← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK VII.

Reading edition

VAN EEN STAD VAN EEN HALF MILLIOEN INWONERS; VAN KEIZERLIJKE VERTREKKEN; VAN EENE KEUKEN; EN VAN TAL VAN ZONDERLINGE ZEDEN DER LILIPUTTERS.

Den eersten wensch, dien ik den keizer te kennen gaf, was, zijne hoofdstad te mogen bezichtigen. Hij willigde dit verzoek gaarne in en liet in de geheele residentie bekend maken, dat alle hoofdstraten twee uren vóór mijn bezoek ontruimd moesten zijn. Wie zich daarna nog op straat ophield, deed dit op eigene verantwoordelijkheid.

De muur, die deze stad omringt, reikte mij tot midden aan mijn kuit en was zoo dik, dat twee rijtuigen daar bovenop langs elkaar voorbij konden rijden. Die muur was door torens versterkt, die op vijf voet afstands van elkaar stonden. Ik klom over de groote poort aan de westzijde heen en ging zeer voorzichtig door de hoofdstraten. Ik had mijn jas, voordat ik de stad bezocht uitgetrokken, omdat de lange panden anders de pannen van de daken en de kerktorens meegesleept zouden hebben. Natuurlijk waren alle daken zwart van toeschouwers. De halve bevolking bevond zich op de daken om in ademlooze spanning naar mijne wandeling te kijken en natuurlijk lieten een paar onvoorzichtige jongens zich ondanks het verbod het genoegen niet benemen, zoo dicht mogelijk voor mijne voeten over straat te loopen; het scheelde geen haar of ik had een van hen vertrapt.

De stad, die 500.000 zielen telt, is precies in een vierkant gebouwd; de beide hoofdstraten kruisen elkander rechthoekig en verdeelen de stad in vier kwartieren. Deze straten zijn ware prachtstraten en ongeveer twee voet breed; de zijstraten en stegen waren niet breeder dan mijn voet lang is; ik kon die dus niet betreden. Een van deze zijstraten voerde naar een marktplein, dat er zeer aardig uitzag met zijn vele vruchten, groenten, visschen, vleesch en andere etenswaren. Meiden en knechts waren bezig inkoopen te doen voor de tafel hunner meesters, en een groote menigte stond in bewondering voor een reusachtig dier, dat de visschers van hun laatste vischvangst hadden mede gebracht, en dat zij hadden tentoongesteld. Het was waarlijk een bewonderenswaardig monster, een haai, zoolang als bij ons een haring, en het strekte zich over de halve breedte van het marktplein uit.

Waar de beide hoofdstraten elkaar kruisen, is het paleis van den keizer gelegen. Het wordt omringd door eenen muur, die twee voet hoog is. Tusschen dezen muur en de gebouwen is een afstand van twintig voet. Met goedvinden van den keizer klom ik over den muur en bekeek ik het slot van alle kanten. Het bestaat uit een paleis waarin van binnen weer twee andere paleizen zijn gelegen. In het binnenste paleis zijn de keizerlijke vertrekken gelegen, die ik o, zoo graag zou willen zien, maar, hoe zou ik daàr nu in kunnen komen? De poorten, die van het buitenste paleis naar het binnenste voerden, waren bij lange na niet zoo hoog als mijn kuit en niet breeder dan mijn dijbeen. Daar kon ik dus niet door. Over het buitenste paleis klimmen? Neen, dat ging ook niet. Het kwam bijna tot aan mijn kin, en bij overklimmen zou het gemakkelijk kunnen gebeuren, dat ik er iets vanaf zou brokkelen. Wat nu te doen? Ik ging naar het park van den keizer en kapte met mijn zakmes eenige der grootste boomen om, en uit het hout vervaardigde ik twee krukken van drie voet hoogte. Met deze krukken klom ik in den tuin van het binnenste paleis, ging op de eene staan, tilde de andere over het dak en zette hem voorzichtig in den tuin van het tweede paleis. Nu kon ik gemakkelijk van de eene kruk op de andere stappen, en daarna de eerste kruk met een haak naar mij toe te trekken. Zoo kwam ik dan in den tuin van het binnenste paleis, waar ik mij dan zóó op mijne zijde legde, dat mijne oogen op gelijke hoogte kwamen met de vensters van het middelste paleis. Daar zag ik nu de heerlijkste pronkkamers, die denkbaar waren en in de allerschoonste bevond zich de bevallige keizerin, de nog bevalliger prinsen en de allerbevalligste prinsessen.

Ik bekeek het paleis van alle kanten.

Ik bekeek het paleis van alle kanten.
Ik bekeek het paleis van alle kanten.

Wanneer een klein meisje dit in plaats van mij gezien had, zou het van verrukking in de handen hebben geklapt bij het aanschouwen van deze poppenkamer.

Hare Majesteit de keizerin knikte mij zeer vriendelijk toe maar op haar schoot zat, naar het mij toescheen een vlieg, die tegen mij blafte. Maar, het was heelemaal geen vlieg, maar een hondje. De hooge Vrouwe stak mij door het venster hare hand toe opdat ik deze zou kussen. Ik hield met beide handen mijn snor weg om de keizerin niet te verwonden, ik drukte mijne lippen zeèr, zeèr langzaam en voorzichtig op hare vingertoppen en ik kon het met den besten wil van de wereld niet helpen, dat ik haren geheelen onderarm kuste. Zij scheen daarover gebelgd en trok snel hare hand terug.

Toen ik mijn hoofd diep tegen den grond aandrukte, kon ik met mijn linkeroog in het sousterrain zien, waar de keukens waren. Wanneer het kleine meisje in mijn plaats diè zou hebben gezien, dan zou ze van verrukking gedanst hebben. In die keuken wemelde het van allersnoezigste potjes en pannetjes en kannetjes, en mesjes en vorkjes en kokjes en keukenmeisjes. Een van die keukenmeisjes plukte juist een leeuwerik ter grootte van een Onze-Lieve-Heers-beestje, en de kaarsrechte chef-kok, die zoo dik was als een witte pruim en haast niet loopen kon, maakte juist appelbeignets, die zoo groot waren als peperkorrels. Nu kan men nagaan hoe klein die wel waren.

Daar ik mij nu vrijer kon bewegen, leerde ik langzamerhand eenige van de zeden, gebruiken en wetten van dit vreemde land kennen, maar ik wil daarvan slechts die mededeelen, die zich opmerkelijk van de onze onderscheiden. Zoo is het bij voorbeeld merkwaardig, dat de Liliputters niet van links naar rechts schrijven zooals wij, ook niet van rechts naar links, zooals de Arabieren en de Hebreeuwers, ook niet van boven naar beneden als de Chineezen, en ook niet van beneden naar boven zooals de Caskagiërs, maar schuin, van beneden links naar boven rechts, zooals bij ons de dames doen, wanneer zij bij het schrijven aan het dansen denken. Om nu maar eens bij de dames te blijven, worden lafheid, zwakheid en flauw gedoe in Liliput evenzeer afgekeurd bij een vrouw als bij een man. Overigens willen de vrouwen volstrekt niet op de mannen lijken. Ze weten toch wel, dat ze precies evenveel waard zijn als deze.

Wanneer een leugenaar bij het liegen betrapt wordt, en men hem "leugenaar" noemt, dan wordt degene, die gelogen heeft gestraft en niet degene, die hem leugenaar heeft genoemd. Dus precies het omgekeerde als bij ons.

De lasteraar daarentegen, die zijn medemensch met opzet valsch beschuldigt, wordt met den dood gestraft en dengene, die, wanneer gebleken is, dat het laster was toch nog zegt: "Nou, er zal toch wel ièts van waar zijn!" wordt de tong afgesneden.

Ondankbaarheid wordt daar gehouden voor een bewijs van een slecht karakter. Wie zich daaraan schuldig maakt, wordt voor altijd bij iedereen geweerd. Men zegt namelijk: "Wie geen hart toont voor degenen, die hem weldaden bewezen hebben, hoe zal die wel handelen tegenover menschen aan wie hij niets te danken heeft! Die heeft het hart van eenen misdadiger en moet als zoodanig behandeld worden!"

Bedrog, verduistering, kortom misbruik van vertrouwen maken, wordt in dit land veel zwaarder gestraft dan diefstal. Een man was er eens met een som gelds, die hem toevertrouwd was, van door gegaan, maar hij werd gepakt en tot een zeer zware straf veroordeeld. "Waarom?" zoo vroeg ik den rechter, "wordt die man tot zulk een zware straf veroordeeld? Hij heeft toch niet gestolen, hij heeft toch alleen maar misbruik van vertrouwen gemaakt!" "Juist daarom!" antwoordde de rechter. "Den dief heeft men geen vertrouwen geschonken en met eenige voorzichtigheid kan men zich voor hem hoeden, maar tegenover den bedrieger is een fatsoenlijk mensch weerloos, en hoe fatsoenlijker hij is, des te weerloozer is hij. De wereld berust op vertrouwen, daarom steelt degene, die iemand zijn vertrouwen afneemt, duizend maal meer dan wanneer hij goud of edelgesteente zou stelen!" Toen de rechter aldus gesproken had, schaamde ik mij van harte voor mijne vraag.

Bij de verdeeling van betrekkingen wordt meer op braafheid dan op verstand gelet. "Want," zeggen de Liliputters, "het is niet zoo moeielijk een land te regeeren, maar moeielijk is het, daarbij eerlijk te blijven. Ook kan een domheid van een eerlijk man niet zooveel nadeel berokkenen, als een schurkenstreek van een knappen man."

Dit schenen mij allemaal zeer goede stelregels toe, maar men moet nu niet gelooven, dat de menschen zoo goed waren als hunne stelregels. Ontaarding kwam ook hier herhaaldelijk voor. Ik heb al verteld, nietwaar, dat de hoogste staatsbetrekkingen door koorddansen, door springen en kruipen konden verkregen worden, en hoe het hier met de dankbaarheid gesteld was, dat zou ik wel gauw genoeg zelf ondervinden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings