Note 17 — HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.
Reading edition
Pah Rekso was reeds naar de hoofdplaats geweest om den assistent-resident, die een braaf man was, naar men zeide, te verzoeken de padjeg17 te verminderen. Maar, met welke goede voornemens hij ook in de kotta was gekomen, toen hij er was, zonk hem de moed in de schoenen. De ambtenaar kende hem immers niet; en hoe zou hij hem dan zijn verzoek kunnen inwilligen? Dit echter was het niet dat hem weerhield. Het was de voor den desaman onoverkomelijke beklemdheid voor den Europeeschen ambtenaar, dien hij niet bij machte oordeelt de toestanden bij den kleinen man te begrijpen, vóór wien zijn toch reeds in voldoende mate aanwezige reserve hem den mond sluit, waar het gemoed hem tot spreken aanzet. Maar Rekso deed als andere menschen, die zich trachten te verontschuldigen bij zichzelven en de daad—een negatieve in dit geval—goed praten met verstandsbetoog, dat wat laat komt. Neen, zeide hij bij zichzelf, ik moet bij mijn hoofd, den assistent-wedana18 zijn. En dat was niet verkeerd gedacht, zeker niet. Het was de aangewezen weg. Allicht zou ook de assistent-resident hem verwezen hebben naar den assistent-wedana, omdat een ambtenaar zoo veel zaken te doen heeft en rechtstreeks met de bevolking in zulke op zich zelf staande gevallen als van Rekso niet kan in aanraking komen.