HOOFDSTUK IV.
Reading edition
DE ZAKKEN VAN DEN HELD VAN ONS VERHAAL WORDEN GRONDIG DOORZOCHT.
De keizer gaf mij zes beroemde taalgeleerden tot leeraren opdat ik de taal van het land zou leeren. Verder gelastte hij, dat de paarden van het land dikwijls in mijne tegenwoordigheid moesten worden afgereden, om zoodoende gewend te raken aan den griezeligen aanblik van den wandelenden mensch-toren.
Daar mij het leeren van vreemde talen altijd gemakkelijk gevallen was, maakte ik ook nu goede vorderingen. De keizer kwam dikwijls en hielp de leeraren bij het les geven en heel gauw kon ik al tamelijk vloeiend met hem praten. Ik hoorde onder andere van hem, dat dit land een eiland was en Liliput heette.
Natuurlijk smeekte ik hem telkens weer, en ik vroeg er hem op de knieën om, mij toch mijne vrijheid terug te geven. Hij zei, dat dit pas later kon gebeuren en dat het er heelemaal van afhing hoe ik mij gedroeg. Ook moest hij dit met den Raad van Staten overleggen. In ieder geval zou ik eerst een vredes- en vriendschapsverdrag met de Liliputters moeten sluiten. Ik moest maar geduldig zijn, zei hij, en in de eerste plaats mij onderwerpen aan een grondig doorzoeken van mijne zakken. "Ik weet wel heel goed," zei de keizer, "dat we uwe zakken niet kunnen nakijken wanneer u dat niet wilt hebben, maar ik verwacht van uw grootmoedigheid en van uw rechtvaardigheidszin, dat u dit zult toelaten. Wat wij u, terwille van onze veiligheid afnemen, zal u bij het verlaten van ons land teruggegeven of vergoed worden."
Natuurlijk bleef mij niets anders over dan die nakijkerij maar goed te vinden, en zoo ontving ik de beide ambtenaren, die voor dit doel gestuurd waren heel beleefd en stopte ze in mijn zak. Ze doorsnuffelden achtereenvolgens al mijne kleedingstukken, en deelde den keizer over hun onderzoek eene verklaring mee, waarvan ik het volgende mededeel: Na de meest nauwkeurige, grondige en nauwgezette doorzoeking vonden wij in de zakken van den menschberg (zoo vertaal ik de, in de verklaring staande woorden, "Quimbus Flestrin") als volgend genoemde en beschreven voorwerpen:
Een stuk grof doek, van dat soort, dat wij voor de sterkste en grootste zeilen gebruiken en zoo groot als het tapijt in uwer Majesteits salon, (dat was mijn zakdoek).
Een zilveren doos waarvan wij het deksel, zelfs niet met vereende krachten, konden oplichten. Wij gelastten den menschberg de doos te openen en klommen als plichtsgetrouwe beambten erin. Dadelijk zonken wij tot aan de knieën in een zwartachtige stof waaruit een zoo verschrikkelijke reuk opsteeg, dat wij er zoo spoedig mogelijk weer uitklommen en ons onderzoek een half uur moesten schorsen, aangezien we onophoudelijk moesten niezen. Wij houden deze stof voor een verschrikkelijk wapen van den menschberg. Wanneer hij deze stof in uwer Majesteits Residentie zou rondstrooien, zouden alle zaken moeten gesloten worden en kon er door het niezen niet verder geregeerd worden,—(dat was mijne snuifdoos).
Een dikke bundel van aan elkander gehechtte witte stof van de grootte van drie menschen en met zwarte figuren (misschien letterteekens bedekt) dat was mijn dagboek.
Een soort lijst in harde stof vervaardigd ter grootte van zoowat anderhalf mensch. Aan den eenen kant zijn twintig kolossale palen. Het geheel gelijkt op een stuk rasterwerk, zooals dit bij Uwe Majesteit den tuin van den publieken weg afscheidt. Het komt ons voor, dat het den eigenaar dient om zijn haar te kammen, (hier hadden zij het eindelijk bij het rechte eind).
Twee holle ijzeren buizen van meer dan manshoogte. Beide zijn aan een geweldig groot stuk hout bevestigd. Aan iedere buis zitten aan den eenen kant reusachtige stukken ijzer van zeer eigenaardigen vorm. Wij vroegen den eigenaar naar het doel van deze machines, maar wij konden hem niet verstaan daar hij onze taal niet volkomen machtig is. (Het waren mijne pistolen).
Verscheidene ronde en platte stukken wit en rood metaal; de witte zouden wel zilver kunnen zijn en waren gedeeltelijk zoo groot als molensteenen en waren zóó zwaar, dat wij ze met ons beiden niet konden tillen. Men kan zich eene voorstelling maken van de zwaarte van deze stukken als men hoort, dat een van uwe onderdanigste dienaren op de tanden knarste toen een van die stukken op zijne teenen viel. (Dat was geld).
Twee zwarte buizen, die zoo groot zijn, dat wij onder in zijn zak staande, hunne uiteinden nauwelijks konden bereiken. In ieder van die buizen was een zeer groote reep staal bevestigd. Wij gaven den menschberg last ons deze, naar het ons voorkwam, zeer verdachte en gevaarlijke machines nauwkeurig te verklaren en wij begrepen uit zijne verklaring, dat hij de eene noodig had om zijn baard te scheren en de andere om vleesch, brood en dergelijke dingen in stukken te hakken. (Dat hadden zij goed begrepen).
Een zeer wonderlijke machine, die voor de eene helft uit zilver en voor de andere helft uit eene, in den beginne onzichtbare massa bestaat, en den vorm heeft van eene reusachtige kaas. Op den eenen kant van deze machine zagen wij vreemde letterteekens en twee lansen. Een van deze lanzen scheen van zelf te bewegen, alsof hij leefde. Wij wilden deze lansen aanraken maar wij stootten onze vingers aan de massa, die wij niet hadden gezien, hoewel ze niet onzichtbaar, maar alleen maar doorzichtig en heel hard was. Al dadelijk toen we in dien zak waren gekropen waarin die machine zich bevond, vernamen wij een oorverdoovend leven als in eene smederij of bij een watermolen. Op onze vraag om inlichtingen verklaarde de menschberg ons, dat dit lawaai van binnen uit de machine kwam. De menschberg zei vervolgens nog, dat hij die machine bijna bij alles wat hij deed, raadpleegde. Het zou kunnen zijn, dat men hier te doen heeft met een, in onze landstreken onbekend dier. Wij denken dit omdat de eigenaar het aan een ketting, zoo dik als een arm, gevangen houdt. Hij noemt dit wonder in zijn doffe, loeiende taal "een horloge". (Dat klopt). Hij noemt deze wonderlijke machine een horloge.

Een groot net, zooals onze visschers dat gebruiken, maar er zaten geen visschen in maar verscheidene stukken geel metaal. Wanneer deze van echt goud zijn, dan moeten zij van onberekenbare waarde wezen. (Mijn beurs). Behalve den inhoud van de zakken, vonden wij nog bij den vreemdeling:
Een zwaard ter lengte van zeven of acht man, en:
Een buidel met twee vakken. In ieder vak zouden zoowat drie onderdanen van Uwe Majesteit kunnen zitten. In het eene vak bevond zich een aantal zware metalen kogels ter grootte van ruim een hoofd, zooals onze kunstenmakers ze bij hunne voorstellingen plegen te gebruiken. In het andere vak bevonden zich een groote menigte zwarte korrels. (Dat was mijn zak met schietvoorraad).
Nadat de keizer dit alles had gelezen, naderde hij mij aan het hoofd van 3000 soldaten en verzocht mij in vriendelijke woorden de genoemde voorwerpen af te geven. Ik gespte mijn sabel los en trok deze uit de scheede. Dit had een algemeene ontsteltenis ten gevolge. Ik zwaaide zoo'n beetje met mijn zwaard door de lucht en ofschoon het een beetje verroest was, schitterde het toch nog in het zonlicht. De Liliputters durfden niet in de schittering van mijn zwaard te kijken en sloegen angstig de handen voor het gezicht. Zoo ongeveer zal het de leeuwerik en hare jongen te moede zijn wanneer de zeis des maaiers over hunne hoofden zwaait.
Alleen de Keizer behield, ofschoon het hem moeite kostte, zijn kalmte; met eenigszins bleeke lippen vroeg hij mij het wapen op een afstand van zes voet ver van mij op den grond te werpen. Dit deed ik, maar door het schudden van den grond, sprongen de dichtstbijstaanden als ballen in de hoogte, en de paarden der ruiterij werden onrustig en steigerden. Nu verlangde Zijne Majesteit de werking der "holle ijzeren buizen" te leeren kennen.
Ik haalde mijne pistolen te voorschijn, liet zien hoe zij in elkander zaten, en nadat ik den vorst gewaarschuwd had, dat hij niet moest schrikken, laadde ik een der pistolen met los kruit, (dat in den waterdichten zak volkomen droog was gebleven) en schoot in de lucht.
Het had eene uitwerking alsof ik met bommen onder de menigte had geschoten. Honderden en honderden vielen als dood op den grond, de vrouwen vielen allen in zwijm; de keizer bleef wel op zijne voeten staan, maar wankelde toch even. Hij hield zijne oogen gesloten, zijn gezicht was doodsbleek en het zweet parelde hem op het voorhoofd. Met een stom gebaar gaf hij mij te kennen, dat ik deze wapens moest uitleveren. Ik gaf mijne pistolen en mijn schietvoorraad af en ik maakte hem erop merkzaam dat men het kruit niet met vuur in aanraking mocht brengen. Ik leverde eveneens alle andere genoemde voorwerpen uit.
Ik schoot mijn pistool af, en de uitwerking was overweldigend, 't was voor die kleine menschjes alsof er een ontploffing plaats vond.

Mijn horloge, waarover de geleerden, die aanwezig waren elf verschillende meeningen hadden, die door ieder hunner fel werd verdedigd, werd door twee sterke arbeiders weggebracht. Zij schoven een zwaren balk door den ring en namen hem over de schouders. De ambtenaren hadden noch mijn bril, noch mijn zakverrekijker en mijn kompas gevonden, want die voorwerpen droeg ik in een geheimen zak, en daar die dingen voor de menschen in Liliput geen waarde hadden, behield ik ze.