← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK I.

Reading edition

GULLIVER WORDT SCHEEPSDOKTER, LIJDT SCHIPBREUK EN WORDT OP EEN VREEMD EILAND GEVANGEN GENOMEN.

Ik ben in Engeland op een klein landgoed te Nottinghamshire geboren.

Toen ik 14 jaar was, stuurde mijn vader mij naar de Hoogeschool te Cambridge.

Zoo kreeg ik dus al heel vroeg den smaak van het reizen te pakken.

Maar mijn vader had geen geld genoeg om mij te laten afstudeeren, en daarom deed hij mij drie jaren later bij een Londenschen chirurgijn in de leer.

Vier jaren bleef ik bij hem en leerde alles wat een gewone chirurgijn moet weten.

In mijn vrijen tijd hield ik mij met mijn liefhebberij-studiën bezig.

Ik had mij allerlei boeken over Wiskunde en over Zeevaartkunde aangeschaft en elk oogenblikje, dat ik maar voor mij zelf had, studeerde ik er vlijtig in, want ik had mij al lang voorgenomen dat ik later als ik ooit mijn eigen baas zou zijn, de heele wereld zou doorreizen, en juist Zeevaartkunde en Wiskunde komen zoo goed bij een reis om de wereld te pas.

Nadat ik dus vier jaren bij dien Londenschen dokter was geweest, had ik zooveel geld opgespaard, dat ik nog twee en een half jaar naar de Hoogeschool te Leiden kon gaan om daar in de medicijnen te studeeren. Ik vond het heerlijk, dat ik dat kon doen want ik begreep wel, dat ik dit alles, wat ik daar leerde later heel goed op mijne reis zou kunnen gebruiken.

Nadat ik daarna nog drie en een half jaar lang als scheepsdokter op menig schip had meegevaren leerde ik een allerliefst meisje kennen, waarmeê ik trouwde.

Het sprak van zelf, dat het nu voorloopig uit met reizen was en ik vestigde mij in Londen als dokter.

Veel verdienen deed ik helaas nog niet en daarom leek het mij het beste weer te gaan varen.

Zes jaren lang doorkruiste ik als scheepsdokter allerlei vreemde zeeën.

Gedurende die jaren had ik ruimschoots tijd genoeg voor mijzelf.

Ik las veel goede boeken, leerde vele vreemde talen, niet alleen uit boeken, maar ook door den omgang met vreemde volkeren.

Van kind af aan had ik een buitengewonen aanleg voor vreemde talen, en waarvoor je aanleg hebt, daar houdt je ook gewoonlijk van. Ik hoefde maar een paar weken onder eene vreemde bevolking te zijn of ik begreep de menschen al erg goed en kon ze in hunne taal zeggen, wat ik wilde.

Wij zeilden de heele wereld om, en daar ik niet alleen een groote, maar ook een sterke en gezonde man was, doorstond ik alle vermoeienissen uitmuntend.

Maar eindelijk verlangde ik toch weer naar vrouw en kinderen; ik ging naar huis terug en werkte weer drie jaren lang in Londen als dokter.

Maar ik verdiende niet al te veel en daarom begon ik den vierden Mei 1699 met de "Antilope" mijne onvergetelijke reis door de Zuidzee.

Wij voeren van Bristol weg en hadden in het begin, dat wil zeggen bijna een half jaar lang, eenen volmaakt-voorspoedigen tocht.

Maar toen wij niet ver meer van Oost-Indië waren, brak er een storm los, die ons zonder genade altijd verder en verder naar het Zuid-Oosten dreef, totdat we ons (volgens onze schatting) ten Noord-Westen van Van Diemensland bevonden.

Door den mist liep hier ons schip tegen eenen rots, en sloeg te pletter. Tot ons geluk hadden wij al van te voren de reddingsboot uitgezet; ik ging er met zes anderen in en wij roeiden op goed geluk door.

Wij konden zoowat drie mijlen afgelegd hebben, toen een stortzee onze boot deed kantelen en wij allen in zee vielen. Wat er van de anderen werd weet ik niet; ik begon maar dadelijk te zwemmen. Daarbij liet ik dikwijls mijne beenen zakken om te onderzoeken of er nog geen grond te voelen was; maar telkens te vergeefs. Eindelijk had ik vasten grond te pakken en ik was dol blij over mijne redding, maar nog lang moest ik door het water waden voor ik eindelijk op het droge was. Het zal zoowat 's avonds acht uur geweest zijn toen ik den vasten wal betrad; ik liep wel een half uur landwaarts en vond noch menschen noch iets wat aan menschen deed denken, misschien omdat ik te moe en te uitgeput was om ook maar iets te kunnen opmerken. Toen liet ik mij in het zachte gras neervallen, viel dadelijk vast in slaap en ontwaakte eerst pas toen het al klaarlichte dag was.

Ik wilde opspringen—en schrok niet weinig: ik kon mij niet verroeren, dus nog veel minder opspringen. Ik was aan den grond gekluisterd. Met handen en voeten was ik vastgebonden en ook mijne lange haren waren op de een of andere manier aan den grond bevestigd. Ik voelde, dat ook over mijn lichaam en mijne beenen koorden of draden liepen, die mij iedere beweging onmogelijk maakten. Ik kon alleen maar naar boven kijken, maar ik moest spoedig mijne oogen sluiten voor het verblindende zonnelicht. Daarbij hoorde ik een verward geroesemoes om mij heen, en plotseling voelde ik op mijn linkerbeen iets levends kriebelen dat ik voor eenen kever of zoo iets hield; ik wilde het vangen—maar, ho maar! Mijne handen waren immers vastgebonden. Nu kroop het levende wezen hooger; nu eens voelde ik het op mijne borst dan weer in mijn nek en toen stond het op mijn kin, en nu kon ik als ik erg naar beneden keek herkennen, dat het een menschelijk wezen was niet veel langer dan mijn middelvinger. Het was met pijl en boog gewapend.

Met handen en voeten was ik vastgebonden en ook mijn lange haren waren aan den grond bevestigd.

Met handen en voeten was ik vastgebonden en ook mijn lange haren waren aan den grond bevestigd.
Met handen en voeten was ik vastgebonden en ook mijn lange haren waren aan den grond bevestigd.

"O!" riep ik onwillekeurig uit. Van schrik tuimelde de kleine man van mijn kin af en viel tusschen mijn nek en mijn boord. Met veel moeite krabbelde het weer naar boven en nu bemerkte ik, dat er nog wel veertig van zulke mannetjes over mijn borst en mijne armen marcheerden. Een bizonder klein kereltje was zoo brutaal zich met zijn zwaard een weg door mijn zwaren knevel te banen en het wilde juist met een lichtje, dat het te voorschijn haalde mijn linkerneusgat onderzoeken, toen ik door het kriebelen hard begon te niezen. Het gevolg hiervan was, dat de arme drommel en verscheidene van zijne vriendjes een grooten smak op den grond deden zoodat velen, zooals ik later vernam, bij het vallen armen, beenen en ribben braken. Nu probeerden zij mijn hoofd van achteren te beklimmen door langs mijn haar naar boven te klauteren. Ik had grooten lust mijn zakkam te voorschijn te halen om mij van dat gespuis te ontdoen; maar hoe bij mijn zak te komen? Er stond er al een op mijn voorhoofd en riep: "Hekinah Degul!" en allen die hem volgden herhaalden dien uitroep, die, zooals ik later hoorde, zooveel als "wat een monster!" beteekende. Ik moet zeggen, dat mij dit gezelschap niet erg beviel en toen nu een van hen zelfs in mijn linkeroor wilde kruipen, maakte ik met mijnen linkerarm eene zòo krachtige beweging dat het mij gelukte dien te bevrijden. Toen begonnen ze vreeselijk te gillen en dat leek veel op het gekrijsch van een opgejaagden zwerm vogels. Nu kon ik ook met mijn vrij-gemaakte hand mijn haar aan den linkerkant losmaken, zoodat nu nog maar alleen de rechterkant aan den grond bevestigd bleef. Maar toen begon er een "Tolgo phonac!" te roepen en meer dan honderd pijlen verwondden mijn hand als waren het muggenbeeten. Toen schoten zij in de lucht zoodat de pijlen mij in mijn gezicht vielen en door de wonden, die daardoor ontstonden kreeg ik zoo'n vreeselijken jeuk, dat ik het uitschreeuwde. Zij probeerden ook mij met hunne speren te doorboren, maar daar ik een leeren wambuis droeg, gelukte hun dit niet. Ten slotte dacht ik bij mijzelf: "het verstandigste is maar, dat ik mij voorloopig kalm houd en den nacht afwacht, dan komt alles wel terecht!"

Ik begon maar dadelijk te zwemmen.

Ik begon maar dadelijk te zwemmen.
Ik begon maar dadelijk te zwemmen.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings