← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK III.

Reading edition

BESCHRIJVING VAN HET LAND DER LILIPUTTERS EN VAN ZIJN VORST. GROOTE OPWINDING WAARNA MEN WEDER EENIGSZINS TOT RUST KOMT.

Toen ik voor het eerst rechtop stond, overzag ik een buitengewoon groot stuk van het land en dit bracht mij in mijne gedachten naar mijn jeugd terug, toen ik in onze groote woonkamer op den grond gezeten met mijne bouwdoos zulke steden had gebouwd, als deze hoofdstad van het land. Het heele land leek op een groot grasveld. Er waren akkers en weiden van de groote van een schaakbord af, tot aan zulke, die de grootte hadden van het allergrootste tafellaken van mijne moeder en daartusschen bosschen die men met vier twee-persoons beddelakens niet zou kunnen bedekken. In een bosch dicht bij mij, zag ik reuzenboomen, die wel vele eeuwen oud moesten zijn, en die zoo hoog waren als bij ons thuis een jongetje van een jaar of acht.

De dieren waren natuurlijk in verhouding daarvan even klein. Paarden en runderen waren zoo wat van de grootte van een eekhoorntje zonder staart, de ganzen niet grooter dan bij ons een roodborstje; de vliegen waren nauwelijks zichtbare stippen en de vlooien, zooals ik later bemerkte, waren geheel onzichtbaar, maar voelen kon je ze wèl. Voor de bewoners van Liliput waren zij natuurlijk wèl zichtbaar; deze menschjes kunnen namelijk zeer scherp maar niet ver zien. Ze zien wanneer hunne vliegen hun slurfjes schoonmaken, ze zien natuurlijk ook de zon en de maan; van de sterren zien zij alleen de dicht-bijzijnde als zij erg schitteren; maar een heel overzicht van het uitspansel hebben ze niet.

Terwijl ik nog in den aanblik van dit landschap was verzonken, reed de keizer met zijn gevolg naar mij toe, maar dat zou hem bijna duur te staan zijn gekomen. Zijn paard werd schichtig toen het mij zag en begon te steigeren. Maar de keizer was een schitterend ruiter en wist zich in den zadel te houden. Hij gaf nu last mij eten en drinken te brengen en dadelijk kwamen twintig wagens met eetwaren en tien met dranken aanrollen.

Ik nam den eenen wagen na den anderen op en ledigde hem in mijnen mond. Allen waren wederom verbaasd over dit wonderwerk; de keizerin en eenige prinsessen en hofdames die eveneens bij dit schouwspel tegenwoordig waren, trokken haar neusjes op over mijnen eetlust, wat ik best zag al waren hare neusjes niet langer dan een kleine mier. Toen ik mijn eten op had naderde de keizer mij tot op drie Meter afstand, zoodat ik hem heel goed kon zien, maar om hem nog beter te kunnen bekijken ging ik op mijn zij liggen en daar ik hem bovendien later dikwijls genoeg in mijne hand heb gehouden, kan ik hem heel nauwkeurig beschrijven. Hij was een zeer forsche eerbied-inboezemende verschijning want hij stak wel de breedte van den nagel van mijn pink boven zijn omgeving uit; zijn optreden was voornaam en waardig. Hij was geen jonge man meer, want hij was acht en twintig jaar en de menschen in dit land leven korter dan wij. Reeds op hun tweede jaar gaan de kinderen naar school; als zij twaalf zijn trouwen de meisjes en de jongens als zij vijftien zijn.

De gelaatstrekken van den keizer waren flink en mannelijk; hij had een beetje hangende onderlip en een adelaarsneus. Zijne stem was wel zacht maar toch helder en duidelijk. Zijne kleeding was eenvoudig en voornaam; een gouden met juweelen versierde helm waaraan een deftige pluim wapperde, tooide zijn hoofd. Zijn sabel, waarvan het handvat en de scheede eveneens rijk met goud en diamanten waren bezet, had de lengte van een tamelijk groote naald en hij hield haar steeds getrokken om zich dadelijk te kunnen verdedigen wanneer ik hem misschien zou willen aanvallen. Zijn hofstoet was zoo kostbaar en bont gekleed, dat het wel leek, alsof men de rijk-geborduurde baljapon van eene dame op den grond had uitgespreid. Zijne majesteit sprak zeer lang en zeer minzaam tot mij en ik antwoordde eerbiedig en bescheiden maar wij verstonden er beiden geen woord van. Eindelijk riep de keizer een groot aantal geleerden bij elkaar—ik kon aan hunne kleeding zien, dat het geleerden waren—en ik sprak ze in verscheidene talen aan: in het Engelsch, Fransch, Italiaansch, Latijn, Grieksch, hoog-en-plat-Duitsch, maar niemand verstond mij.

Twee uur later trok de hofstoet zich terug en ik bleef achter onder een sterke bewaking, die mij tegen de nieuwsgierigheid, ruwheid en baldadigheid van het gepeupel moest beschermen. Het duurde dan ook inderdaad niet lang, of eerst enkele en daarna steeds meer menschjes begonnen mij met steenen te gooien; ja enkele schoten zelfs pijlen op mij af en het zou best kunnen zijn, dat ik door een van die pijlen een oog kon verliezen. Toen liet de commandant van de wacht zes van de boosdoeners gevangen nemen en ze boeien. Daarna leverde hij ze aan mij over. Ik pakte ze beet en stak eerst vijf van hen in mijn rechterjaszak; den zesden nam ik in mijn linkerhand alsof ik hem wilde opeten. Het manneke piepte van angst, als een jong konijn wanneer de vos hem te pakken heeft. En toen ik nu ook mijn zakmes trok dat tweemaal zoo lang was als de heele misdadiger, verstijfden allen van schrik. Ik sneed echter alleen maar de boeien van den gevangene los, zette hem op den grond, gaf hem met mijn wijsvinger een zacht duwtje tegen zijn achterste en liet hem loopen. Hetzelfde deed ik met de anderen en ik merkte, dat deze handelwijze op het volk en op de soldaten een uitstekenden indruk maakte en dat ik daardoor bij hen in de gunst kwam.

Veertien dagen lang, woonde ik in en bij mijnen tempel, en gedurende dien tijd werd er een bed voor mij klaargemaakt. Honderdvijftig matrassen werden aan elkaar genaaid. Deze hadden voldoende lengte en breedte voor mijne grootte en aangezien vier van zulke matrassen op elkaar moesten gestapeld worden, gebruikte ik zeshonderd van hunne matrassen.

Op dezelfde manier werden lakens, dekens en hoofdkussens gereed gemaakt en niettegenstaande dit alles lag ik nog tamelijk hard. Intusschen kwamen nog dagelijks uit alle deelen des lands de menschen in dichte drommen toestroomen om mij te bekijken. Men liet de zaken rusten; het bedrijf lag stil: de schoenmakers leverden geen schoenen meer af, de kleermakers maakten geen kleeren, de bakkers bakten geen brood meer en de boeren melkten hunne koeien niet; de jongens bleven uit school weg en de vrouwen lieten haar potjes en pannetjes in den steek. Allen lieten den arbeid liggen om het vreemde monster te gaan bekijken. Toen liet de keizer het bevel uitvaardigen dat allen, die mij eenmaal gezien hadden weer naar huis terug moesten keeren en het niet moesten wagen voor de tweede maal te komen. Maar dat hielp niet veel, want de staatsambtenaren waren omkoopbaar en wie hun een flinke fooi gaf lieten zij door.

Dadelijk na zijnen terugkeer in de residentie, had de keizer den Raad van Staten om zich vereenigd en ik bereidde aan deze hooge vergadering geweldig veel hoofdbreken. Men schilderde in schelle kleuren de vreeselijke gevaren af waaraan ik het land zou kunnen blootstellen.

Sommige der raadslieden zeiden: "als hij zich nu eens los zou rukken! Als hij maar even zijne hand uitsteekt kan hij heele steden verwoesten. Op eene wandeling door het land kan hij ons den heelen oogst vernietigen, en de heele bevolking vertrappen!"

"Dàt zouden wij in ieder geval wel kunnen verhinderen," riepen anderen uit, "want wij zijn immers niet weerloos, maar, wij moeten hem voeden en als hij zoo doorgaat met vreten—want eten is dat niet meer—, duurt het niet lang meer of wij krijgen hongersnood."

Nu gaf een ander den raad, dat men mij maar eenvoudig zou laten verhongeren, en weer een ander van de heeren vonden het 't beste mij door vergiftige pijlen te dooden.

"En wat moeten we dan met zoo'n dooden reus doen?" riep een derde.

Terwijl men nog bezig was over mijn lot te beraadslagen, kwamen twee officieren, die mij mede bewaakt hadden in de raadzaal en gaven den keizer verslag van de zachtmoedigheid, die ik tegenover de zes misdadigers had betoond. Deze mededeeling bracht een volkomen ommekeer in de gevoelens teweeg, en de keizer beval nu,—en de Raad van Staten was het daarmeê eens,—dat alle burgers van iedere negen honderd Meter in het vierkant, mij dagelijks zes runderen, veertig schapen en ander vleesch, en eveneens drie honderd brooden, tien vaten wijn enzoovoorts, enzoovoorts, moesten leveren. De kosten daarvan zou hun uit de schatkist des keizers worden betaald. Er werden ook zes honderd man aangesteld om mij te bedienen. Zij kregen een onderkomen in de verschillende tenten naast mijn tempel. Dit groote aantal behoeft geen verwondering te wekken wanneer men bedenkt, dat voor het poetsen van een van mijne laarzen vijftien man noodig waren en voor het stoppen van een, niet zoo heel erg groot gat in mijne kous, twaalf touwslagers onder leiding van eenen baas aan het werk werden gezet. Het noodige waschwater moest natuurlijk door paarden worden aangevoerd. Voor waschkom had men mij het zwembassin van eene badinrichting gegeven en mijn scheerzeep roerde ik in een reuzenketel aan, die anders voor het bierbrouwen werd gebruikt. Het was zeer potsierlijk wanneer zij mijne jas terwijl ik ze aan had van achteren afborstelden. Dan werden boven aan de kraag wel twaalf touwen bevestigd, en de borstelaars klommen er op en af, zooals bij ons ververs doen wanneer zij een huis verven.

Voor het overige viel mijn kleeding niet in den smaak bij de bewoners van dit land; ze vonden het niet prettig, dat ik mij niet volgens de mode van hun land kleedde. Ook merkte ik op, dat zij het onfatsoenlijk van mij vonden, dat mijn hemd mijn heelen hals bloot liet, en dat mijne mouwen zoo kort waren, dat mijne polsen te zien waren. Daarom werd aan drie honderd kleermakers de opdracht gegeven mij een nieuwe jas te maken en twee honderd naaisters moesten ondergoed, tafellakens en beddegoed voor mij naaien. De kleermakers waren zoo slank als libellen. Zeven van hen konden op een kippenei staan en ze huppelden op en neer als jonge veulens. Het grofste linnen van de naaisters was niet dikker dan het dunste vliesje, dat men op een ei ziet als men den kop er af slaat, maar het fijnste was als nevel, en wanneer ik er zachtjes tegenaan blies, viel het uit elkaar. Het prachtigste kantwerk werd er uit vervaardigd. Voor mij moesten natuurlijk vele lagen van het grofste laken op elkaar worden gestapeld, om een doelmatig hemd of beddelaken te maken. Ik vond het bizonder prettig te kijken, hoe de naaisters een onzichtbaren draad in een onzichtbare naald staken, in den draad een nog altijd onzichtbaren knoop maakten en telkens wanneer er een naad klaar was, ze den draad met hare tandjes afbeten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings