← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK IX.

Reading edition

GULLIVER'S SCHITTERENDE OVERWINNING TER ZEE.

Het keizerrijk Blefusku lag ten Noord-Oosten van Liliput en tusschen beide landen was een kanaal ter breedte van 800 el, dat de vorm had van een hemdsmouw. Ik had het nooit gezien, omdat ik nog niet aan de Noord-Oostzijde van Liliput was geweest, en nu liet ik mij met opzet daar niet zien, omdat ik voor de Blefuskuneezen niet wilde weten, dat ik in Liliput was. Of zou mijne aanwezigheid hun misschien al door spionnen verraden zijn? Ik hoopte van niet, want gedurende den oorlog was ieder verkeer tusschen de beide landen op straffe des doods verboden en de kusten van ons eiland werden door de meest betrouwbare dun-eiïgen zoo scherp mogelijk bewaakt.

De vijanden schenen te dien opzichte minder voorzorgen te nemen. Het was ten minste onzen spionnen gelukt hun vloot in oogenschouw te nemen, die in de haven gereed lag om uit te zeilen, en klaarblijkelijk alleen nog maar op gunstigen wind wachtte. Van oude, ervaren zeerotten in ons land hoorde ik, dat het kanaal in het midden bij vloed, zeventig "glumgluffs" diep was, dat is iets meer dan mijne lengte.

Ik ging nu behoedzaam naar de Noord-Oostzijde van ons eiland, stelde mij verdekt achter eenen berg op, en haalde mijnen verrekijker te voorschijn. Met behulp daarvan stelde ik vast, dat de vijandelijke vloot uit vijftig oorlogsschepen en talrijke transportschepen bestond. Daarna keerde ik terug en ik verzocht, mij een groot aantal van de sterkste scheepskabels te geven, die zoo dik waren als bij ons ijzergaren, en dan nog een evenzoo groot aantal ijzeren staven zoo dik als een naald. Ik draaide telkens drie kabels tot een, hetzelfde deed ik met de ijzeren stangen en ieder van deze drie dubbele stangen boog ik aan het uiteinde om tot een haak. Ten slotte bevestigde ik de kabels aan de stangen, waar ik deze niet had omgebogen. Aldus uitgerust deed ik mijn jas, mijne kousen en mijne schoenen uit en stapte een half uur vóór den vloed in het kanaal. Ik liep zoo snel mogelijk door, zwom, waar het water het diepst was, ongeveer 30 el ver en was in een klein half uurtje de vloot genaderd. De schrik der Blefuskuneezen toen zij mij zagen, is niet te beschrijven. Als opgejaagde muizen sprong de geheele bemanning der vloot te water en zwom aan land. Dat spreekt ook eigenlijk vanzelf, want stel je nu eens voor, dat er bij ons plotseling een monster zeventien maal zoo groot als een gewoon mensch aan de kust verscheen.

Wel 30.000 menschen wriemelden als een uit-elkander-gejaagde mierenhoop langs het strand. Ik stak vlug in ieder gat, dat de schepen vooraan den boeg hebben een haak en wond de, aan de haken bevestigde kabels tot een kluwen samen. Intusschen waren de vijanden in zooverre van hunnen schrik bekomen dat zij als razenden op mij begonnen te schieten. Duizenden pijlen, waarvan sommige mij raakten en mij vreeselijke pijn veroorzaakten, snorden door de lucht, en omdat ik, om deze af te weren dikwijls mijn arm voor mijn gezicht moest houden, werd ik bij mijn werk aanmerkelijk gestoord. Het meest bevreesd was ik voor mijne oogen, maar toen viel mij in, dat ik immers mijn bril bij mij had. Die zette ik op, en al kletterden de pijlen soms tegen de glazen als hagel tegen de ruiten, in ieder geval waren mijne oogen ten minste beschut. Toen ik alle vijftig oorlogsschepen aan een touwtje had, begon ik te trekken, maar o, wee! want ik bemerkte toen pas, dat ze alle vast voor anker lagen en dat ik dus het zwaarste werk nog moest doen. Er bleef mij dus niets anders over, dan alle vijftig ankertouwen met mijn zakmes door te snijden en daarbij kreeg ik wel een paar honderd pijlen tegen mijn gezicht en mijne handen. Ik beet van pijn op mijne lippen. Ten slotte had ik echter het laatste touw doorgesneden en trok ik de heele Armada der Blefuskuneezen meê.

Een oogenblik heerschte er eene doodelijke stilte aan de kust, een stilte veroorzaakt door een vreeselijke ontsteltenis, maar toen volgde er een geschreeuw, dat ik mijn leven lang niet zal vergeten. Een dergelijk geschreeuw hoorde ik eens toen ik op een eenzaam strand op vogels schoot, die daar bij honderdduizenden waren genesteld. Ik trok rustig verder met de vloot, die zich als een waaier achter mij uitstrekte. Toen ik buiten schot was bestreek ik mijne wonden met eene geneeskrachtige zalf, nam mijn bril af, wachtte, toen ik in het midden van het kanaal gekomen was, totdat de vloed eenigszins gedaald was, en ging toen naar de haven van Liliput. Het water kwam mij op de diepste plaatsen van het kanaal heelemaal tot aan mijn hals. Daarom zagen de Liliputters mij niet dadelijk en dachten niet anders of de vloot der Blefuskuneezen kwam met eene vijandelijke bedoeling op Liliput aan. De geheele vloot van Liliput en ook het heele leger onder opperbevel van den keizer verzamelde zich dus zoo snel mogelijk in de haven, maar toen zij mij zagen en ik uitriep: "Lang leve keizer Bimbul, de overwinnaar!" kende het gejuich geen grenzen en de Liliputters maakten nu ook juist zoo'n leven als de vogels aan het strand. De keizer raakte niet uitgeput in loftuitingen en benoemde mij onmiddellijk tot "nardak" dat is de hoogste eeretitel in Liliput en beteekent zooveel als "medezon des heerschers". Ik moest nu met hem het heele leger langs loopen, wat verscheidene minuten duurde en toen trok het geheele leger in paradepas aan ons voorbij, wat zeer lang duurde en mij erg moe maakte, niettegenstaande alle muziekkorpsen daarbij speelden. De muziek klonk voor mijn bewustzijn zóó zacht, dat ik alleen maar de Turksche trom hoorde, en dat klonk net alsof bij ons een dikke bromvlieg tegen het venster bonst.

Toen ook dit schitterende schouwspel voorbij was, hield de keizer een lang gesprek met mij, waarin hij den vurigen wensch uitte, verder alle andere schepen der Blefuskuneezen in zijn macht te krijgen en het heele land te veroveren. Hij wilde Blefusku tot eene provincie van Liliput maken onder heerschappij van eenen onderkoning en dan alle dik-eiïgen wijd en zijd uitroeien, of ze dwingen hunne eieren voortaan aan het dunne einde open te maken. Dan eerst zou hij, naar hij meende, in het oog van ieder de eenige monarch der aarde en de alleenheerscher der wereld zijn.

Ik was even ontdaan als verontwaardigd over des keizers eisch en ik trachtte Zijne Majesteit uit te leggen, dat het noch verstandig, noch rechtvaardig was zoò te handelen, en ik zei hem, dat ik mij er nooit toe zou leenen om een dapper en vrij volk onder het juk der slavernij te brengen.

De keizer heeft mij deze vrijmoedige weigering nooit vergeven. Wel had hij mij dikwijls gevraagd, hem altijd onomwonden mijne meening te zeggen, maar toen ik dit deed, was hij diep gekrenkt.

De vorst deelde zijne veroveringsplannen en mijn meening daarover den ministers meê. Onder hen waren er ten minste verscheidene verstandig genoeg om het met mijne weigering eens te zijn, maar toen hij deze zaak in den Raad van Staten ter sprake bracht en eenige verdachtmakingen tegen mij losliet, vielen deze in vruchtbare aarde. Wel waren hier ook verscheidenen, die mij innerlijk gelijk gaven, maar zij dorsten zich niet te verzetten tegen den keizer en tegen de meerderheid en daarom zwegen zij. Des te meer echter praatten en stookten mijne vijanden en daarvan had ik plotseling een groot aantal.

Mijn succes en de onderscheidingen, die ik daardoor had ontvangen, wekten afgunst en haat bij talrijke hof- en staatsambtenaren, het ergste natuurlijk bij mijnen aartsvijand, admiraal Bolgolam. Hij had er weliswaar niet voor gezorgd, om de vloot waarover hij het bevel voerde zóó uit te rusten, dat deze de schepen der vijanden niet behoefde te vreezen,—anders zou men ook mijne hulp niet noodig hebben gehad,—maar nu ik in zijne plaats den vijand had verslagen, was hij buiten zich zelf van afgunst en nijd. Hij liet dit natuurlijk niet merken daar hij een geslepen diplomaat was, maar in stilte bereidde hij met Flimnap, den schatmeester, die zoo prachtig op het slappe koord kon loopen, en met andere partijgenooten een aanslag op mij voor, die mij ten verderve zou voeren.

Spoedig daarop gebeurde er bovendien iets, dat koren op den molen van mijne vijanden was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings