HOOFDSTUK V.
Reading edition
WIJ WORDEN LANGZAMERHAND VERTROUWELIJK EN WIJ BETOONEN ELKAAR VRIENDELIJKHEDEN.
Van dag tot dag werden de keizer, het leger en het volk van Liliput mij gunstiger gezind, zoodat ik de hoop begon te koesteren, weldra mijne vrijheid terug te krijgen.
Hoe meer de inwoners hun vrees voor mij verloren, des te ongedwongener gedroegen zij zich ook tegenover mij, en ten slotte beschouwden zij mij ongeveer als ware ik een buiten de stad gelegen wandelpark.
Voor alle mogelijke pretjes moest ik dienst doen; onder leiding van de betaalde gidsen kwamen mij nog steeds, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, ontelbare menschenscharen bezichtigen; mijn voorhoofd en het bovenvlak van mijn hand werden als dansvloer gebruikt, waarop tal van vroolijke paartjes zich heen en weer bewogen; maar de grootste aantrekking had ik wel voor bergbestijgers. Hun plezier bestond daarin, mij zonder ladder te bestijgen; wanneer ik lag, de punten van mijne schoenen als bizonder steile en gevaarlijke bergtoppen te bestijgen, of wel, in de verschrikkelijke nauwe afgronden van mijn vestjeszakje te dalen, waar ze gevaar liepen door mijn buik doodgedrukt te worden. Dikwijls moest ik, wanneer ik lag, een van mijne beenen optrekken zoodat mijn knie dan in de lucht stak. Dat verschafte hun dan een druk bezochten toren, van waaruit zij het heele eiland konden overzien. Bizonder moedige bergbestijgers beklommen mij terwijl ik rechtop stond. Dat was natuurlijk een uitstapje dat verscheidene dagen duurde en de toeristen overnachtten dan in een van mijne zakken. Maar de allergrootste waaghalzen verlangden dat ik, wanneer zij eenmaal het hooggebergte van mijn hoofd hadden bereikt mijn arm nog in de hoogte zou steken, dan klauterden zij ook nog daarop en gingen dan op mijne vingertoppen staan. De ijle en ijzige lucht van deze verschrikkelijke hoogte verdroegen zij echter niet lang, zij werden bergziek, dat wil zeggen, zij werden misselijk, benauwd en kregen hartkloppingen en verlangden weer naar beneden te komen.
De kinderen behandelden mij natuurlijk het ongegeneerdst. Zij speelden verstoppertje in mijn haar en mijn knevel, gebruikten den rug van mijn neus als glijbaan, en ik had hard werk om te zorgen, dat zij mijne oogappels niet als eene ijsbaan gebruikten.
In mijne mouwen en zakken, in mijne oorschelpen en neusgaten speelden zij roovertje en soldaatje en elk oogenblik was er eentje verdwaald. Dan hoorde ik plotseling uit mijn rechteroksel een klagelijk geschrei omdat een jongetje niet wist of het rechts of links moest gaan om door mijn armsgat op mijn vest te komen. Eindelijk stookten zelfs eenige jongens een vuurtje in mijn haar om daarin appelen te braden, maar toen werd het mij toch wat al te kras en dergelijke dingen verbood ik.
Toen ik den keizer met klachten aankwam dat ik al te veel last van het volk had, gelastte hij dat men daarmede dadelijk zou ophouden en hij wilde mij als vergoeding nu ook eens een pleizier aandoen. Hij hield er dol veel van om koorddansers te zien, en liet nu op de verschrikkelijke hoogte van twaalf voet boven den grond een touw spannen, dat niet dikker was dan bij ons een dun draadje. Daarop moesten nu allen dansen, die van den keizer een ambt of eene andere gunst wilden hebben en wie het beste danste en het hoogste sprong kreeg het ambt. Maar ook de ministers en de andere raadsheeren, die dus al een ambt hadden moesten hunne kunsten toonen, en de schatmeester van het rijk was zoo knap er in, dat wanneer men een plank op het touw legde, hij van af deze plank den zoogenaamden "doodssprong" maakte, dat wil zeggen hij sprong in de hoogte, duikelde in de lucht rond en stond dan weer op de plank. Natuurlijk gebeurde het dikwijls, dat iemand daarbij naar beneden viel, verscheiden ministers waren reeds meer dan eens gevallen en soms brak er ook wel eens een zijn nek.
Een ander amusement van den keizer bestond daarin, dat hij een stok voor zich uit hield en zijne raadslieden en zijn Hof daarover heen liet springen of daaronder door liet kruipen. Wanneer zij springen moesten, hield hij den stok zoo hoog mogelijk, wanneer zij kruipen moesten bijna tot aan den grond. Wie dan het beste en het langste gesprongen of gekropen had, kreeg een blauwen draad. De tweede prijs was een roode draad, en de derde een groene. Deze draden wonden de overwinnaars twee maal om hun gordel. Er waren maar weinig personen, die niet minstens één zoo'n draad droegen, en toch schenen zij zeer trotsch daarop te zijn.
Een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen van mijn voet.

Evenals de menschen, overwonnen ook langzamerhand de paarden iederen angst bij mijn aanblik. Zij sprongen met hunne berijders over mijne hand heen. Ja een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen van mijn voet en dat was inderdaad een fabelachtige toer.
Ik kwam nu op het idee Zijne Majesteit tot dank voor de vertooning der koorddansers, die ik mocht bijwonen, ook een schouwspel te bereiden en ik verzocht om eenige staven van twee voet lengte en zoo dik als mijn wijsvinger. De keizer beval zijn opperhoutvester de noodige boomen te laten vellen en reeds den volgenden morgen waren zes houthakkers met even zoovele wagens ieder door acht paarden getrokken, ter plaatse. Ik zette nu eenige van deze staven zoo in den grond dat zij een vierkant vormden; iedere zij van het vierkant was ongeveer zoo lang als mijn arm.
Toen spande ik een zakdoek zoo strak als een trommelvel over de punten van deze staven en zette daar bovenop wederom eene, uit staven vervaardigde, borstwering, ter hoogte van mijn pink. Zoo kreeg ik een prachtige exerceerplaats. Ik verzocht den keizer nu om een bataljon van zijne beste ruiters. Toen ik ze gekregen had, zette ik ze met hun vier-en-twintigen met paard en wapenrusting, en ook de officieren op het parade-veld. Daar verdeelden zij zich in twee partijen en volbrachten nu met groote behendigheid en stiptheid alle mogelijke oefeningen, schijngevechten en tornooien.
Ik moest aan de looden soldaten denken, waarmede ik als kind had gespeeld en die zich helaas niet van zelf voortbewogen en ik dacht bij mijzelf: "Wanneer het je gelukt weer naar huis te komen, dan moet je toch probeeren je kinderen een regiment van deze troepen mede te brengen!" De keizer had zeer veel plezier in deze manoeuvres en was zeer trotsch op de dapperheid van zijn leger. Ja, hij was op zekeren dag zoo genadig, zich zelf op het slagveld te laten tillen en het opperbevel op zich te nemen. Nog sterker. Hare Majesteit de keizerin in eigen persoon liet zich met haar gevolg zoo hoog door mij optillen, dat zij over het strijdperk kon heenzien.
Op zekeren dag geraakte helaas een paard met zijn hoef in een uitgerafelde plaats van mijn zakdoek verward, het dier viel en verrekte een pees. Toen gaf ik het gevaarlijke spel op.
Dit schouwspel had den keizer zoozeer bevallen, dat hij het mij door een zeer bizonder spel wilde vergelden, en hij wilde mij ook eens door iets buitengewoon groots bewondering afdwingen. Hij liet uit zijnen dierentuin een olifant halen en keek nu met de grootste aandacht naar mij om te zien wat ik nu wel van dien kolossus zou zeggen. Het was inderdaad een buitengewoon prachtexemplaar ter grootte van een flinken dashond, en de keizer vroeg me met trotschen glimlach, of ik zoò iets nu wel eens in mijn leven had gezien.
"Neen," zei ik, "zulk eenen grooten olifant heb ik nog nooit gezien!" Ik bedankte hem vriendelijk, nam het dier op mijn arm en streelde het, waarover Zijne Majesteit toch wel een beetje het land scheen te hebben.
Een paar dagen daarna deelde een ijlbode den keizer mede, dat men aan het strand in de buurt waar ik was geland, een groot zwart voorwerp had gevonden, een soort van kleinen circus met een rand er om heen; het geheel zou ongeveer zoo groot zijn, dat men de gehoorzaal der universiteit ermee zou kunnen bedekken en het had de hoogte van een man. Het voorwerp leefde niet. Nadat men het voorzichtig had genaderd, was men er eindelijk opgeklommen en had men door erop te kloppen vastgesteld, dat het hol was, maar dat er klaarblijkelijk niemand in woonde. Waarschijnlijk had men hier te doen met een voorwerp, dat bij den menschberg behoorde, en wanneer Zijne Majesteit het goed vond, zou men het halen; vijf paarden zouden daarvoor wel voldoende zijn. Toen ik dit hoorde begreep ik dadelijk, dat er hier sprake van mijnen hoed was, dien ik weliswaar op de boot om den storm had vastgebonden, maar gedurende het zwemmen of kort na mijne landing, toch had verloren. Ik verzocht, hem mij te brengen en den volgenden dag hoorde en zag ik dan ook, hoe vijf flinke werkpaarden hinnekend en snuivend, terwijl de voerlieden ze aanzetten met "hallo" geroep en zweepgeknal, kwamen aanstappen. Het hinneken van deze paarden leek op het getjilp van onze leeuwerikken, hun snuiven en proesten op het gezang van onze krekels, en het zweepgeknal leek op het barsten van een erwtenschil. Zij waren werkelijk niet al te zachtzinnig met mijnen hoed omgegaan; ze hadden er gewoonweg twee gaten ingeboord, daarin haken gestoken en deze door middel van touwen met de leidsels der paarden verbonden en zoo hadden zij mijn hoofddeksel meer dan een halve mijl door de straten gesleurd.