← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK XI.

Reading edition

DE VIJANDEN VAN ONZEN HELD ZIJN IN DE WEER.

Mijn doodsvijand Bolgolam had in den schatmeester Flimnap een ijverigen bondgenoot gevonden. Ik was "Nardak", dat wil zeggen, "Zon naast den Heerscher" en hij was slechts "Glumdak" dat wil zeggen "Fakkel des Heerschers", en dit alleen was reeds genoeg om mij te haten. Maar, er kwam nog iets veel ergers bij; hij beweerde, dat ik de geldmiddelen van het land uitputte.

Toen ik bij den keizer nog in de gunst stond, had hij zichzelf met zijne gemalin en verscheidene menschen van het Hof, waaronder ook Flimnap zich bevond, ten eten genoodigd. Ik liet natuurlijk een bizonder lekker maal klaar maken onder anderen eene ossenpastei met vet gemeste kalveren opgemaakt. Dien dag at ik bizonder veel.

1e Omdat ik eetlust had.

2e Omdat ik mijn gasten een goed voorbeeld moest geven.

3e Omdat ik hunne bewondering wilde afdwingen.

4e Omdat ik den roem van mijn vaderland had hoog te houden.

Flimnap at echter niets anders dan een leeuwerik-tongetje. Hij leed namelijk al zeven jaar aan een maagkatarrh, omdat hij eens bij zijn ontbijt 25 kievitseieren[3] had gegeten.

Al dadelijk toen hij van het diner terugkwam, had hij, zooals ik later vernam, den keizer uitgelegd, dat ik door mijn eten den Staat bankroet zou maken. Hij zei, dat het geld in de schatkist steeds meer slonk, en dat men reeds een leening had moeten sluiten en dat de menschen al langzamerhand ontevreden begonnen te worden. Tot nu had ik het land reeds 1½ millioen "sprugs"[4] gekost, wanneer dit nog een poosje zou voortgaan, bleef er heelemaal niets over. Ik moest dus afgeschaft worden. Tot overmaat van smart had een schurk den braven Flimnap stilletjes verteld, dat zijne vrouw veel van mij hield, en heel dikwijls naar mij kwam kijken. Zelfs de keizerin was dit ter oore gekomen, en was daar zeer ontstemd over.

Ik kreeg veel bezoek, vooral van dames, die dan hare equipages op mijne tafel lieten wachten, en al deze equipages vormden een "file" zooals men dat in groote steden bij het aan- en uitgaan van comedies en opera's wel ziet.

Ook de vrouw van den schatmeester kwam mij geregeld bezoeken, maar nooit—dat zweer ik—heb ik met deze achtenswaardige dame over iets anders gesproken, dan waarover ik met de andere dames altijd praatte, en alleen heb ik haar nooit ontvangen.

Als eenvoudig man kwam ik natuurlijk in mijn vaderland nooit met vorsten in aanraking. Zoo kwam het, dat ik er geen idee van had, dat de menschen aan het Hof heel jaloersch op elkaar waren, en elkaar altijd een mooie betrekking misgunden. Van zulke kleine menschjes als de Liliputters zijn, had ik dit zeker niet verwacht. Langzamerhand begreep ik echter, dat ik mij op dit punt vergist had. Deze menschjes waren weliswaar klein van gestalte, en hadden weinig kracht, maar in boosaardigheid en haat en nijd deden zij niet onder voor een Europeaan. Hunne passen waren wel niet grooter dan een lid van een vinger, maar in slechtheid hielden zij gelijken tred met de langste van onze landgenooten.

Ik maakte mij juist gereed voor mijn bezoek aan Blefusku, toen ik 's nachts door een kloppen op mijne deur werd gewekt. Ik schoot mijn jas aan, maakte de deur open en zag toen een draagstoel met twee dragers. Uit den draagstoel zag ik het gezicht van eenen man, dien ik in het donker niet dadelijk kon onderscheiden. Hij gaf den beiden dragers een teeken, dat zij weg moesten gaan.

Toen vroeg de man, zonder zijn naam te noemen, of hij binnen mocht komen. Daar het mij voorkwam, dat hij mij in het geheim iets gewichtigs had te vertellen, stopte ik den heelen draagstoel met zijn inhoud in den zak van mijn jas, stuurde mijne bedienden weg, grendelde de deur en zette daarna den draagstoel op de tafel. Toen nu de geheimzinnige bezoeker zijn hoofd weer uit den draagstoel stak, herkende ik bij het maanlicht mijn vriend Sandribog. Ik had eens bij den keizer een goed woordje voor hem gedaan, toen hij voor een kleinigheid in ongenade was gevallen. Zijn schuld bestond hierin, dat eens, in tegenwoordigheid van den keizer zijn kous was afgezakt. Daar hij nu door mijn toedoen weer in genade was aangenomen, beloonde hij dit met een zeer trouwe en oprechte vriendschap.

"Waarde vriend," zei hij met een bezorgd gezicht, "ik heb u iets mede te deelen, dat in verband staat met uw leven en uw goeden naam. Val mij niet in de reden want ik moet dadelijk weer weg, daar niemand mag zien, dat ik mij bij u bevind.

Eene commissie samengeroepen door den keizer heeft in verscheidene geheime zittingen overlegd, wat er met u moet gebeuren. Twee dagen geleden heeft men een besluit genomen. Het is u bekend, dat admiraal Bolgolam uw doodsvijand is. Hij heeft eene forsche gestalte. Hij is bijna zoo groot als de keizer, en de dames van de hofhouding hielden allen veel van hem. Nadat u hier is gekomen, hebben ze slechts oogen voor u en daarom zwoer Bolgolam u eeuwigen haat. Hij gaf wel toe, dat u in zeker opzicht wat grooter is dan hij, maar dit zeide hij steeds met een van kwaadheid bevende stem. Toen u nu bovendien de vijandelijke vloot had verslagen, wat hem natuurlijk onmogelijk was geweest, kende zijne woede geen grenzen.

Hij diende nu met den schatmeester Flimnap, generaal Limtak, den kamerdienaar Lalkol, en den minister van justitie Balmuff een aanklacht wegens hoogverraad tegen u in, en daarover heeft men herhaaldelijk beraadslaagd. Het vonnis is in verscheidene artikelen samengesteld. Ik ben erin geslaagd daarvan een afschrift te krijgen. Ik zet mijn leven op het spel door het u voor te lezen, maar misschien kan het u van nut zijn, wanneer u op den slag, dien uwe vijanden u willen toebrengen, tenminste is voorbereid."

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings