Note 74 — HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.
Reading edition
Den eersten tijd van hun vestiging hadden zij op het eind van de desa een woning opgezet, want een leege hut, die zij hadden mogen betrekken en die ook aan den overleden sawahbezitter had toebehoord, was veel te klein om hen allen te bergen. Het ging natuurlijk wel tijdelijk: men wist zich te behelpen, maar als Siman en Djiah gehuwd waren, dan moesten de jongelui ook goed geïnstalleerd zijn. De nieuwe hut, van ruwbewerkte balken, bamboe en atap74 opgetrokken, was er binnen een week. Drie paar handen werkten er met ijver aan en zelfs Djamin kon al goeden dienst doen bij het werk met het kloppen der sasaks.75 De vriendelijke kleine hut, uit twee afdeelingen en een emper voor en achter bestaande, was nabij de vrij groote woning der oudjes gelegen. Pah Ran, die wel van een grapje hield, had Djiah gevraagd waar ze nu wel zou slapen, in het westelijke of het oostelijke vertrekje? En toen zijn aardige dochter er zich lachend van afmaakte met een: „Ach, weet ik het!” had hij met een veelbeteekenend lachje geraden de oostelijke kamer te kiezen, want ’s middags stond de zon op den westkant en het westelijke vertrek bleef dus voor een goed deel van den avond het warmste. En, had hij er bijgevoegd, vooral des nachts zullen jullie de warmte best kunnen missen.