HOOFDSTUK VIII.
Reading edition
IN LILIPUT IS NIET ALLES ZOO MOOI ALS HET SCHIJNT.
Zoodra ik mijn vrijheid verkregen had, begon ik ook, mij allerlei gemakken te verschaffen. Zoo maakte ik bij voorbeeld van de dikste boomstammen van het naastbij gelegen woud eenen stoel en eene tafel, waaraan ik mijne maaltijden kon houden. Mijn eten werd door driehonderd koks toebereid, die in hutten om mij heen woonden; iedere kok moest mij twee schotels leveren. Iedere schotel was één hap, ieder vat wijn nog geen slok. Terwijl ik at, stonden twintig bedienden op mijne tafel om mij te bedienen. Zij heschen met een katrol de spijzen naar boven, die onder de tafel door andere bedienden in een mand werden gezet. Zij dienden mij de volle schotels voor, ruimden de leege weg, enz. Daar het voor mij moeite was de spijzen met een mes te snijden, bediende ik mij voor dit doel van een hooivork.
Zij heschen met een katrol de spijzen naar boven.

Het konden zoowat veertien dagen geweest zijn, die ik genoegelijk in vrijheid had doorgebracht, toen op zekeren dag mijn vriend en beschermer, minister Neldresal per rijtuig bij mij kwam, het rijtuig met zijnen bediende op eenigen afstand liet stoppen, opdat deze niets van ons gesprek zou kunnen hooren en met een ernstig gelaat op mij toetrad.
Hij verzocht mij hem een uur lang gehoor te willen geven; ik verklaarde mij daartoe gaarne bereid, legde mijne rechterhand op den grond, wat een beleefdheidsvorm in Liliput was en zeide:
"Wilt u maar zoo vriendelijk zijn binnen te komen?" Toen tilde ik hem zoo hoog op, dat hij gemakkelijk en zonder dat hij behoefde te schreeuwen met mij kon spreken.
Hij wenschte mij geluk met mijne vrijlating, waar hij ijverig voor gewerkt had, maar die mij toch niet vergund zou zijn als de omstandigheden dit niet noodzakelijk hadden gemaakt. Hij zeide: "Van buiten af gezien, maakt ons land wel een bloeienden indruk, maar in werkelijkheid is dat alles niet zoo mooi. De waarheid is, dat er uiterlijke en innerlijke ontevredenheid heerscht. Reeds geruimen tijd is ons volk door een diepe kloof in twee partijen verdeeld, die van de "hooggehakten", en die van de "laaggehakten". Ze onderscheiden zich daarin, dat deze schoenen met hooge hakken, gene met lage hakken dragen. Nu zegt men wel dat de goede, oude zede hooge hakken eischt, ja, er bestaat zelfs een oeroude wet, waarin dit staat, maar Zijne Majesteit de keizer behoort tot de laaggehakten en dat geeft den doorslag. Zijne Majesteit duldt slechts lage hakken bij zijne ambtenaren, en het zal u wel niet ontgaan zijn, dat zijne eigen hakken nog een "drurr"[2] lager zijn, dan die der anderen. De haat van de vijandelijke partijen is zoò hevig, dat zij niet met elkaar in dezelfde kamer zouden willen eten of drinken en nooit een woord met elkander praten. Ik geloof wel, dat de hooggehakten in de meerderheid zijn, maar wìj hebben de macht. Nu schijnt het wel of Zijne Keizerlijke Hoogheid de kroonprins een weinig tot de hooggehakten overhelt. U zult ook wel bemerkt hebben dat een van zijne hakken wat hooger is dan de andere, waardoor hij een beetje mank loopt. Dit alles verontrust natuurlijk Zijne Majesteit en om zijne zorgen nog te vergrooten, bedreigen ons de bewoners van het eiland Blefusku met eenen inval in ons land. Blefusku is het andere groote keizerrijk van de wereld en is bijna even groot en machtig als het onze."
"Neem mij niet kwalijk, Excellentie, wanneer ik u in de reden val," waagde ik te zeggen, "in de artikelen, die ik voor mijne vrijlating heb bezworen staat immers, dat Zijne Majesteit de Alleenheerscher der Alleenheerschers is, wiens bezittingen tot aan de uiterste grenzen van de wereld reiken en bij wiens wenken de knieën van de vorsten van de aarde knikken. Nu zegt Uwe Excellentie zelf, dat er nog een tweede machtig keizerrijk bestaat en ik kan Uwe Excellentie verzekeren, dat ik oòk uit een machtig rijk kom en dat er op deze aarde nog meer zulke rijken bestaan."
De minister antwoordde hierop: "Wat uwe bewering betreft, dat er nog andere staten bestaan waarin menschen van uwe grootte wonen, moet ik zeggen, dat onze geleerden dit voor hoogstonwaarschijnlijk houden, omdat immers honderd wezens van uwe grootte, voldoende zouden zijn om al het vee en alle vruchten van een land in korten tijd te verdelgen. En, we hebben toch ook eene wereldgeschiedenis, die van zaken van zelfs zes duizend maanden geleden verhaalt en die van zulke staten en van zulke landen niets weet. Onze geleerden zijn veel meer de meening toegedaan, dan u van de maan of van een ster naar beneden gevallen is. Wat het keizerrijk Blefusku betreft, dàt bestaat zeker, maar aangezien de inleidingswoorden tot de artikelen, die u heeft bezworen, reeds van af het begin van de wereld zóó in gebruik zijn, en altijd zoo geluid hebben, mag men niet daarvan afwijken.
Dat keizerrijk Blefusku is onze grimmigste vijand; reeds zes en dertig maanden woedt er een bloedige oorlog tusschen hen en ons. De aanleiding tot dezen oorlog was het volgende: Het is algemeen bekend, dat men oorspronkelijk wanneer men een ei wilde eten het aan het dikste einde openmaakte. Nu bezeerde zich de grootvader van onzen tegenwoordigen keizer in zijn prilsten jeugd, toen hij eens een ei op deze wijze openmaakte, aan zijnen vinger. Ten gevolge daarvan, vaardigde zijn vader, dat is dus de overgrootvader van onzen tegenwoordigen keizer, een bevel uit, waarbij aan alle zijne onderdanen gelast werd hunne eieren slechts aan het dunne einde open te slaan. Deden zij dit niet, dan werden zij streng gestraft. Deze wet bracht groote verbittering onder het volk en had niet minder dan zes revoluties ten gevolge. Een keizer verloor daarbij zijn leven, en een andere zijne kroon. Deze opstanden strekten den keizer van Blefusku tot groote vreugde. Zij deden hun uiterste best om de dik-eiïgen in hunnen lust tot opstand te versterken en toen het ons eindelijk gelukte de opstandelingen te onderdrukken, vluchtten velen van hen naar Blefusku. Meer dan 11000 dik-eiïgen moesten in deze gevechten het leven laten. Zij wilden liever sterven dan hun ei aan den dunnen kant open te slaan. Er verschenen ook honderde dikke boeken over dezen strijd, maar de boeken van de dik-eiïgen zijn streng verboden. Een dik-eiïge mag ook nooit een hooge betrekking bekleeden."
Ik verzocht nu Zijne Excellentie naar mijne linkerhand over te stappen, daar mijn rechterarm sliep.
Hij vervolgde nu: "De naar Blefusku gevluchte dik-eiïgen, hebben nu de menschen daar zóó lang opgestookt en bij hunne partijgenooten hier in het land zóóveel steun gevonden, dat de beide staten sedert 36 maanden een verbitterden oorlog voeren. Dan eens is de overwinning aan onze zijde en dan weer aan de hunne.
Het kostte ons reeds 40 groote schepen en 30.000 dappere zeelieden en soldaten. De verliezen van den vijand schatten wij nog hooger. Nu hebben de Blefuskuneezen echter een reusachtige vloot uitgerust en daarmede denken zij ons bij de eerstvolgende gelegenheid te overrompelen. Zijne Majesteit, onze Allergenadigste keizer en heer heeft mij bevolen u hiervan mededeeling te doen, omdat hij in uw kracht en in uw dapperheid het grootste vertrouwen stelt."
Toen de minister uitgesproken was, boog ik diep en zeide: "Als vreemdeling zou ik mij niet veroorloven mij in den partijstrijd te mengen en een beslissing te nemen in de groote "eiervraag", maar wanneer vijanden het rijk van Zijne Majesteit bedreigen, dan spreekt het wel van zelf, dat mijn kracht en mijn leven geheel tot zijne vervoeging staan!"