HOOFDSTUK XIV.
Reading edition
ONZE HELD VERLANGT HUISWAARTS TE KEEREN, MAAR DE LILIPUTTERS ZENDEN EEN BEVEL TOT INHECHTENISNEMING.
In weerwil van de vriendelijke opname, die ik in Blefusku had gevonden, voelde ik mij toch niets in mijn schik. Zou ik hier nog weer eens hetzelfde moeten mede maken als ginds in Liliput? Het einde zou dan ook wel weer hetzelfde zijn! Bovendien had ik ook heimwee naar huis en haard, en men kan zich dus wel voorstellen hoe ik vol verlangen uitkeek toen ik den volgenden dag, terwijl ik heelemaal niet aan die mogelijkheid dacht, al wandelende langs de Noordkust van het eiland op een halve mijl afstand een voorwerp op het water zag drijven, dat er ongeveer als een boot uitzag. Ik trok natuurlijk dadelijk mijn kousen en schoenen uit, sloeg mijn broekspijpen zoo ver mogelijk om, en stapte in zee. Tegelijkertijd kwam het donkere voorwerp, op de golven der zee gedragen, vanzelf dichterbij en zoo kon ik spoedig zien, dat het werkelijk een boot was. Zij dreef met de kiel naar boven op de golven doordat zij hoogstwaarschijnlijk door een storm van het schip waarbij zij behoorde was losgeslagen.
Ik keerde nu naar de residentie terug, en verzocht den keizer mij twintig van de grootste schepen, die hem na den slag nog waren overgebleven, ter beschikking te stellen en bovendien nog 3000 matrozen onder bevel van eenen vice-admiraal. Daartoe was de keizer bereid en ik keerde over land naar die plaats terug waar ik de boot had gezien, terwijl de Janmaten om het eiland heen naar datzelfde punt zeilden.
Intusschen was de boot nog dichterbij gekomen. De matrozen waren allen van trossen voorzien, die ik uit vele kabeltouwen had samengevlochten.
Nu kleedde ik mij uit, maar—ik hield mijn broek aan, want ik was door mijn Liliputsch proces wel voorzichtig geworden. Ik waadde naar de boot toe en was nog op ongeveer 100 Meter er van af, toen moest ik zwemmen. Toen ik de boot genaderd was wierpen mijne matrozen mij een zeer langen tros toe, waarvan ik het eene eind aan den boeg van de boot door een gat trok en bevestigde, en waarvan ik het andere eind aan eene, der medegekregen schepen liet vastmaken. Maar, wat nu? De matrozen konden onmogelijk de boot aan land trekken. Zij zouden haar slechts een klein eindje dichterbij kunnen slepen, maar meer ook niet.
Ik zelfs kon ook niets uitrichten omdat ik geen grond onder mijn voeten had. Ten slotte zwom ik achter de boot aan, en gaf deze al zwemmende af en toe een duwtje. Dit zou mij weinig of niet gebaat hebben, wanneer de vloed mij niet te hulp was gekomen. Na veel moeite, kwam ik eindelijk zóó ver dat ik, als ik mijn kin zoo hoog mogelijk in de hoogte stak, met mijn voeten den grond kon raken. Nu kon ik toch eindelijk eens een paar minuten uitrusten. Daarna vervolgde ik mijn werk weer, totdat het water mij slechts tot de elbogen reikte. Nu liet ik een der schepen naderbij komen waarin ik nog ander touwwerk had gestopt, nam negen trossen eruit en bevestigde deze met het eene eind aan even zoo vele schepen van de vloot, en met het andere einde aan de boot. Daar de wind nu ook op onze hand was, gelukte het ons, daar de schepen trokken en ik duwde, de boot op veertig Meter afstands van den oever te krijgen. Daar liet ik haar liggen en wachtte de eb af, waardoor zij op het droge kwam. Met behulp van 2000 menschen en talrijke katrollen en hefboomen gelukte het ons dan ook de boot om te draaien, zoodat zij op de kiel kwam te liggen. Tot mijne niet geringe vreugde kan ik vaststellen, dat zij weinig beschadigd was. Ik had 10 dagen noodig om mij twee roeispanen te maken en toen stuurde ik mijn boot in de haven van Blefusku, maar ik deed dit heel voorzichtig want anders zou door den zwaren golfslag, die mijn boot al varend te weeg bracht, deze te veel schommeling veroorzaken, wat natuurlijk voor die miniatuur-scheepjes, die in de haven lagen nadeelig zou zijn geweest. Men kan zich voorstellen dat er heel wat menschen op den oever te zamen stroomden, hoe men schreeuwde, en wenkte en naar de boot wees, en hoe men een en al verbazing was, toen ik met deze boot kwam aanvaren, die de heele vloot van Blefusku en Liliput te zamen gemakkelijk had kunnen bevatten.
Iedereen hielp mij bij het maken van de boot.

Intusschen verwonderde ik mij elken dag meer, dat er nog steeds geen bevel uit Liliput was gekomen om mij uit te leveren. Natuurlijk was dit zwijgen zeer verklaarbaar. Men had er geen flauw vermoeden van, dat mij de inhoud van dat beruchte proces bekend was, en dat ik op de hoogte van mijn vonnis was, en zoodoende verwachtte men waarschijnlijk, dat ik totaal onkundig van dit alles over eenigen tijd in mijne kooi terug zou keeren. Maar eindelijk was mijn wegblijven den Liliputters toch wel verdacht voorgekomen, want op zekeren dag verscheen bij den keizer een Liliputsche hoveling, met een afschrift van een gedeelte van de aanklacht, die tegen mij was ingebracht en met den eisch mij uit te leveren. Natuurlijk verzweeg de bode wijselijk dit gedeelte van de aanklacht, dat over mijne vriendelijkheden tegenover Blefusku handelde en over mijne weigering Blefusku te vernietigen en alle dik-eiïgen te dooden. De afgezant van Liliput verklaarde, dat ik, wanneer ik niet binnen twee dagen zou terugkeeren den titel van "Nardak" zou verliezen en tot hoog- en landverrader zou worden verklaard. De verheven heerscher van Liliput hoopte en verwachtte in het belang van het in standhouden van den vrede en uithoofde van de uitstekende betrekkingen van de beide innig-bevriende mogendheden, dat zijn verheven, en hem goed gezinde broeder, de keizer van Blefusku, den staatsmisdadiger aan handen en voeten gebonden, zonder verwijl zou uitleveren.
De keizer van Blefusku verzocht drie dagen bedenktijd, alvorens hij dit verzoek kon beantwoorden en liet mij bij zich komen.
Ik schonk hem klaren wijn over de wakkere Liliputters en vertelde hem, wat men van mij had verlangd en wat ik had geweigerd. Daarop liet Zijne Majesteit den afgezant van Liliput het volgende antwoord mededeelen: "De keizer van Blefusku beantwoordt de vriendschappelijke gezindheid van zijnen verheven en hem goedgezinden broeder met dezelfde oprechtheid en hartelijkheid. Wat nu den eisch betrof, dat ik aan handen en voeten zou worden uitgeleverd, moest hij antwoorden, dat Zijne Majesteit van Liliput wel uit eigen ervaring wist, dat dit niet zoo heel gemakkelijk was, en in ieder geval alleen dan uitgevoerd kon worden, wanneer ik zelf daar niets tegen had. Bovendien was hij mij, al had ik hem dan ook zijn vloot weggenomen, voor vele waardevolle diensten zeer dankbaar, en ondankbaarheid was,—dit wist zijn doorluchtige neef immers wel, bij een koning uitgesloten. Bovendien had de menschberg op zee een vaartuig gevonden, dat sterk genoeg was om hem te torsen en waarmeê hij vermoedelijk wel vertrekken zou, zoodat beide landen binnenkort wel van dezen drukkenden last zouden ontheven zijn."
Nadat de bode, die met het bevel tot inhechtenisneming was gekomen, met dit korte antwoord, waarvan hij leelijk op zijn neus keek, was afgepoeierd, verzocht ik den keizer mij het noodige materiaal te verschaffen om mijn schip in orde te maken en uit te rusten, en ik vroeg verlof weer naar mijn vaderland terug te keeren. Zijne Majesteit vroeg mij zeer vriendelijk of het mij dan niet in zijn land beviel, en of ik niet wilde blijven. Wanneer ik in zijnen dienst wilde treden, kon ik verzekerd van zijne machtige bescherming zijn. Ik ben ervan overtuigd, dat hij dit op dit oogenblik eerlijk meende, maar na de onpleizierige ondervindingen, die ik van vorsten en ministers had, dacht ik bij mijzelf: "Liever niet!"
Ik dankte den vorst eerbiedig voor zijn groote goedheid, maar ik zei, dat ik liever alle verschrikking en gevaren van den oceaan wilde trotseeren, dan de twistappel te zijn tusschen twee machtige rijken en de oorzaak van bloedige oorlogen. De keizer drong dan ook niet langer aan en scheen in zijn hart verheugd te zijn een zoo grooten man kwijt te raken, die op den duur wel last kon veroorzaken.