← Table of contents
Het boek van Siman den Javaan

Note 78 — HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.

Reading edition

Men was er natuurlijk niet afgekomen zonder de noodige douceurs en fooien. De koewoe moest vergunning geven voor het bouwen, voor het houtkappen, voor het halen van kali-steen en grint uit de Tjikoentoel; hij moest hen inschrijven in registers, zoo beweerde hij, hij moest den toean ziender om dit vragen en van dat kennis geven. En voor al die goede diensten moest natuurlijk betaald worden. De koewoe trok dapper partij van de onbekendheid der nieuwelingen met de plaatselijke toestanden, en dezen begrepen wel dat zij meer moesten afschuiven dan van hen rechtens gevorderd mocht worden. Maar wat konden zij er tegen doen? Zij waren geheel onbekend, wisten heg noch steg, en dan, overal is de kleine man de dupe van het meer geslepen hoofd, dat een soort bezoldiging ontvangt van den landheer, en daarvoor zijne medewerking moet verleenen bij de inning van tjoeké78 en van padjeg.79 Waar zouden Pah Rekso en Pah Ran dan moeten klagen? Bij den opzichter, die hen niet kende en den koewoe noodig had? Bij den assistent-resident, die dagen en dagen ver weg woonde, wààr was hun zelfs niet bekend, en die van dergelijke zaken geen kennis kon nemen? Er viel immer niets te bewijzen?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings