Note 58 — HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.
Reading edition
Maar ik zal niet uitweiden over het tandakken, noch over de elegante bayadère, een mooie jonge vrouw—een verdorven vrouw tevens, een die nergens achting vindt onder haar landgenooten. De kunst miskend! Zij is een straatdeerne van de minst eischende soort. Ik zal u niet vertellen van het bruiloftsfeest zelf, dat al uren aan de gang was—Indische lezers hebben die dingen meer gezien, en anderen kunnen een beschrijving van zulk een feest, zonder dronkenschap, zonder lawaai, zonder liederlijkheid, elders zeker beter vinden. Het was een feest, ingetogen als het volkskarakter, maar toch een van vroolijke, prettige drukte, waarover nog dagen werd nagepraat in Gatok. Eerst ver na twaalven werden bruid en bruidegom in optocht weggeleid, zooals het oud gebruik wil. En de schuchtere, bedeesde maagd, met de boré58 op het gelaat, de strak gedraaide kondé59 met melatti en kralen versierd—waarlijk het is Djiah, de dochter van Pah Ran van Tjidamar. En naast haar loopt haar echtgenoot, trotsch op zijn mooie bruid, Siman. Wat is hij mooi uitgedost met zijn glimmende, korte zwarte jas, en de keurig gevouwen sarong! Achter uit den gordel steekt het gevest van de kris van zijn grootvader, zijn djimat.