Note 91 — HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.
Reading edition
Heeft een van mijn lezers wel eens den panèn meegemaakt op het land te midden van het volk? Welk een vroolijken aanblik hebben dan de velden, als het goudgeel van het graan doorspikkeld is van de roode, blauwe, groene en witte vlekken der vrouwenbaadjes; als heel het landschap in volle rijpheid leeft en trilt. De anè-anè, het kleine mesje, verborgen in de handpalm der snijdsters, klikt en klikt tegen de halmen. De wind suist door de strak-heete lucht en ritselt in de padi. Over het land welft zich een helderblauwe hemel. De snijdsters zingen al maar voort onder het werk, soli en koren in droefgeestige modulatie. De jongeren lachen en dollen en verzuimen het werk niet. Stap voor stap schrijden zij voorwaarts; wat van de aren valt uit de linkerhand, wordt bijeengezocht door de lezers, knapen en meisjes. De koperen zon met haar schroeiende stralen deert het volk niet. Vaak zijn zij van verre gekomen, en zij, die heden hier aan den arbeid zijn, zullen voor een deel althans, morgen elders, wat zoeken te verdienen met den oogst. Des avonds is er rameh91 in de desa. Dan speelt de gamelan. Het zweet der dampende lijven is weggewasschen aan bron of leiding, de kondeh is, vet van klapperolie, in stevige wrong gedraaid; de mooie badjoes worden ten pronk gedragen door de meisjes. Men snoept de helft van het schamel snijloon weg aan de vele wandelende winkeltjes, welker eenige illuminatie bestaat in een walmend oliefleschje. Dan is het een goede tijd voor de jongelui, want er zijn lieve bekjes onder de verre geburen.