zinsnede van artikel 82, die in strijd zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van artikel 78, behouden slechts kracht gedurende twee jaren na het inwerking treden van dit reglement ...”—„Waarachtig, hij schijnt gelijk te hebben. Het is sterk.”

„Och wel neen; het is integendeel zeer duidelijk dat de wetgever niet op twee gedachten heeft willen hinken en geen tweesoortige rechtspleging heeft willen in het leven roepen. Of alles voor de justitie, òf alles voor den politierechter. En, met alle respect voor de bestuursambtenaren, kan men niet anders zeggen dan dat de wetgever een goede keus gedaan heeft, door de laatsten prijs te geven. Dat men maling heeft gehad aan de bepalingen, is de schuld van den wetgever niet.”

„Maar,” merkte de assistent-resident verslagen op, „waarom vestigt ge er de aandacht niet op? Mij dunkt, het is toch een kwestie van beteekenis en ge schijnt volkomen gelijk te hebben.”

„Weet je wat er het eenige gevolg van zou zijn?”

„Nu?”

„Dat ik een hoop schrijverij kreeg, om toe te lichten, enzoovoorts en dat ik tijd tekort zou komen om alle snertzaakjes te behandelen. Neen, ik vind het best, zooals het is.”

Deze uitspraak wekte geen verbazing in dien kring. Het kwam bij geen hunner op dat Van Wetten toch eigenlijk zijn plicht niet deed, door zijn meening, die, naar het scheen, met een beroep op de wet gehandhaafd kon worden, niet bekend te maken, om zoodoende een niet geoorloofden toestand veranderd te krijgen. Welneen. Men vond hem ongetwijfeld erg handig, wat Lientje dan ook onder woorden bracht. Zij had heel weinig van het gesprokene begrepen en Van Wetten alleen erg vervelend gevonden, al paste zij er wel voor op dit te zeggen. Integendeel, zij had nog lof voor hem: „Nou, u is erg pienter hoor!”

Het spijt mij voor Van Wetten, hier te moeten verklaren dat hij zich gestreeld voelde door den lof, al kan ik als verzachtende omstandigheid aanvoeren dat het complimentje vergezeld ging van een veelzeggenden lonk uit Lientjes donkere kijkers.

De heer Van Dam vond de kwestie zeer interessant; meer dan men van hem verwacht zou hebben.

„Het is toch frappant,” zei hij. „Nu moet je weten dat ik in het eerst zelf huiverig was om de kerels te straffen. Dat noemden de landheeren onwil van me. Toch was die onwil alleen een gevolg van medelijden met de stakkers. Ze moeten hier genoeg schot en lot betalen.”

Het was wel eigenaardig uit Van Dam’s mond een klacht te vernemen over het lot van den Javaan, waar hij zelf aan de bestendiging van dat lot meewerkte uit vrees voor soesah; waar hij zelf de afgedwongen overeenkomsten registreerde en niet naging of er ook te veel geëischt werd van het volk; waar hij zelf de lieden deed binden, als misdadigers, wanneer zij, zich beroepende op hun recht, protesteerden tegen knevelarij ....

„Hebt gij dan aan het verlangen der landheeren toegegeven?” vroeg de dokter.

„Moeten toegeven, dokter. De bestraffing voor de rol werd mij door den procureur-generaal gelast. Zie je, dat is toch wel kras, hè, Van Wetten?”

„Dat is het. Maar tusschen ons gezegd en gezwegen, de tegenwoordige P. G. is een prul van een vent, dat is herhaaldelijk wel gebleken.”

Alweer kwam het niet bij het gezelschap op zich er over te verbazen dat den zoo ongunstig beoordeelden ambtenaar dan toch een post van groot gewicht was toevertrouwd, die hem in staat stelde veel onrecht te begaan.

„Wie is de tegenwoordige procureur-generaal?” informeerde de ontvanger.

„Mr. Van Vlissingen.”

„Feitelijk heeft hij u dan toch aangezet tot onwettige handelingen,” begon Van Wetten weer.

„Daar moet hij dan zelf ook maar de verantwoordelijkheid voor dragen,” haastte zich Van Dam te verklaren.

„Natuurlijk, natuurlijk.”

„Niet waar, het is toch onwettig, dat u zich ingelaten hebt met de twisten over den garok, want art. 81 R. R. is uitdrukkelijk genoeg: alle tusschenkomst van de regeering inzake van justitie, niet bij dit reglement toegestaan, is verboden. En het was dan ook—onvermijdelijke consequentie—onwettig, dat de lui gebonden werden opgebracht.”

De assistent-resident meende in de laatste woorden van Van Wetten critiek te moeten hooren op zijn optreden. Dit was hem onaangenaam. Dadelijk toch ging het door zijn brein: dat binden zou hem last kunnen veroorzaken. En hij nam zich voor in het vervolg dien harden maatregel niet meer te doen toepassen.

„Maar hoe kwam de procureur-generaal er toe, u opdracht te geven? Was er dan geklaagd?”

„In zooverre dat de beide landheeren mij gevraagd hadden om den procureur-generaal te verzoeken een beslissing te nemen in de kwestie der heerendienstplichtigen. Die kwestie liep over dit punt: waren de lieden, in verband met de bepaling van artikel 26 van het reglement, verplicht tot het verrichten van heerendiensten, ja dan neen? Mij dacht van niet, want sub c van dat artikel wordt verklaard dat naar den adat, de volksgewoonten, de lieden worden vrijgesteld, die nog nooit heerendienst hebben gedaan. En dit was toch het geval met de Chineezen van Waroe-Lima en Lobening en met de Arabieren. Nu, de procureur-generaal dacht er blijkbaar anders over, want hij telegrafeerde terug dat ze wel heerendienst moesten verrichten. Later is nog een circulaire gekomen, waarin deze beslissing werd bevestigd. Ik heb ze toen wel moeten straffen.”

„Ja, beroerd genoeg voor de kerels.”

„En het mooiste is nog, dat de procureur-generaal in die circulaire zegt dat ze moeten werken tegen een kattie rijst per hoofd en per dag. Nu, je begrijpt dat de landheeren daar dadelijk profijt van trokken. Vroeger kregen de heerendienstplichtigen rijst met sajoer en een vischje. Dat is nou uit ....”

„Maar wat drommel,” viel de dokter uit, „als de procureur-generaal zoo slecht op de hoogte is, wat heeft-ie dan circulaires te schrijven!”

„Ja, wat zal je er aan doen!”

Het gesprek kwam nu op ander terrein, en spoedig daarna waren de heeren weer aan de speeltafel. Van Wetten was er nu beter bij.

In de binnengalerij zaten mevrouw Van Dam en Lientje. De laatste had zich verveeld en mevrouw was heelemaal niet te spreken over Van Wetten, dien ze erg ongezellig vond, wijl hij niet had meegewerkt aan het welslagen van haar plannen. Maar ze sprak haar wrevel niet uit, beaamde zelfs den lof van Lientje, die hem „zoo knap” vond.

* * *

Toen Pah Asriep en Siman den volgenden morgen van Ing Kiok terugkeerden met een boekje van Mr. Hazelaar, op verscheidene punten reeds ingelicht door den jongen Chinees, zagen zij opnieuw een oploop van volk voor het assistent-residentiekantoor, meest inlanders dit maal.

Acht en twintig inlanders werden dien dag veroordeeld tot drie dagen gevangenisstraf. De zaak bleek zeer trang en de assistent-resident verdiende een pluimpje voor zijn snel „recht” ...

Dienzelfden dag ging een telegrafisch protest aan den gouverneur-generaal in zee. Gelukkig begreep de landvoogd dat er ernstiger zaken waren dan deze ...

* * *

Djiah had in het pakhuis te Herea een zwaren arbeid, dien zij deelde met een tiental andere vrouwen. Het werk bestond in het stampen van de padi en het nawannen van de rijst. Men zal zich herinneren dat er dat jaar reeds hier en daar padi was geleverd in plaats van rijst. Ware dit niet het geval geweest, dan zouden vrouwen in het pakhuis geen arbeid hebben gevonden. Het werk was zeer vermoeiend. Te zeven uur kwamen de vrouwen binnen, om twaalf hadden zij een half uur schafttijd, om vijf uur des middags waren ze vrij. De loonen varieerden tusschen vijf en vijftien cents per dag.

De andere vrouwen hadden het land aan Djiah. Eerstens omdat zij meer verdiende dan de meesten, dan wijl zij een vreemdelinge was, de eenige, die niet in Herea thuis hoorde, en ten slotte wijl men haar om haar fijn gezichtje en lief figuurtje benijdde, want al heeft de vrouwelijke afgunst in de desa zich niet zoo sterk ontwikkeld als in onze zeer beschaafde en zeer brave westersche maatschappij, die ondeugd bestaat er niettemin. Onder elkander beschouwden de vrouwen als vaststaand, dat Kario ook in Djiah’s gunsten deelde. En de gewone zinspelingen op die veronderstelde verhouding had Djiah ook moeten hooren. Ze had echter altijd gezwegen. Maar ze vreesde toch avances van Kario, die haar vaak zoo zonderling kon aankijken.

’Mboh Sima alleen hield van de stille, bescheiden vrouw. En aan de oude had Djiah eens haar bezorgdheid geklaagd, toen Kario haar op een middag had aangeboden een kopje koffie bij zijn vrouw te komen drinken. Djiah had zich verontschuldigd, want openlijk weigeren durfde ze niet. Thuis gekomen had ze ’mboh Sima haar vrees toevertrouwd:

„Ik ben bang, ’mboh, dat Kario iets slechts van mij wil.” En ze motiveerde haar onrust.

’Mboh Sima had eens gelachen.

„Kleine dwaas. Als ik in mijn tijd preutsch was geweest zou ik nou geen eigen huisje met een tuintje hebben. Er steekt toch weinig kwaad in, vind ik. De mannen nemen wel twee en meer vrouwen, waarom zouden wij niet ...”

„Maar, ’mboh, en de adat dan!”

„Nou ja, de adat. Weet je, de adat verzet er zich pas tegen, als je zoo dom bent om het te laten merken. Maar je moet zooiets niet laten merken. En dan is er toch weinig ergs in.”

Ik zeide immers dat men in de desa een andere zedelijkheid huldigt in dit opzicht en de eerste gedachte van Djiah, die toch volstrekt geen slecht schepseltje was en zich voor geen geld met een blanke zou afgeven, betrof niet het onvoegzame van den echtbreuk, maar den adat, die, door mannen uitgedacht zich er tegen verzette. Ook de tweede gedachte gold niet den immoreelen kant der kwestie, maar haar man.

„Als Siman er van wist, zou hij mij vermoorden ...”

Nu stond ’mboh Sima bij een klein hoektafeltje, netjes geverfd. Er lag een verschoten kleedje op en op het kleedje stond een vergulde lamp ... Ja, waarlijk een petroleumlamp. Zoo dadelijk zou ze haar wel opsteken ... en dan was het er zoo gezellig, in het binnenvertrekje ... Zij, thuis, moesten zich altijd behelpen met een palita ... die walmde zoo, en dan rook alles naar roet ... Als zij ook eens zoo’n heldere lamp konden hebben, hè ... Maar er was geen geld ...

Ze schrikte op uit haar mijmering door den stem van ’mboh Sima, die als het ware haar gedachten geraden had:

„Is het nog altijd zoo armoedig bij jullie, Djiah?”

„Ach god, ja, ’mboh. Heb ik je al verteld dat de katjang mislukt is, en de djagong ook? Die is nauwelijks goed voor veevoeder. En Mah Ten is weer ziek geweest, en de doekoen moest weer betaald worden. En nu wil Ipah al gauw gaan trouwen, en wij helpen haar natuurlijk met haar inkoopen.—Ach ja,” zei ze zuchtend, „wij inlanders hebben altijd soesah.”

„Och ja, ’mboh, doe je het, toe?” vleide Djiah.

Een dag of wat later kwam ’mboh Sima thuis met de blijde boodschap, dat Kario niet ongenegen was Djiah te helpen. Hij had medelijden met het arme vrouwtje, met wier kommervolle huiselijke omstandigheden hij bekend was. En de gelegenheid deed zich voor, want een van de vrouwen in de afdeeling, waar de zakken werden dichtgenaaid, ging heen en Djiah zou haar kunnen vervangen. Kario zou het haar wel mededeelen, wanneer zij kon invallen. Djiah verheugde zich zeer over deze blijde tijding. En eerder dan zij dacht kreeg zij het postje.

Op een avond was zij bezig den kleinen Rekso in slaap te wiegen. De mollige kleine vent had het wat in den buik en was huilerig en lastig. In haar kamertje zat de jonge vrouw op de balé en suste den kleine met lieve naampjes, hem heen en weer wiegende. Maar de dwingeland was niet in slaap te brengen. Dan maar het probate middel beproefd: Rekso werd aan de borst gelegd. Hij huilde nog wel even, maar spoedig daarop begon hij zich te laven.

„Ik ga even weg, Djiah,” zeide ’mboh Sima, haar hoofd naar binnen stekend. „De koe van Pah Marto heeft gekalfd. Hij heeft bepaald oentoeng, het is een koekalf, het vorige jaar ook al.—Ik moet toch even gaan kijken.”

„Goed, ’mboh, ik zal wel op je wachten,” antwoordde Djiah en ze strekte zich met den kleinen dorstigen Rekso op de balé uit.

Nog was ’mboh Sima niet lang weg of Djiah hoorde de deur weer opengaan en stappen in het vertrekje. Zij verwonderde er zich nog over dat de vrouw zoo gauw weer terug was (want Pah Marto woonde heel aan het andere einde van de desa), toen in de deuropening opeens een mannengestalte zich vertoonde. Djiah schrok, richtte zich plotseling op, waardoor de kleine het weer op een dreinen zette, en trok haar sarong over de bloote borsten op.

De man in de deuropening had de verleidelijke figuur der vrouw evenwel reeds gezien.

Het was Kario.

„Wees niet bang, Djiah,” zeide hij. „Ik kwam binnen en vond niemand. En toevallig zag ik de kamer in; ik wist niet dat jij hier was.”

De man was volkomen oprecht.

Djiah had een kleur gekregen en in haar verlegenheid trachtte zij slechts den kleine te sussen.

Toen trad Kario de kamer binnen en zette zich op de balé neer.

Djiah voelde plotseling een grooten angst over zich komen over deze schending der étiquette. Wat wilde Kario toch? Gelukkig was de kleine nu stil. Hij sliep en voorzichtig legde Djiah hem in zijn hangwiegje.

Toen keerde zij zich met den rug naar Kario, maakte snel haar sarong vast en speldde de kabaja dicht.

„Willen wij buiten zitten,” vroeg Djiah en ze ging reeds naar de deur, „’mboh Sima komt dadelijk thuis.”

Kario deed alsof hij haar niet gehoord had en zeide, zonder van het rustbed op te staan:

„Ik kwam je eigenlijk maar vertellen, Djiah dat je morgen reeds over kunt gaan, als je wilt. Djena heb ik vandaag voor het laatst uitbetaald.”

De hoop op meer verdienste was zoo groot bij Djiah, dat zij zich zelfs in deze pijnlijke positie niet bedwingen kon.

„Is het waar, kang? Ik dank u.”

„Maar je weet, Djiah, dat ik het in mijn macht heb om je weer te ontslaan?”

„Zeker, kang, maar waarom ...”

„Waarom ben jij altijd zoo stug tegen mij, Djiah? Ik heb je toch nooit kwaad gedaan?”

Djiah stond geheel verschrikt. Nu wist ze wat Kario wilde. Ze was zoo bang, zoo bang. Waarvoor wist ze niet. Maar afkeer voor Kario gevoelde zij niet.

De jonge man was opgestaan en had haar zacht bij de pols gegrepen, terwijl hij met de andere hand de deur toeduwde.

De arme Djiah kon van schrik niet spreken en liet zich willoos naar de balé trekken. Toen echter trachtte zij zich los te maken uit de hand van den mandoer.

„Niet doen, Kario, niet doen,” hijgde zij, „’mboh Sima komt dadelijk thuis.”

„Ik heb ’mboh Sima uitgestuurd, lieve Djiah,” loog Kario en hij sloeg zijn arm om haar heen, terwijl zijn heete adem Djiah in den hals brandde. Hij dwong de vrouw neer te zitten. Maar zij verzette zich:

„Ik wil niet, Kario, ik wil niet. Ik ben immers getrouwd, Kario. Er zijn veel mooiere vrouwen dan ik. Ik wil niet ... ik wil niet ...”

„Er is geen zoo mooi als jij, Djiah,” fluisterde de verleider, die zich handtastelijkheden begon te veroorloven.

„Ik wil niet,” hijgde de vrouw.

„Ben ik dan niet goed voor je, Djiah? Ik kan je dadelijk ontslaan als ik wil. Maar ik help je, morgen kun je al weer meer verdienen. Waarom zou je mij tegen je stemmen—thuis heb je bijna niet te eten, mijn lief ...”

De waarheid van zijn woorden trof haar met snijdende scherpte. En zijn bedreiging nam reusachtige proporties aan. Zij dacht er niet aan dat ze misschien ook elders wat kon verdienen; slechts het schrikbeeld van ontslag uit het pakhuis, het verlies van de een gulden vijf cents in de zes dagen, schemerde voor haar oogen.

„Dat moet je niet doen, Kario!” kreet zij. De mandoer begreep de juiste snaar aangeraakt te hebben.

„Ik zal het wel doen als je niet lief bent,” dreigde hij.

Hij had het gewonnen.

„Maar Siman, mijn man ...” zuchtte zij.

„Siman weet niets ...”

Zij had het geld aangenomen. Waarom niet?

Begreep zij, die gevallen was uit vrees voor geldgebrek, dat zij haar daad slechter kleurde door betaling te ontvangen?

Sedert was Kario meer gekomen. Hij scheen te weten, wanneer ’mboh Sima niet thuis was, dacht Djiah. Maar zij begreep nog niet dat de oude vrouw door haar neef was ingewijd in hetgeen er in haar woning geschiedde. Djiah gevoelde zich niet meer angstig of verschrikt. Zij gaf zich aan Kario, geheel zonder toeneiging voor den man, die van zijn gezag misbruik maakte op zoo lage wijze. Eerst kwam Kario bij haar als ’mboh Sima afwezig was. Maar och, de oude vrouw liet spoedig blijken dat zij kennis droeg van de verhouding en het mag tot haar eer gezegd worden dat zij het erg laf vond van Kario, maar er Djiah niet minder om genegen was. En Kario kwam toen ook bij zijn onvrijwillige minnares als de oude vrouw thuis was. En in het pakhuis wist men weldra ook alles. Vooral Satima was gebeten op Djiah, want Kario gaf meer om de reine Soendaneesche dan om haar, de volleerde boeleerster. Djiah nam den toestand als een beschikking des hemels. Zij was zich geen kwaad bewust.

En wie, die het volk van Indië kent in zijn zeden en gewoonten, zijn begrippen van moraal, zal die meening niet deelen?

Intusschen hadden de grootere inkomsten van Djiah—want Kario was voor haar altijd mild—wel eenige verwondering gewekt bij Siman, en telkens als Djiah na een week te Gatok kwam, moest zij een leugentje verzinnen om die meerdere ontvangst te verklaren. Argwaan koesterde Siman niet. Hij nam voor goede munt aan de uitlegging van zijn vrouw, dat zij in haar vrijen tijd tjoekérijst verstampte voor de desalieden te Herea en had waarlijk respect voor zijn vrouwtje, dat er zich zoo dapper doorheen sloeg.

* * *

Het was een regenachtige avond, toen Pah Asriep en zijn metgezellen eindelijk te Herea kwamen. Zij waren niet over Herea gegaan toen zij de reis maakten naar Telatiga. Maar Siman had Djiah willen opzoeken. Zij zou juist den volgenden dag vrijaf hebben; dan konden zij samen naar Gatok verder gaan.

Het was laat, over negenen reeds. Druilerig siepelde de regen nog na. De hemel was zwaar bewolkt en geen ster schitterde aan het donker zwerk. Siman klopte aan bij de woning van ’mboh Sima. De anderen waren in een warong achtergebleven. De oude vrouw deed open en herkende Siman, die reeds een paar maal tijdens een oponthoud te Herea, zijn vrouw had opgezocht. De vrouw schrikte zichtbaar.

„Schrik niet, moedertje,” zeide Siman vroolijk, „waar is Djiah?”

De oude had zich al van den schrik hersteld.

„Je hebt me waarlijk doen schrikken; natuurlijk, ik dacht dat je te Gatok was. Hoe kom je zoo op eens hier?”

„Ik kom van Telatiga, weet je, een heele reis,” blufte hij.

„Van Telatiga? Wat heb je daar uitgevoerd?”

„Ik ben gaan klagen bij den assistent-resident,” was het kwasi-nonchalante antwoord. „Maar waar is Djiah toch?”

„Astaga, zijn jullie gaan klagen! En heeft het wat geholpen? Waarover hebben jullie geklaagd?”

„Over de heerendiensten en over de rijstlevering, en nog over een heele boel meer. Geholpen heeft het niet. Neen, de assistent-resident durft niet, zie je, moedertje, de landeigenaren hebben te veel kwassa. Maar zeg, mah, waar is Djiah? Ze is toch nog altijd bij je? Is ze niet thuis?”

„Neen.”

„Is ze niet thuis? Op dit uur? Wat drommel, waar is ze dan heen?”

De oude zat op heete kolen. Zij wist dat Djiah bij Kario was. Dat gebeurde in den laatsten tijd meer, telkens wanneer Kario zijn vrouw had weggezonden, hier of daarheen, was Djiah ’s nachts bij hem. Ze kwam dan vaak heel laat thuis. Een geheelen nacht bleef ze nooit: dat zou te opvallend zijn. Het trof dan toch ook bepaald ongelukkig, dat Siman juist van avond moest komen.

„Ik weet niet; ze zei daareven, dat ze wat moest halen bij een vriendin van haar?” loog de oude.

„Wat moest halen? Dat had ze dan toch ook wel morgen kunnen doen?”

„Neen, ze was aan het naaien van een hemdje voor Rekso en toen had ze geen garen meer, zie je,—nou, en ik heb ook niets in huis, hé—en toen zeg ik zoo, ga maar eens vragen, hier of daar. Ja, zegt ze, ik zal Satima vragen. Ze had al terug kunnen zijn. Zeker, ze had al terug kunnen zijn, maar ik denk, de regen zal haar opgehouden hebben.”

Bij Siman was argwaan gewekt, maar de leugens van ’mboh Sima hadden hem weer gerust gesteld.

„Slaapt de kleine?” vroeg hij.

’Mboh Sima nam dadelijk deze afleiding te baat.

„Ja, hij slaapt, de lieve vent. Och, het is toch zoo’n aardig kereltje, dat weet je niet half. Hij is altijd zoo zoet, heelemaal niet lastig, en hij huilt bijna nooit. Je moet hem eens zien. Het is een pracht van een jongen, hoor!”

Siman voelde zich gevleid. Hij ging mee naar de kamer en schoof de voorgehangen sarong op zijde om lachend naar zijn eersten spruit te zien. Het jongetje lag met gebalde vuistjes te slapen.

„Wil je niet wat eten, Siman? Ik heb nog wat rijst met visch.”

Siman had honger en nam de uitnoodiging aan. Onder het eten kwam zijn ongerustheid over het lange uitblijven van Djiah weer op.

Hij stond op en zeide tot ’mboh Sima:

„Het heeft nu toch heelemaal opgehouden met regenen. Waar blijft mijn vrouw toch? Waar woont die Satima, mah? Ik wil eens gaan kijken of ze daar is.”

„Wat een gekheid!” riep de oude verschrikt. „Ze zal nu wel dadelijk thuis zijn. En als je ’r gaat zoeken, loopen jullie elkander mis en dan maken jullie je beiden noodeloos ongerust. Drink eens een kopje warme koffie; hè, dat zal smaken met dit koude weer.”

Maar Siman vond het aandringen der oude lastig en verklaarde toch maar te zullen gaan. Met veel moeite kwam hij te weten, waar Satima woonde.

Snel liep hij naar de aangeduide woning, waar Satima en een andere jonge deern samenleefden en een bedrijf uitoefenden, dat niet nader omschreven behoeft te worden. Er brandde nog licht.

Siman klopte en uit een der kamers kwam een vrouwenstem:

„Wie is daar?”

„Woont hier misschien ook Satima?” was de wedervraag.

„Ik ben Satima,” zeide zij, „wat wil je en wie ben je?”

„Is je vriendin Djiah hier ook?”

„Mijn vriendin Djiah! Neen, die moet je ergens anders zoeken.”

„Waarzoo dan?”

„Kom maar binnen, dan zal ik het je zeggen,” en meteen greep ze Siman bij den arm en trok hem naar binnen, de deur achter zich toehalend.

„Wat wou jij nou van die magere Djiah?” vroeg ze, haar arm vrijpostig op zijn schouders leggend, „Buiten is het koud, en hier is het warm. Wees niet mal.”

Siman huiverde even. Was deze deern de vriendin zijner vrouw? Dat kon niet. Hij zou zich vergist hebben in het huis. Domkop, waarom had hij ook niet beter uitgekeken?

„Waar woont Satima?”

„Zeg, ben jij wijs, lekkere jongen? Ik heb je toch gezegd dat ik Satima ben.”

„Maar ik bedoel, die in het pakhuis werkt?”

„Juist, die ben ik.”

„Ken jij Djiah dan?”

„Natuurlijk ken ik haar.”

„’Mboh Sima zei dat ze bij jou was om een klosje garen te halen.”

Satima lachte luid op.

„Ze heeft wel wat anders te doen, zeg, dan klosjes garen te zoeken!” Ze lachte weer. „Die mop is goed!”

Siman werd driftig. Hij was de deur alweer uitgestapt maar keerde zich op de laatste woorden van Satima nijdig om:

„Wat bedoel je daarmee, slet? Pas op, of ...”

„Scheldt jij die mooie Djiah voor slet. Ben je wel wijs, man. Ik ben niet getrouwd!” Meteen sloeg ze de deur dicht.

Het was Siman, als had men hem voor het hoofd geslagen. Wat had dat gemeene schepsel bedoeld? Ze loog, natuurlijk. Ze loog. ’Mboh Sima had gezegd, dat Djiah misschien ook bij Soeninten kon zijn. Zeker, natuurlijk zou ze daar zijn. Maar hij had vergeten te vragen waar die woonde. Wacht, dat kon hij nog wel doen. En van buiten riep hij:

„Zeg, Satima, waar woont Soeninten?”

„Daar hoef je ’r niet te zoeken. Als je toch zoeken wilt, zoek dan maar om de west.”

En meteen ging binnen het licht uit.

Driftig ging Siman heen. Hij had haast en liep onwillekeurig naar het westen, de richting, die Satima hem aangegeven had. Maar een doel had hij niet. Hij kwam aan een kruispunt. Een vrij aanzienlijke woning stond links van hem. Een groote doerianboom verhief zich vlak voor het huis, zwermen tjodots vlogen om den fraaien kruin; een sterke bloesemgeur vulde de lucht. Siman bedacht zich. Welken kant zou hij uitgaan. Zou hij nog wel verder zoeken? Maar waar? Het was nutteloos, doelloos. Hij wist immers heg noch steg. En ook kon hij toch niet in elke woning vragen of zijn vrouw daar was ....

Hij ging terug naar het huisje van ’mboh Sima. Misschien was Djiah nu al thuis. Hij was gek, dacht hij. Wat was er nu voor reden om zich zoo op te winden?

Hij werd kalmer en toen hij voor de woning van ’mboh Sima stond, was zijn drift verdwenen. Slechts onrust kwelde hem. Hij stiet de deur open en met blijdschap zag hij zijn vrouw met ’mboh Sima aan het tafeltje zitten.

Zij kwam dadelijk op hem toe, vriendelijk.

„Ik hoor van ’mboh, dat je mij gezocht hebt, Siman; waarom niet gewacht? Ik was juist even uitgegaan. En toen ik thuis kwam, zei ’mboh, dat je net weg was ... Waar kom je vandaan, zeg? ... En heb je Rekso al gezien, hij is zoo’n zoete, lieve jongen ...? En wat wordt hij dik, hè ...?”

Het was Siman niet ontgaan dat Djiah zeer bleek en ontdaan zag. Ook was hem de gejaagdheid in haar spreken opgevallen. En plotseling greep het spook van den argwaan hem opnieuw bij de keel. Het dreigde hem te verstikken. Een schemer trok voor zijn oogen.

„Waar ben je geweest?” kreet hij in woede.

Djiah verschrok van zijn gelaatsuitdrukking. Zij aarzelde, kon zoo spoedig geen leugen verzinnen; ach God, ze was zoo weinig gewoon te liegen!

„Ik moest ergens heen” ... stamelde ze.

„Waarheen, waarvoor?”

„Ach, Allah, vergeving, Siman, vergeving, wees niet boos ....”

„Vergeving? Vergeving!? Waarvoor?”

’Mboh Sima wilde de situatie redden.

„Ik heb je immers gezegd, Siman, dat ze ....” begon de oude. Maar woedend viel Siman uit:

„Zwijg jij. Jullie liegt me voor. Jullie liegt .... Waar ben jij geweest zeg, hè, zeg op ..... waar ben je geweest!!” Heftig schudde hij de jonge vrouw door elkander.

Djiah verging van ontzettenden angst en verijdelde daardoor het pogen der oude vrouw. Ze wilde liever bekennen, dan nog langer die marteling doorstaan. Alles liever, dan ....

„Ik ben niet slecht, Siman ..... ach, geloof me toch ... Siman .. ik ben niet slecht ..” Ze wierp zich op den grond voor haar echtgenoot, omvatte zijn knieën, maar Siman was meedoogenloos. Hij rukte haar ruw weer op de been en snauwde haar toe:

„Als je het niet gedaan hebt ... vrouw ... waarvoor vraag je dan vergiffenis? Jij liegt ..... vervloekte h....”

„Neen ... neen ... Siman, zeg dat niet ... zeg het niet ... Allah, Allah, Siman, Siman ... vervloek me niet ...”

Ze huilde, ze snikte, wentelde zich over den grond; de lange haren waren losgeraakt de kabaja was opengescheurd ... Die wanhoop van haar was voor hem een vreeselijke openbaring, die door zijn gemartelde hersenen flitste: Ze was schuldig ... ze was schuldig! Hij dreigde te bezwijken, hij wankelde,—maar zijn mannentrots was te sterk, de beleediging te zwaar:

„Een hoer ben je!” schreeuwde hij, „... een hoer ... vervloekt zij je ... vervloekt de vrouw, die je baarde ... vervloekt je kind ...!”

„Het is jouw kind, Siman ... het is jouw kind!” jammerde de ongelukkige.

„Je liegt ... je liegt ...!” Het schuim kwam Siman om den mond. Een hartstochtelijke begeerte maakte zich van hem meester: de vrucht, die zij bij zich omdroeg, uit dat lichaam te trappen ... te trappen. Het was niet zijn kind! ... Het was een kind van een ander ...

„Wie is het! ... wie is het? Zeg op of ik vermoord je!”

Hij viel op haar neer, sloeg haar met de vuisten in het gezicht, wurgde haar bijna ...

„Vergeving ... Siman,” reutelde Djiah, „ik zou ontslagen worden ... Siman ... geloof me toch ... Siman ... ik móest ... Oh, Allah hoort mij ... ik moest ... ik móest.”

„Wie is het ...?”

„Er is geen eten genoeg ... voor ons niet ... voor Rekso niet ... Siman ... als ik niet blijf werken ... ik moest ... Allah weet ... ik wilde niet ...”

„Zeg op, vrouw ... wie is het?”

Binnen huilde Siman:

„Zeg op ... zeg op! ...”

„Kario,” snikte Djiah.

Een oogenblik was Siman als verlamd, nu hij den roover van zijn eer hoorde noemen. Toch had hij dien naam willen vernemen. Waarom? Waarom wilde hij zijn vijand kennen? Hij wist het niet.—Ja toch, hij wist het wel ... Wraak, wraak wilde hij ....

En hij trapte tegen de roerlooze vrouw, die slet, die ellendige; hij trapte haar op den buik ... met opzet, woedend ... hij wilde doodtrappen dat vervloekte kind, waarvan ze zwanger was ... hij trapte ... drie, viermaal ...

Djiah kreunde, toen stiet ze plotseling een hartverscheurenden kreet uit en bleef bewegenloos liggen, buiten kennis.

Siman was weggehold, zonder hoofddoek. Waarheen? Hij wist niet ...

Wat wilde hij? Toen opeens verzamelden zich zijn gedachten: ze brachten hem het beeld van zijn doodsvijand voor oogen. Hij kende den ellendeling van vroeger. En toen wist hij wat hij wilde: hem dooden.

Hij wist de woning van Kario te vinden, aan het kruispunt. Het was kenbaar aan den doerenboom.

Daar was het huis ... er brandde nog licht ... de deur was nog niet afgesloten.

Siman rende de nachtronde voorbij ... zonder te letten op hun roep ... zonder te bemerken dat men hem volgde ... Hij wierp de deur open ... Kario lag op de baleh, rookend. En eerst toen Siman dien man zag, dacht hij aan zijn kris, poesaka van zijn vader, die nu zijn eer zou wreken. Voordat Kario begreep wat er ging gebeuren, lag de woesteling op hem ... De kris ging omhoog, en diep plantte zij zich in den schouder van Kario. Siman was te verblind om juist te treffen. De getroffene worstelde tegen, om hulp roepend ... Weer ging de kris omhoog ... weer trof zij slecht ... De derde maal voelde Siman dat iets zijn arm tegenhield .... Hij zette zijn tanden in den hals van den mandoer ... beet ....

Siman hoorde een geroezemoes van stemmen om zich heen. Hij zag het bloedende lichaam van Kario, waaruit alle leven verdwenen leek. In den mond had hij nog een bloedsmaak, tusschen z’n tanden zaten nog stukjes vleesch ....

Een gevoel van berusting, van kalmte kwam over hem ... Zijn wraak was gekoeld.

Men bracht hem weg. Hij zag Pah Asriep, die hem met groote deernis beschouwde, hoofdschuddend in niet begrijpen. Men voerde hem voor den opzichter, die last gaf hem dien nacht bij den demang te huisvesten. Morgen zou men hem opsturen naar Telatiga.

„Wie is het?” vroeg Van Affelen aan het hoofd der ronde, die hem meegedeeld had wat hij wist.

„En wat is nu weer de oorzaak?”

* * *

Drie maanden reeds zat Siman preventief in de gevangenis te Telatiga. Hij vond het een vreeselijke tijd. En toch, de meeste preventief gevangenen in Indië wachten langer op de berechting hunner zaak. Wat maakt het ook uit, nietwaar? Voor een inlander! Een inlander voelt niet als wij, al eet en drinkt hij als wij, beweegt hij zich als wij. Zijn gevoel is anders; hij heeft anders lief, lijdt minder dan wij; zijn gemoedsleven is ruwer. Hem deert het niet te leven in onzekerheid over het lot van vrouw of kind .... Zoo denkt men. En ten onrechte. Ten onrechte ook haast de justitie in Indië zich niet met het berechten van eenvoudige strafzaken.

En voor Siman leek de zaak eenvoudig genoeg. Hij had een medemensch vermoord—op zijn beurt zou hij gedood worden. Siman dacht niet na over de ruwheid van het menschelijk rechtsbegrip, dat een leven voor een leven eischt. Hij, natuurkind, zou de idee der lynchwet zelf gebillijkt hebben als hij er over nagedacht had. Alleen vond hij het wachten nu grooter straf dan het vonnis, hoe dit ook luiden mocht. Met de door ons nooit begrepen grootheid van ziel, die den Aziaat met in het avondland onbekende waardigheid doet berusten in het onvermijdelijke, had hij zich voorbereid op den dood op het schavot. Hij bedacht niet eens hoe hij zich verdedigen zou. Ja, hij wist niet eens dat hem de gelegenheid tot verdediging geboden zou worden. Ons Recht kende hij niet, en hij zou het ook niet begrepen hebben, gesteld dat hij het gekend had.

Vaak dacht hij in de lange, eenzame uren aan Djiah en haar beeld kwam hem voor den geest als het beeld van een engel. Het deed hem zoo innig leed niets van haar te vernemen, noch ook van Rekso, noch ook van de anderen in Gatok. Telatiga was ver weg. Wie zou hem tijding brengen van Gatok? Pah Ran? Maar Pah Ran zou gebeten zijn op hem wegens de ruwe behandeling van zijn dochter. Zouden ze de middelen hebben om te leven? Het regende nu vaak—zou de padi mooi staan? Kwam er niet te veel water op de sawahs? En als dit wel zoo was, zou Pah Ran dan alleen het werk afkunnen? Pah Roesmi, Ipahs verloofde, zou hem kunnen helpen.

Dan dwaalden zijn gedachten weer af naar Djiah. Hij zag haar weer voor zich liggen, het gelaat verwrongen van doodsangst en smart, haar mooie gezichtje, dat hij had geslagen met zijn harde mannenvuisten. O, hij was slecht geweest, voorzeker, hij had haar niet behoeven te mishandelen. Zij was toch eigenlijk niet schuldig geweest. Gedwongen was ze; uit vrees voor geldverlies had ze ’t gedaan.

Maar hij, die Kario ... Nog balde hij de vuisten als hij dacht aan dien ellendeling en hij dankte Allah, dat het hem gegeven was geweest zijn vijand te dooden ... En dan berustte hij weer ... Om even later weer te denken aan den kleinen Rekso, die weldra geen vader meer zou hebben. Maar daarover tobde Siman niet lang. Zijn moeder zou Rekso wel zeggen, later, als hij ouder en grooter werd, waarom zijn vader gestorven was en hoe; en zijn dood zou hem eeren in het oog van zijn zoon ... En het andere kind ...

Siman had langen tijd gehad in de gevangenis. Hij was tot rust gekomen, hij had begrepen dat het zijn kind was; dat Djiah niet gelogen had. Hij kon het nu weten, bij kalm nadenken .... Maar, zou hij dat tweede kind van hem niet hebben doodgetrapt ... in den schoot der moeder? ... Folterende onzekerheid! ...

Dan proefde hij weer het bloed van Kario in den mond ... en berustte. Allah had het gewild.

Als hij maar niet veroordeeld werd tot dwangarbeid! ... Dat was zijn schrikbeeld. Uit zijn tralievenster had hij de dwangarbeiders aan het werk gezien. Er waren groote misdadigers onder, inbrekers, die het goed van anderen hadden gestolen, roovers, die tijdens het rooven moordenaars hadden moeten worden; een was er, die zijn vrouw en twee kinderen had vermoord, om een kleinigheid, in een huiselijken twist ... Dagelijks zag Siman hen in hun bruine gevangeniskleeding. Ook hem was zoo’n uitrusting bezorgd, omdat hij slechts zijn broek en zijn gescheurd baadje aan had, toen men hem arresteerde. Geld om zich andere kleederen aan te schaffen had hij niet. Den avond van zijn arrestatie, toen hij gebonden lag in de boei bij de demangswoning te Herea, had een politieman hem gefouilleerd en hem alles afgenomen, ook zijn geldzakje. Er was nog bijna drie gulden in aan zilver en koper. Hij had het niet weergezien. Maar aan die bruine kleeding wilde hij niet wennen. Hij droeg ze niet. Slechts een hoofddoek had hij omgedaan ... Die schande ... als men hem slechts daarvoor spaarde ... Die gevangeniskleeding vond hij vreeselijk.

De man, die zijn vrouw en kinderen vermoord had, was tot twintig jaar veroordeeld ... Tot twintig jaar! Hoe lang het wel was, Siman kon er zich slechts een vaag idee van vormen; maar het moest toch oneindig lang zijn ... Twintig jaar zou die man dwangarbeid moeten doen als een slaaf. Twintig jaar!

Hij zou sterven in dien tijd van ellende. Ze mochten hem niet veroordeelen tot dwangarbeid ... ze mòchten niet. Hij had immers iemand vermoord? Welnu, dan moest hij ook hangen ...

Als hij nog maar eens Djiah zou mogen zien, en den kleinen Rekso, om hun vergiffenis te vragen. Dan zou hij rustig heengaan: zijn geweten was zuiver. Hij had in eigen oog niets slechts gedaan. Hij had moeten doen als hij deed. Zijn eer had hem bevolen. Allah zou goedertierend zijn.

Als hij ze nog slechts ééns mocht terugzien, Djiah en Rekso ... één keer nog maar ...

* * *

Toen kwam eindelijk de rechtsdag.

In het landraadsgebouw zaten de president, Mr. Van Wetten, in deftige toga, de griffier en de inlandsche leden. Den getuigen waren banken aangewezen.

Door twee oppassers geleid kwam de gevangene. Hij had zijn gescheurd baadje aan, dat hij droeg op den avond van den aanslag op Kario. Bedeesd en angstig kwam hij nader, langs de getuigen.

Plotseling verschrok hij heftig. Een doodelijke bleekheid overtrok zijn gelaat; de oogen dreigden uit de kassen te treden; in ontzetting vertrok zich zijn mond ... Daar, op de voorste rij der getuigen, vermagerd en met ingevallen gelaat, zat Kario. Droomde hij of was het waarheid, was dat Kario, de mandoer? Kario, dien hij vermoord had, Kario, de ellendeling, die hem zijn eer ontroofd had? Het kon niet, het was een visioen. Een der oppassers gaf hem een duw om voort te gaan. Toen zag hij in den hals van Kario, rechts, een groot litteeken ... Hij was het! Een onzinnige haat beving hem, hij wilde zich op den mandoer werpen, maar de beide wakers grepen hem vast. Er kwam eenige consternatie onder de aanwezigen. Kario deinsde angstig achteruit. Maar de schok was te heftig, te plotseling voor Siman. Zijn spieren verslapten, zijn hoofd zakte, zijn oogen werden vochtig ... Allah was tegen hem. Het stond geschreven!

Van Wetten had den man doen plaats nemen op een houten bankje, kalmeerde hem. De jonge man had de zeldzame gave van menschenkennis. Ook had een innig medelijden met den armen beklaagde hem bevangen, toen hij de stukken doorwerkte. Thans zag hij den jongen Soendanees voor zich, een aanklagende lijdenstrek op het gelaat. En hij had de beide oppassers een wenk gegeven zich te verwijderen.

Toen richtte hij het woord tot den beklaagde, die opschrikte uit de overpeinzing, waar Djiah toch zijn zou? Zou zij dan geen getuigenis af te leggen hebben? Wel had hij Pah Ran gezien en Sastrawidjaja en velen, die hem onbekend waren.

De voorzitter herhaalde zijn vraag: Hoe hij heette?

Siman was niet bevreesd. Hem kwelde geen schuldbewustheid. Slechts smart had hij gevoeld, toen hij Kario herkend had.

Hij deelde mede naar waarheid, wat hij gedaan had en trilde even van hartstocht, toen hij de verzekering gaf dat het zijn doel was geweest Kario te dooden. Hij bekende gedaan te hebben wat hem ten laste gelegd werd.

De getuigen konden slechts verklaren wat ons reeds bekend is. Kario alleen trachtte de schuld van den beklaagde te verzwaren. Hij ontkende zich te hebben schuldig gemaakt aan iets, waarin Siman grond gevonden kon hebben hem naar naar het leven staan. De vrouw van beklaagde had zich vrijwillig aan hem gegeven, hij had nooit eenige pressie op haar uitgeoefend.

De voorzitter moest hem herinneren aan den door hem afgelegden eed en aan de straf, welke meineed bedreigt. Hij las voor de verklaring, voor den demang gegeven. Maar Kario bleef moedwil zijnerzijds ontkennen.

Toen wendde de voorzitter zich tot Siman. Met van haat gloeiende oogen, had deze den getuige aangestaard. Een vurige hoop leefde in hem op, dat hij niet ter dood gebracht zou worden. Hij wilde jaren gevangenisstraf dragen, als hij daarna maar weer een korten tijd op vrije voeten mocht zijn. Hij zwoer op dat oogenblik bij zichzelf dat hij van zijn vrijheid geen ander gebruik zou maken dan om Kario te dooden. Hij zou dan kalm overleggen, zijn aanslag rustig berekenen, en hij zou niet missen ...

„Hij liegt!” siste hij op de vraag van Van Wetten.

„Je houdt dus vol bij je verklaring?”

„Ja, kandjeng; vraag mijn vrouw.”

„Uw vrouw ...?”

Er lag zulk een verbazing op het gelaat van den blanke, dat een ontzetting over Siman kwam. Wat beteekende die verbazing bij den voorzitter? Zou Djiah ...? Hij waagde het niet die gedachte te voltooien.

Van Wetten boog het hoofd onder den starren blik van den beklaagde. Het was als ware hij de schuldige.

Hij vroeg niet verder en schorste de zitting om te beraadslagen met de overige leden. Toen riep hij Pah Ran en droeg hem op een boodschap over te brengen aan den gevangene. Maar hij weifelde en riep den man, die zich reeds langzaam verwijderde, terug. Het ging niet, het was tegen den vorm een getuige een onderhoud te doen hebben met den beklaagde, voordat de eisch gesteld was.

Hij ontbood een oppasser en gelastte hem den gevangene weer voor te brengen.

Siman verscheen.

Lang staarde de voorzitter den beklaagde aan; hij streed zichtbaar met een groote aandoening. En de taak was moeilijk voor hem, omdat hij hart had, omdat hij voor zich gevoelde de diepte van het leed, dat zijn woorden dien eenvoudigen inlander zoo dadelijk zouden berokkenen.

Van Wetten stond als ambtenaar misschien niet boven het gemiddeld peil, maar hij was een goed mensch.

Zacht klonk zijn stem:

„Heb je wel eens iets gehoord van Gatok, toen je in de gevangenis was, Siman?”

„Neen, kandjeng.”

„Nooit eens iets gehoord? Heeft nooit eens iemand je in al dien tijd opgezocht?”

„Neen, kandjeng.”

Van Wetten zweeg.

„Heb je kinderen, Siman?”

„Ja, kandjeng, één.”

„En is er nog familie van je in Gatok?”

„Ja, kandjeng.”

„Dus bij die zou je vrouw dan kunnen zijn?”

„Ik denk het wel, kandjeng.”

Weer zweeg Van Wetten. De inlander beschouwde hem aandachtig. Wat hàd de blanke toch?

„Je vrouw is ziek geweest, Siman.”

Siman zweeg.

„Heel zwaar ziek, ja, heel zwaar.”

Nog zweeg Siman en maakte het den voorzitter daardoor niet gemakkelijker. Hij staroogde slechts. Begon hij te vermoeden ....?

„Ga maar zitten op die bank, Siman.”

Alweer hokte Van Wetten.

„Zij is—niet beter geworden ....”

Toen wist Siman het. Hij schokte; angstig keek hij den ambtenaar aan. Hij las het vonnis in diens oogen, en, met bovenmenschelijke inspanning haast zich beheerschend, vroeg hij zacht, toonloos:

„Dood?”

Van Wetten knikte. Spreken zou hij niet gekund hebben, op dat oogenblik.

„Dood,” herhaalde Siman bij zich zelf.

Hij zat daar stil, inééngebogen, bewegingloos. Langzaam verwijderde Van Wetten zich en nam een teug uit het glas water op de tafel. Het gelaat van den Soendanees stond strak en onbewegelijk. Toch ging een wereld van gedachten door zijn ziel. Ze was dus dood. Hoe? Waaraan?—Hij wist het, hij wist het. Hij, hij had haar gedood. Hij, die haar liefhad. Nooit had hij geweten hoe lief hij haar had.—Nu was ze heen. Hij zou haar gelaat nooit weer zien ...

Wel tien minuten waren heen gegaan, voordat Van Wetten de leden van den raad, die in de pendopo wachtten, een wenk gaf om zich weder te zetten. Toen werden de getuigen weer binnen geroepen en sprak de voorzitter het vonnis uit: Zes maanden gevangenisstraf, onder aanneming van zeer verzachtende omstandigheden.

Siman verstond maar half en vaag.

Harder vonnis velde zijn geweten: hij had zijn vrouw gedood.

* * *

Dien avond bezocht Pah Ran, daartoe door Van Wetten aangezet, den gevangene in de boei.

Siman zat roerloos op den dunnen stroozak, die den vloer niet zachter maakte.

Toen zijn schoonvader binnenkwam, lichtte hij het hoofd op.

„Waaraan is ze overleden, Pah?” vroeg hij zacht.

„Ik weet het niet, mijn jongen. Drie dagen nadat jij weg was, heeft ze een miskraam gehad; toen is ze ziek gebleven. En twee maanden later was ze dood—het zat in den onderbuik; kanker geloof ik.”

Het laatste sprankje hoop vlood heen. Siman hoorde weer zijn geweten vonnissen: hij was haar moordenaar ....

Pah Ran sprak over vele zaken: hoe het in Gatok was; hoe de padi stond; dat Mah Ten zoo oud werd; hij sprak over de zusjes, over de heerendiensten, over de slechte vooruitzichten met het gewas, over de weigering van reeds vele opgezetenen om de vrijwillige overeenkomsten te teekenen, over zijn eigen weigering, over den kleinen Rekso, die uitmuntend verzorgd werd door Ipah; hij sprong van den hak op den tak; hij zocht in alles afleiding voor Siman—het baatte niet.

Siman bleef stom, al maar starend op den grond, op een plekje tusschen zijn voeten, het hoofd in de handen. Pah Ran ging weer heen.

* * *

Er was te Gatok en op het geheele land Alas Bamboe veel gebeurd tijdens Simans afwezigheid.

Wel hadden de bewoners der andere woning ook van deze bezit kunnen nemen, maar, afgezien van het feit dat de eene mannelijke bewoner moeilijk in beide woningen tegelijk kon huizen, en het toch niet aanging een of meer van de meisjes alleen Simans huisje te doen betrekken, zouden zij er ongetwijfeld eenig bezwaar tegen gehad hebben den nacht door te brengen in een verblijf, waar nog kort geleden een doode uitgedragen was.

Hier was het anders. En daar ver weg, zuidelijk van de bergen, zou men hem niet geloofd hebben, wanneer hij had verteld dat de lieden aan deze zijde dier bergen zich na den oogst stelselmatig oefenden in hongerlijden. En toch was dit zoo. Hij, Pah Ran, kon het getuigen, uit ervaring nu. Kort na den oogst begint men in de armere streken van de beide landen Alas Bamboe en Telatiga zich te gewennen aan éénmaal eten per dag. En als dat een poos goed gaat, en de vooruitzichten van het te veld staand gewas worden weer slechter, zooals elk jaar ’t geval is, dan eet men slechts eens in de twee dagen. In hongerjaren geeft ook dit systematisch hongeren niet veel. Want al duurt het wat langer, voordat de beschikbare voeding ingeteerd is, dat oogenblik kòmt toch.

Ook op Alas Bamboe en op Telatiga was veel veranderd. Er was een geest van onrust en verbittering over het volk gekomen en de traditioneele onverschilligheid voor het materieele bestaan was geweken. Er werd veel geklaagd; men duldde niet meer in stilte. Men gaf uiting aan de grieven, die men had. Natuurlijk nog slechts onder elkander. Maar toch, men spràk er reeds over. Dat is immer een slecht teeken. Het verraadt toch dat de gedachten gaan over zaken en dingen, die liever ongedacht moesten blijven; wat ook veel aangenamer zou zijn voor de eigenaren. Denkende slaven doen hun arbeid veel minder goed.

En vooral thans kwam die ontevredenheid onder het volk zeer ongelegen. Er was veel werk te doen.

Ja, het was zeer noodig dat wat beter voor de irrigatie gezorgd werd. Dit kon niet anders geschieden dan in heerendienst. Niet waar, het is duidelijk dat een ondernemer, die over gedwongen arbeidskrachten kan beschikken, niet noodeloos geld uitgeeft voor arbeidsloon? Vooral niet, waar toch ongestraft de bepalingen omtrent het recht tot heffing van die arbeidsbelasting mogen worden overschreden, onder sanctie van den procureur-generaal te Batavia. En daarom was het heel en al ongewenscht, dat de bevolking ontevreden werd. In hun dwaasheid zouden die zwarten nog heel wat soesah kunnen veroorzaken.

Onder de Europeesche regeerders dier beide landen was het geenszins onopgemerkt gebleven dat de bevolking zich begon te veroorloven te denken over haar lot.

Nederman had al eens mededeelingen ontvangen van zijn geëmployeerden, die erop wezen.

Op zekeren avond zat hij in zijn bureau gebogen over een rapport van De Leeuw, dat hij juist had ontvangen en dat hem zeer onaangenaam gestemd had.

De Leeuw had een overzicht gegeven van den toestand zijner afdeeling, die niet de slechtste was van de vier, waarin het land verdeeld is.

Er is nog wel wat uit dit rapport te leeren, vandaar dat ik er de lezers kennis van laat nemen:

Ingevolge Uw schrijven d.d. 25 October, schreef De Leeuw, breng ik hieronder verslag uit omtrent den algemeenen toestand der bevolking, speciaal in verband met de beschikbare voedingsmiddelen in de districten Alas Bamboe en Goenoeng Lawang en vang ik aan met een terugblik op de drie voorgaande jaren wat Alas Bamboe aangaat. In die drie jaren dan heeft het aantal zielen respectievelijk bedragen: 22919, 20116 en 19912, wat een belangrijken teruggang aantoont, terwijl dit district opleverde aan rijst, approximatief en respectievelijk, 19.929.72, 22.497.04 en 26.342.60 picols. Omgeslagen over het aantal zielen, geeft dit per hoofd 0.86, 1.11 en 1.32 picols rijst. Deze cijfers zijn verkregen na aftrek van het aandeel in de tjoeké. Van die hoeveelheden voedsel had de bevolking dus moeten bestaan van het einde van den snijtijd af, gerekend op einde September/October, tot het begin daarvan d.i. Juni van het volgende jaar, (daarbij niet meegerekend wat zij vanwege het land in voorschot ontvangt in padi en geld, hetgeen zij terug heeft te betalen). Men zou hierdoor tot de conclusie komen, dat die bevolking 8 maanden lang van dat quantum had moeten leven, hetgeen natuurlijk in strijd is met de werkelijkheid. Maar op welke wijze voorziet zij dan in hare levensbehoeften? Deze vraag moet zich onwillekeurig opdoen. En ze is niet moeilijk te beantwoorden; de Chinees is er goed voor.

De hier gebruikelijke weg is, dat de kleine man geld leent van den Chinees onder oogstverband. Voor f 1.— moet hij 1 picol padi of voor f 2.50 3 picols padi teruggeven; of hij verpandt zijn karbouw, die b.v. een waarde heeft van f 35.— voor f 10.—, waarvoor hij een bewijs teekent, aangevende dat hij f 17.50 heeft ontvangen in leen. Ja, ook zijn huis gaat er aan. Van den karbouw ziet hij natuurlijk niet veel terug, want die wordt gewoonlijk het eigendom van den Chinees, daar hij in gebreke blijft, mòet blijven, het geleende terug te geven.

De nadeelen van dergelijke transacties laten zich nooit direct gevoelen, maar eerst na eenige jaren, en vooral wanneer misoogsten hebben plaats gehad, zooals in de drie vorige jaren. Dan eerst komen de rampen van zulke systemen in al hare naaktheid aan het licht.

De gevolgen zijn dan ook niet uitgebleven, want, doordat zulke abnormale toestanden werden gecreëerd, moest de bevolking wel verloopen en de veestapel verminderen. Dat gaandeweg zoo’n bevolking wegkwijnt, behoeft geen nader betoog, evenmin als dat het heilig streven moet zijn, die bevolking weer op te heffen uit haren treurigen toestand.

Op welke wijze moet daarin voorzien worden? Ook deze vraag is, dunkt mij, niet moeilijk te beantwoorden. Men late de bevolking werken tegen betaling.

Er moet veel en vaak gelegenheid worden gegeven aan reliefworks te arbeiden, echter niet op de wijze, als dat vroeger ging; dan toch moet het succes, dat men voor het daarvoor besteede geld mocht verwachten, uitblijven. Men moet bij het in het leven roepen van zulke werken letten op:

1e de noodzakelijkheid daarvan,

2e op een goede regeling, en op de vorderingen, dat is: er moet toezicht zijn,

3e op het blijvend belang der aan te brengen veranderingen.

De districten Alas Bamboe en Goenoeng Lawang hebben in geen 15 jaar zulke werken gehad en ik geloof speciaal Uwe aandacht daarop te moeten vestigen. Verder mogen wij niet verzuimen bijzondere aandacht te wijden aan den veestapel.

Zooals duidelijk uit de rapporten der districtshoofden blijkt, is die aanzienlijk gedund, en het verdient zeer sterk aanbeveling, vanwege het land karbouwen op te koopen en die aan de bevolking in gebruik te geven. De hoofden der districten en de desahoofden worden alsdan voor goede verzorging, behandeling en gebruik aansprakelijk gesteld.

De huur van een karbouw is thans f 5.— of 5 picols padi. Wij zouden kunnen verhuren bijv. tegen 1½ picol rijst of zooiets.

De bevolking mòet geholpen worden, want zij lijdt gebrek. In de meeste desa’s voedt zij zich met rijst en bladeren, ⅓ rijst en ⅔ bladeren. Het komt reeds weder voor, dat sommigen om den anderen dag eten. Dit heet dan een goed jaar!

Wanneer het land nog een goede hoeveelheid rijst had, zou het zeker aanbeveling verdienen, die aan de bevolking te verstrekken. Evenwel, er is, houdt U het mij ten goede, zeer onverantwoordelijk gehandeld, wijl alle rijst van de hand is gezet. Het gevolg zal zijn dat, mocht het land thans rijst willen opkoopen van de diverse handelaren, grof geld betaald zal moeten worden.

Ik hoop hiermede U voldoende omtrent den algemeenen toestand te hebben ingelicht.

„Och, die De Leeuw,” bromde Nederman voor zich heen, „die man heeft altijd van die ultra-filantropische neigingen. Een goed employé, maar te veel hart, te week—ja, dat is het, te week.”

Maar toch hinderde hem het rapport. Het had hem onaangenaam gestemd, niet wijl hij zich voorstelde het leed, dat de bevolking moest lijden, maar wijl hij met wrevel bedacht dat al die misère het land op kosten en de eigenaren in slechten luim zou brengen.

Hij troostte zich evenwel met de gedachte dat De Leeuw wel overdreven zou hebben, al was hij daar nu niet àl te gerust op. Intusschen, Nederman was een blijmoedig mensch. Een uur later had hij zich door een stevige whisky-soda weder in zijn humeur gebracht.

Hij was bovendien op een niet onaardig idee gekomen. De ontevredenen onder de bevolking, dat stond bij hem vast, moesten gestraft worden, opdat dit voorbeeld afschrikwekkend zou werken op anderen, die zich wellicht bij hen zouden willen aansluiten. Hij had in zijn langjarige practijk meermalen de vruchten gezien van zulk een politiek. De Javaan laat zich heel spoedig ontmoedigen. En uiterst moeilijk is hij er toe te brengen zich in soesah te begeven, met de hoop slechts—want zekerheid bezit hij daaromtrent niet: zekerheid van bezit, goederen of eigendom, noch ook van persoon of positie bestáát in Indië voor den inboorling—op verbetering van de verhouding tusschen hem en den Europeeschen exploitant. Hoe moest Nederman het nu aanleggen om degenen, die het slechte voorbeeld gaven aan toekomstige andere ontevredenen, voor hun pogen gestraft te krijgen, duidelijk waarneembaar voor die anderen? Indien hij zich van de medewerking der bestuursambtenaren daartoe kon verzekeren, zou dat prachtig zijn. Maar hoe? Moedwillig zou de assistent-resident zich er zeker niet toe leenen; want met een grijns gaf Nederman zichzelf toe, dat Van Dam wel een „beroerling” was als afdeelingsbestuurder, maar geen slecht mensch. Hij zou de bevolking niet moedwillig vexeeren, alleen om den landheer welgevallig te zijn. Intusschen zou men met succes op zijn vrees voor soesah en zijn gemakzucht kunnen werken, bedacht Nederman. Indien hij hem daarbij nog kon overtuigen van zijn goed recht in de eerste plaats, en verder dat hij slechts in het belang der bevolking handelde—dan zou de zaak gewonnen zijn.

Maar alweer: hoe?

En intusschen wist Nederman zeer wel, dat reeds thans, dan van hier, dan van ginds, groepjes opgezetenen er de lange reis naar Telatiga voor over hadden gehad om bij den assistent-resident te klagen over den zeer verzwaarden druk der heerendiensten, over onrechtmatige product heffing en over andere overtredingen van het reglement. Daar moest een eind aan gemaakt worden. Die klagers moesten gestraft worden.

Een idée! Nederman was bij uitzondering actief: hij werkte de gedachte uit. En daarna deed hij door een zijner bedienden den koewoe van Sikarang ontbieden.

Het was reeds laat in den nacht, over tienen, toen Madja, de koewoe, in een zwart jasje en een donkere sarong gekleed, op de stoep verscheen.

Madja was iemand, die met vele anderen de eer genoot Nederman bij voorkomende gelegenheden van dienst te mogen zijn in galante avonturen en, als al die anderen, had ook hij natuurlijk het vertrouwen van zijn baas, en maakte hij ten eigen bate misbruik van dit, hem overigens weinig tot eer strekkend, vertrouwen.

„Ah, zoo! Madja, ben jij daar. Kom hier in mijn kantoor. Ik heb ernstige dingen met je te bepraten.”

De Javaan, die gemeend had dat er weer een beroep gedaan zou worden op zijn bereidwilligheid, was zeer verbaasd over deze inleiding. Ernstige dingen! Wat zou dat kunnen zijn?

„Madja,” begon Nederman, „je hebt zeker ook wel gemerkt dat de lui hier ontevreden zijn op het land, hé? Vooral in den laatsten tijd. Nou wou ik van jou weten waar dat aan ligt?”

Madja zweeg.

„Ben ik misschien te streng voor ze? Natuurlijk moeten ze hun tjoeké betalen en de heerendiensten verrichten. Dat begrijp je zelf wel. Maar waar ligt het dan aan?”

„H’m, ja. Maar dat is de schuld van toean Allah!” spotte Nederman.

„De heerendiensten zijn zwaar, ’n doro.”

Nederman was blijkbaar in een goede bui. Madja overwoog dat hij heden avond wel vrijuit kon spreken.

„Er worden ook menschen geprest voor de garok, die te oud zijn.”

„Zoo? Nou ja, een enkele.”

„Ze zeggen, dat de voeding niet voldoende is.”

„Een kattie rijst. Verdomme, dat vreten ze hier soms in geen twee dagen.”

„En de afstand, ’n doro; ze zeggen dat ze vaak meer moeten afleggen dan geoorloofd is, en dat ze daardoor heel veel langer moeten werken.”

„Praatjes! Vroeger wisten ze van die dingen geen zier. Nu zijn ze opeens zoo wijs. Wat duivel, hoe komen ze toch aan al die wijsheid?”

„Ja, dat verdomde volk is het. Als zoo’n kerel weer op het land komt, dan waarschuw je mij onmiddellijk. Ik zou wel’s willen zien, wie hier een voet op Alas Bamboe zet zonder mijn toestemming. En die kerels zijn het zeker ook, die de lui opstoken om geen rijstcontracten te teekenen?”

„Voor een deel wel, ’n doro. Maar de meesten weigeren, omdat zij de rijst te mooi moeten leveren. En velen zeggen ook, dat ze te veel moeten leveren.”

„H’m.” Nederman voelde heel goed waar de koewoe op doelde: op de knevelarij van den landheer. En het was hem onaangenaam te moeten ontwaren, dat de man hem dit zoo, wel is waar bedektelijk, dorst toevoegen.

„Madja, die klagers moeten gestraft worden. Die menschen geven een hoop soesah en bederven de goede lieden. Er moet een voorbeeld gesteld worden, waarachtig, in het eigen belang van de lui. Maar hoe? Als ik ze straf, dan komt er perkara, want het gouvernement staat het niet toe. Ze begrijpen niet, dat het voor de lui zelf goed is.”

Madja zweeg.

„En ook de menschen, die geen rijstcontracten willen teekenen. Ik ben waarlijk te goed voor ze. Nou denken ze mij te plagen met padi te leveren. Alsof ze daar niet zelf veel slechter mee weg zijn. Dan moeten ze veel te veel opbrengen. Neen, dat gaat niet. Ik ben geen bloedzuiger. Ze moeten rijst leveren, arme kerels. Maar breng ze dat nu maar eens aan ’t verstand!”

Nederman was op dit oogenblik waarlijk in de meening dat hij een braaf mensch was. Madja zweeg nog steeds. De handen in den schoot, het hoofd gebogen, scheen hij het geheel eens met zijn meester. Toch trok heel even een lachje om zijn mond.

Daar hij bleef zwijgen, vervolgde Nederman:

„Zie je, Madja, je kent de lui voldoende. Als ze zien dat de mopperaars en de klagers door tjilaka worden getroffen, zeggen ze: het is niet goed wat zij doen ...?”

Nederman eindigde plotseling en keek den Javaan uitvorschend aan. Op diens gelaat echter vertrok geen spier. Hij was zichzelf volkomen meester. De administrateur kneep in nijd den pennehouder stuk, waarmee hij had zitten spelen.

„Ik moet die lieden kennen, Madja. Jij moet mij hun namen opgeven. Je hebt spionnen genoeg. En je kunt ze ook wel wat geld beloven, dat krijg je wel van me terug. En dan, eh ...”—Nederman weifelde.—„Madja, ik kan dit alles nu wel met jou bespreken, zie je. Jij begrijpt dat ik alleen het goede bedoel met de menschen. Maar de meeste koewoe’s zijn domme desalieden. Breng jij hun dus maar over ... wat ik, eh ... wensch, begrepen?”

„Inggeh, ’n doro.”

„Het is geen bevel, geen prentah, zie je. Ik verzoek alleen.”

Madja had den blanke uitmuntend begrepen, zoo goed als deze het maar wenschen kon. Reeds den volgenden dag begon het spionnenwerk. En weldra had de administrateur een heel lijstje bijéén, dat haast elken dag groeide. Het bevatte de namen van de lieden, die waren gaan klagen te Telatiga of op andere wijze van hun ontevredenheid hadden blijk gegeven. En dat waren er zeer velen. De administrateur van het land Telatiga moest dan ook schrijven aan de eigenaren: „Dagelijks bijna trekken hier bij tientallen opgezetenen van Alas Bamboe naar de hoofdplaats om te klagen. Mijn opgezetenen hebben zich tot nog toe rustig gehouden.”

* * *

Madja en zijn lieden hadden Nederman uitmuntend begrepen. Maar deze had zich vergist in het resultaat van zijn vernuftig plan. Want ook de opgezetenen begrepen dat de tjilaka geen bovennatuurlijke oorzaak had en de verbittering steeg.

Steeds meer lieden weigerden de vrijwillige overeenkomsten te teekenen; men waakte op de velden en men deed wachtdiensten bij buffelkraal en woning des nachts.

Een enkele maal ontving een spion van het verbitterde volk het loon zijner lage diensten, en de tjilaka verminderde wel. Maar toch bleef het Judasloon bespieders trekken.

In dezen tijd ongeveer was het, dat Pah Ran thuis had medegedeeld naar Telatiga te willen gaan om te klagen. Men raadde het hem af, men smeekte hem, liever te dulden. De oude was koppig als een ezel: hij zou en hij moest naar Telatiga. En hij ging. Zijn klachten waren gegrond, bewijzen had hij, dat de landheer meer diensten eischte van de opgezetenen dan waar hij recht op had, en meer tjoeké vorderde dan het ⅕ bedroeg. Bewijzen had hij bij stukken en brokken verzameld en hij kon zich beroepen op het getuigenis van zeer velen. Enkelen dezer waren met hem mede getogen naar Telatiga, de anderen hadden zich verbonden om tijdens hun afwezigheid te waken over hun haard en goed.

Te Telatiga waren Pah Ran en de zijnen op den raad van Pah Asriep niet weer naar den assistent-resident gegaan, maar zij hadden zich tot den president van den landraad gewend. En deze had wel nota genomen van hun klachten, die hij genotuleerd had. Laat in den avond waren de lieden bij hem gekomen en uren waren zij bij hem geweest, terwijl de ambtenaar een proces-verbaal van de klachten opmaakte.

Het scheen de klagers, dat zij ditmaal succes zouden hebben.

* * *

„Neen, mijnheer Nederman, het gaat zoo niet. Ik mag me uitputten in betoogen, het geeft me geen lor. De lui weigeren en blijven weigeren. Ik heb er nu al een paar honderd, die van het jaar geen rijst willen leveren.”

Van Affelen zag geen uitweg meer en was bij zijn chef verslag komen brengen van het mislukken zijner pogingen.

Nederman ijsbeerde in zijn kantoor op en neer. Hij was gansch niet in stemming. In den laatsten tijd was de soesah niet van de lucht.

„Bij De Leeuw gaat het dan toch wel!” barstte hij opeens uit. „Hij weet zijn menschen toch wel te bepraten om de overeenkomsten te teekenen.”

„Zooals hij dat doet, kan ik het ook, mijnheer,” verdedigde de employé zich.

„Hoe bedoel je?”

„Wel, De Leeuw is in de eerste plaats een Indo, in wien de lui al dadelijk meer vertrouwen hebben. En dan, hij is te zacht voor het volk. Hij laat zich door hen ringelooren. Zijn taxaties zijn altijd te laag. Vergelijk u het aantal beplante bouws maar eens met de tjoeké in zijn afdeeling. En hij schenkt ze tjoeké kwijt bij de minste klacht dat het beschot is tegengevallen. Als ik op Alas Bamboe was, zou ik veel meer rijst binnenkrijgen ...”

„Wel mogelijk, Van Affelen, maar ik geloof het niet. Evenals in Herea zou je het moeten afleggen. Daar behoef je je nu niet al te zeer over op te winden. Het ligt niet zoozeer aan jou, als wel aan den geest, die er tegenwoordig onder het volk is. Daar doe je niets tegen. En alleen een kerel als De Leeuw kan zoo met het volk omgaan, dat het in toom gehouden wordt.”

Geen van beiden begreep, dat ook zij op hetzelfde resultaat zouden kunnen wijzen, wanneer zij slechts rechtvaardig wilden zijn. Als er niet meer gevorderd werd van de bevolking dan hetgeen zij moest opbrengen, dan zou het in die eenvoudigen van geest niet opkomen zich te verzetten.

„Maar goed, wat dan? Wat denk jij er van?”

„Ik zou zeggen: laten wij diplomatiek zijn. Laten wij hun openlijk eenige concessies doen om de gemoederen wat tot bedaren te doen komen. Het verlies voor de eigenaren kan wel op andere wijze worden goedgemaakt, denk ik.”

„Zoo, hoe dan?”

„In de pakhuizen. Maar hoe minder u daarvan weet ...”

„Je bent wel handig, Van Affelen, en misschien ook erg politiek. Maar, jongen, die dingen zijn gevaarlijk. Je bent nog niet lang genoeg op het land, om je rekenschap te kunnen geven van de lessen der geschiedenis, Van Affelen.”

„Ik beken dat ik niet recht vat, waar u op doelt, mijnheer.”

„Ik bedoel de volwassen picols.”

„Hoe zegt u: de volwassen picols?”

„Ja, die van 106 katties.”

„Ik begrijp niet ...”

„Maar dan zijn er toch altijd overwichten verkregen?”

„Natuurlijk, natuurlijk, maar och hoe gaat dat, hé? De eigenaren hebben van het bedrijf geen flauw benul. Och, als die lui hun winst maar binnen krijgen, hoe meer hoe liever, dan wordt er verder niets gevraagd. Vooral vroeger niet. En dan, die overwichten werden behoorlijk verantwoord. Ik zou je nog wel oude, gele staten kunnen laten zien, met onder aan de bemerkingen: overwichten zooveel, overwichten zooveel!”

Van Affelen lachte.

„Die lui waren slimmer dan ik. Overwichten verantwoorden bij rijstbereiding, dat lap ik ’m niet. Onderwicht ja, natuurlijk, er is altijd onderwicht, uit den aard der zaak; bij de bereiding gaat wat verloren.”

„Ja, het was vrij stom. Maar verantwoorden is nog niet verklaren, hé? Enfin, in ’87 heeft de administrateur van Telatiga daar een eind aan gemaakt. En toen zijn wij jaren later gevolgd.”

„Intusschen zal er aardig wat overwicht geweest zijn in al dien tijd.”

„Een slordige zestigduizend picols, geloof ik. Dat is te zeggen; van ’56 af.”

„Een half millioen waarde, ongeveer.”

„Ja, om en bij.”

„Maar, u zei daar net: het was gevaarlijk?”

„En hoe is de perkara afgeloopen?”

„Dat gaat hier nog al makkelijk in Indië.”

„Och ja.”

„Maar, ziet u, zoo’n verkeerde maat kun je ook niet loochenen. Dat is dadelijk een corpus delicti. Maar het kan wel anders. Terwijl je weegt, even de pink omlaag. Nou dat geeft de balans een onmerkbaar zetje. Of een groote spijker aan de datjins. Dat geeft dadelijk groot verschil. Niet waar, product van afstand en gewicht ...”

„Ja, pas maar op, pas maar op! En erg mooi kan ik het nu ook niet juist vinden.”

„Mooi, mooi! Waarom zouden de lui ons een loer mogen draaien en waarom zouden wij dan niet daarop gewapend mogen zijn? Neen, mijnheer Nederman, ik doe niet aan sentimentaliteit. Daar eet je niet van. Ziet u, en daarom zeg ik, geef ze openlijk eenige concessies.”

„Welke?”

„Laat ’s kijken. U kunt de levering van gonnizakken vrijschenken. Dat is bovendien erg mooi, want die filantropen met een gevulde maag, zeggen immers dat dat ook niet mag?”

„Nou, eigenlijk hebben ze dan toch gelijk, hè?”

„Erg veel beteekent die concessie wel niet, maar de lui zullen, dunkt mij zoo, de daad apprecieeren.”

„Ja, dat is zoo. Nou, ik heb geen bezwaar; voor mijn part kunnen ze die zakken dan aan het land verkoopen. Op Telatiga gebeurt dat al eenige jaren, zooals je weet.”

Die gonnizakken-levering was eigenlijk voor de bevolking een directe belasting, te hatelijker wijl zij geheel onrechtmatig geheven werd. De opgezetenen waren namelijk verplicht de vezels te verzamelen in de bosschen van Zuid-Alas Bamboe. Nog voor eenige jaren hadden ook de opgezetenen van Telatiga het recht om daar gonnivezels te verzamelen. Dit recht was in de acte van scheiding der beide landen gestipuleerd. Als de vezels thuis gebracht werden, moesten de zakken door de vrouwen geweven worden. Daarna werden zij aan het land geleverd, waarvoor 33 cents te goed gedaan werd. Maar zij, die niet in de gelegenheid waren vezels in te zamelen, en dat waren de meesten, kochten de zakken op tegen een doorsneeprijs van f 0.39 à f 0.40. Er werd dus verlies geleden. Toch duldde de bevolking ook deze knevelarij, omdat zij zooveel duldt en verdraagt. Zij duldde deze belasting nu reeds ruim een halve eeuw.

Notes in this chapter

Note 1 · „Ik weet er heel wat van, door Ing Kiok natuurlijk. Die praat tegenwoordig over niets anders. Ze zullen zijn mond wel sluiten in de boei, vaNote 2 · „Ja, het scheelde de lui in hun bol, blijkbaar. De weigerachtigen, ook de Chineezen dus, werden gestraft met drie gulden boete of een dag geNote 3 · „Ah juist. Nou, toen gingen ze natuurlijk de boei in. Twintig Arabieren, twee en twintig Chineezen van Lobening en zestig, geloof ik, van WaNote 4 · „Astaga!183 Dat is een heele roegi184, hoor.”Note 5 · „Maar dat kan toch niet,” zeide de vrager, die een vriend was van den adjunct-djaksa185. „De demang kan geen straf opleggen.”Note 6 · „Noon inggeh, kandjeng186.”Note 7 · Ing Kiok was niet dom, hij zag in de inwilliging van Pah Asrieps verzoek een middel om propaganda te maken voor hun zaak. Hoe meer ontevredeNote 8 · Er waren lieden van Lobening opgevat. En nieuwsgierigen vernamen dat er honderd en acht geweigerd hadden in den garok ketjil188 uit te komenNote 9 · Een der oudere vrouwen was, hoewel niet daartoe aangesteld, zoo iets als opzichteres over de anderen. Kario hield toezicht in het pakhuis. KNote 10 · De andere vrouwen in haar eigen afdeeling, meest meisjes, waren van een vrij lichtzinnig slag, dat had Djiah al spoedig gemerkt. Haar gespreNote 11 · „Natuurlijk, daar zou hij ook schoon gelijk aan hebben. Neen, in zulke zaken moet je den man er buiten laten,” lachte de oudere vrouw, terwiNote 12 · „Kon je nu maar wat meer verdienen, hè? Als je nu bij het zakkennaaien kon komen te werken. Ik zou Kario het toch wel eens kunnen vragen. HiNote 13 · Voordat ’mboh Sima terug was, had Kario zich reeds verwijderd. Toen de oude vrouw haar woning weer binnentrad, had Djiah zich reeds geheel hNote 14 · De bamboezen deur ging krakend open, en in het licht verscheen een vrouwelijke gestalte. Het gelaat was dik gebedakt195; om den hals droeg dNote 15 · Een vreeselijke gedachte kwam opeens bij Siman op. Zou Djiah .... Maar neen, dat was niet waar. Wie het zei, loog; hij zou hem kunnen vermooNote 16 · Het was nauw meer een menschelijk geluid, dat uit zijn borst ontsnapte. Hij gilde. ’Mboh Sima was naar buiten geloopen ... ze bleef luistereNote 17 · Met groote moeite trok de ronde hem van zijn slachtoffer af. Voordat hij het wist, was Siman geboeid. Hij voelde de touwen in zijn polsen scNote 18 · „Siman van Gatok, doro,”200 luidde het antwoord.Note 19 · „Koerang priksa, doro.”201Note 20 · Hangen! Eens had hij—hij was nog een knaap—een moordenaar zien hangen te Soemedang op de aloon-aloon.202 Het was een vreeselijk gezicht. En Note 21 · Toen Djiah begraven was, op het kleine kerkhofje, was de woning van Siman onbewoond gebleven. Hij en Djiah hadden zooveel zorg besteed om heNote 22 · Ook met Pah Ran had een geduchte verandering plaats gegrepen na den dood van zijn dochter. Hij was zeer neerslachtig en in zichzelf gekeerd,Note 23 · Eenige talangs206 moesten noodig aangelegd worden, wilde de tjoeké over een groot deel van het district Herea nog binnenkomen; want daar hadNote 24 · Met die rijstlevering zou het wel gaan. Dan hier, dan daar, dan in deze desa, dan weer in gindsch district, begonnen de landbouwers te weigeNote 25 · Hij schoof het kantoor binnen en bleef in silo-houding208 zitten voor de schrijftafel in het halfduister.Note 26 · „De oogstvooruitzichten zijn slecht, ’n doro.”209Note 27 · „Nou ja, maar ’t is toch in het eigen belang van de menschen. Ik laat die irrigatiewerken toch aanleggen, opdat ze water op de velden zullenNote 28 · „Er is hier een procureur bamboe geweest, ’n doro, en ook moet er een geweest zijn in Herea. Die menschen stoken de wong tani211 op om te klNote 29 · De karbouw van Bapa212 Kanidio van de desa Tjoeroeg was plotseling gestorven toen de oude op reis was naar Telatiga. En in de sawah van SastNote 30 · „Kijk eens, Van Affelen, een goede vijf-en-veertig jaar geleden werd hier en ook op Telatiga de rijstheffing ingevoerd. Toen werd de tjoeké Note 31 · „Nou, het heeft een haar gescheeld, of wij waren er bij geweest als muizen. Stel je voor, dat ik naar de Bank te Batavia een paar gantangs21Note 32 · „Getoetoept.”215
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings