HOOFDSTUK II.
Reading edition
GULLIVER KRIJGT TE ETEN, EN WORDT ONDER STERKE BEWAKING NAAR DE RESIDENTIE GEBRACHT EN DAAR TENTOONGESTELD.
Ondertusschen verzamelden zich hoe langer hoe meer van deze menschjes om mij heen, en het was mij aanhoudend alsof er een gegons als van een zwerm bijen in mijne ooren klonk. Na een poosje hoorde ik aan mijn rechterkant een geklop. Zoo ver ik maar kon, draaide ik mijn hoofd die richting uit en ik zag, dat men eene tribune timmerde, die iets boven mijn neus uitstak. Toen maakte men de touwen aan den linkerkant van mijn hoofd heelemaal los en nu kon ik gadeslaan hoe een mannetje, dat wel van heel hoogen afkomst moest zijn,—want een page niet grooter dan mijn duim droeg zijn sleep—de tribune opklauterde en zich tot mij wendde.
Hij hield eene lange redevoering tegen mij met een stem als een kanarievogel. Ik snapte er natuurlijk geen stom woord van, maar uit den klank van zijn stem, en uit zijne verschillende gebaren begreep ik toch wel, dat hij mij met iets ergs dreigde in geval ik weerstand zou bieden en hij mij veel goeds beloofde als ik mij naar den wil van de kleine menschjes zou voegen. Ik wilde antwoorden, maar al bij het eerste woord, dat ik zei waggelde de heele tribune, zoodat de deftige redenaar wankelde en alle aanwezigen de vingers in de ooren stopten. Ik sprak daarom heel zacht en onderdanig eenige woorden, stak, om er kracht bij te zetten mijn linkerhand in de hoogte en keek op naar de zon alsof ik deze tot getuige aanriep.
En toen bracht ik den kleinen menschjes, door dat ik telkens mijn vinger naar den mond bracht en de beweging van kauwen maakte, aan het verstand, dat ik vreeselijken honger had. Dadelijk werden er laddertjes tegen mijn lichaam gezet en meer dan honderd man, klommen, met eetwaren beladen, naar boven. Ze brachten mij talrijke hammen, halve schapen en ossen. Alles was lekker klaargemaakt en smaakte mij uitstekend; een halve os stond gelijk aan vier lekkere hapjes; van de hammen stak ik er dadelijk een stuk of wat tegelijk in mijn mond. Ook van de brooden, die de grootte hadden van kleine kersen, at ik er verscheidene tegelijk op. De menschjes stonden om mij heen en schreeuwden en staken de armen in de lucht van verbazing over mijn eetlust of ze lachten hard, of zij sperden sprakeloos mond en oogen open, wanneer weer een half schaap achter mijne kiezen verdween. Nu toonde ik door gebaren, dat ik drinken wilde en zij brachten mij een reuzenbeker van de grootte van een vingerhoed, waarvan de sage vermeldde, dat een muzikant dien eens tweehonderd jaar geleden in één teug geledigd had. Maar zij begrepen, dat mij die paar droppeltjes niet tegen den dorst konden helpen en zij rolden een groot vat naar mij toe waarvan zij het deksel afsloegen. Er zat zooveel in als een, niet heel groot theekopje, kan bevatten en ik dronk het in één teug leeg.
Toen dronk ik nog een tweede vat leeg; maar toen ik om een derde vroeg hadden zij er geen meer. Nadat nu mijn middagmaal was afgeloopen, stroomden zij weer van alle kanten toe en voerden op mijn lichaam een waren vreugde-dans uit. Dit kriebelde mij en daardoor werd ik herhaaldelijk in verzoeking gebracht om een hand vol van dit gespuis op te nemen en tegen den grond te kwakken, maar ik bedacht toch iets beters. Zij hadden immers om zoo te zeggen mijn eerewoord, dat ik mij naar hunnen wil zou schikken en dan hadden zij mij toch ook groote gastvrijheid bewezen, die hun nogal wat kostte en die moest mij toch heilig zijn en dan, waren zij wel klein, maar toch heelemaal zoo ongevaarlijk niet, want dat hadden zij mij wel door hunne pijlen doen voelen. Door hun groot aantal, vormden zij een macht, die mij misschien nog iets veel ergers kon doen dan ze tot nog toe hadden gedaan.
Terwijl ik zoo het een en ander overdacht, kwam een hooge ambtenaar met gevolg naar mij toe; hij hield een groote rol in zijn hand. Hij stapte op mijn scheenbeen, schreed op tot mijn borst, ontrolde zijn keizerlijk manifest en liet het mij zien. Toen sprak hij ongeveer tien minuten lang en wees daarbij herhaaldelijk naar een richting in de verte, waar, zooals ik later vernam de hoofd- en residentiestad van het land lag. Ik gaf hem te verstaan, dat ik weer graag vrij zou willen zijn, maar dat weigerde hij door zeer beslist met zijn hoofd te schudden.
Nu gaf hij bevel, dat men de wonden, door de pijlen veroorzaakt, met zalf zou insmeren, waardoor pijn en jeuk al heel gauw overgingen en daarna sliep ik in. Ik sliep, zooals men mij later vertelde, acht uren lang en dat kwam daardoor, dat men in den wijn, dien men mij had gegeven, een slaapmiddel had gedaan.
Terwijl ik sliep maakten de bewoners van dit zonderlinge land de noodige toebereidselen om mij naar hunne hoofdstad te brengen. Eigenlijk was dit zeer vermetel van hen om eenen, zoo grooten man naar de hoofd- en residentiestad te voeren, maar zij durfden dit omdat zij met zoovelen waren en zij dachten bepaald dat zij het met mij wel konden klaar spelen.
Vijf honderd timmerlieden en wagenmakers hadden intusschen een wagen in elkaar gezet, die zoo lang was als ik, en op twee en twintig wielen liep. Nadat er tachtig palen ingeheid waren wond men mij even zoovele koorden om mijn hals, mijn buik, mijn borst, en mijn beenen en toen heschen zij mij op. Negen honderd arbeiders spuwden eerst in hunne handen en trokken toen uit alle macht, en zij hadden nog niet eens drie uur er voor noodig om mij op de wagen te krijgen. Ik sliep zoo vast, dat ik van den heelen boel niets merkte; eerst later vertelden zij het mij. Toen ik op den wagen was vastgebonden, werden er 1500 van de grootste, sterkst-gespierde werkpaarden voorgespannen; deze dieren waren zòo groot, dat er maar twee van hen op mijne hand konden staan. Het kwam mij voor, dat ik een klein uur noodig zou hebben om naar de hoofdstad te loopen: wij reden dus een heelen dag door, hielden 's nachts in een bosch halt, en waren den volgenden middag nog maar honderd vijftig gewone menschenpassen van de stad verwijderd.
Toen ik op den wagen was vastgebonden, werden er 1500 van de grootste werkpaarden voorgespannen.

Hier kwam keizer Bimbul XVII met zijne gemalin Zimpilla en zijn heelen hofstoet ons te gemoet. De dappere vorst wilde mij dadelijk beklimmen maar de keizerin en het heele hof, bezworen hem vurig zijn kostbaar leven toch niet in gevaar te brengen en toen liet hij het maar. Op de plaats waar we stopten, stond een reusachtige oude tempel, die niet meer voor de godsdienstoefening gebruikt werd. De poort ervan was zoò hoog, dat ik er door kon kruipen en de binnenruimte was juist voldoende om mij er uit te strekken. Bij den ingang van dezen tempel werd ik aan mijn linkerbeen vastgeklonken. Ze hadden daartoe 91 kettingen noodig, die zoo sterk waren als bij ons dameshorlogekettingen, en zij gebruikten behalve dien nog 36 sloten.
Tegenover den tempel stond een soort Babylonische toren, die bijna zoo groot was als ik.
De keizer besteeg met zijn gevolg dezen toren om mij te kunnen overzien. Het aantal menschen, dat uit de stad kwam toestroomen om mij te bekijken werd op meer dan 100.000 geschat en het gebeurde menigmaal, dat er wel 10.000 tegelijkertijd op mijn lichaam rondliepen. Tienduizend menschen hadden te zamen een gewicht van ongeveer 30 pond; ieder van hen woog zooveel als bij ons een gewone brief; vier wogen zooveel als één kippenei. Een pasgeborene woog zooveel als een kleine kruisbes. De druk van deze menschenmassa zou dus wel te verdragen zijn geweest, wanneer zij zich maar wat behoorlijker hadden gedragen. De meesten maakten niet eens hunne schoenen schoon voor zij mij beklommen, maar beklopten en bepikten mij heel ongegeneerd met hunne wandelstokken; sommigen gingen zoover, dat zij mijn voorhoofd met den knop van hun wandelstok beklopten; anderen kropen in al mijne zakken; weer anderen bestegen mijn neus om van daaruit een vergezicht over de stad te kunnen genieten. Een brutale rakker stond op mijn onderlip en kibbelde met een ander, die op mijn bovenlip stond over de breedte van mijn mond, totdat ik van verveling moest gapen. Toen vielen zij er met een ontzettend gegil af.
Daar mijn borst en mijn buik bij het ademhalen voortdurend op en neer gingen werden verscheidene van mijne bezoekers zeeziek, en toen zelfs een dame in het knoopsgat van mijn vest een been brak, vaardigde de keizer een verbod uit, dat mij voortaan niemand meer op straffe des doods zonder bizonder verlof mocht beklimmen.
Een luide, doordringende gil klonk van uit de menigte, toen ik mij oprichtte.

Toen ik dus met zoo buitengewoon veel voorzorg was vastgeklonken, sneden ze eindelijk de touwen los, waarmee zij mij op den wagen hadden vastgebonden, en voor de eerste maal sedert ik dit land had betreden, richtte ik mij op.
Eèn luide, doordringende gil klonk van uit de menigte, daarna volgde een diepe stilte en toen een stemmengegons als van honderdduizend musschen. Dat ik een reuzenmonster was, dat hadden ze wel gezien, maar zòo groot hadden zij zich den vondeling toch niet voorgesteld. Het duurde lang voor zij eenigszins tot kalmte kwamen over mijne grootte. Aangezien mijne kettingen mij veroorloofden, mij in eenen halven cirkel van ongeveer twee el te bewegen, of mij in den tempel juist heelemaal uit te strekken, leek mijne woning op een tamelijk groot hondenhok.