← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK X.

Reading edition

ONZE HELD VERRICHT WEDEROM EEN GOEDE DAAD, MAAR OOGST SNOODEN ONDANK.

Er kwamen nu zes gezanten uit Blefusku met groote praal en met een gevolg van vijfhonderd personen om vredesonderhandelingen aan te knoopen. Er werd dan ook inderdaad vrede gesloten en wel onder voorwaarden, die voor onzen keizer en zijn land zeer voordeelig waren, al kon Zijne Majesteit ook niet alles wat hij wilde, doorzetten. Als "Nardak" moest ik tegenwoordig zijn bij de vredesonderhandelingen en het gelukte mij ook vaak mijne voorstellen er door te krijgen waardoor vele voorwaarden verzacht werden, die oorspronkelijk veel te hard, en daardoor onrechtvaardig en onverstandig waren en slechts aanleiding tot een nieuwen oorlog konden geven.

De gezanten van Blefusku hadden ondervonden, dat ik herhaaldelijk te hunner gunste had gesproken en toen nu hunne politieke aangelegenheden geëindigd waren, lieten zij mij vragen of hun bezoek mij aangenaam zou zijn. Ik dacht wel bij mijzelf, dat ik door dit bezoek mijnen vijanden voedsel zou geven voor hun haat tegen mij, maar ik antwoordde toch, dat het mij aangenaam zou zijn.

Ik verzocht den heeren beleefd, in mijn rechterhand te komen en liet ze daar op mijn snuifdoos plaats nemen. Ze bedankten mij vriendelijk voor de diensten, die ik hun had bewezen, put'ten zich uit in complimenten over mijn dapperheid en brachten mij ten slotte een uitnoodiging van hunnen keizer over, die naar zij zeiden, mij zeer waardeerde, en wien het aangenaam zou zijn mij in zijn land te kunnen begroeten. Ik nam ook deze uitnoodiging aan, hoewel ik best wist, dat daaraan wel eenig gevaar was verbonden. Bij het afscheid nemen verzochten mij de heeren hun nog eenige staaltjes van mijn fabelachtige lichaamskracht te toonen. Ik deed dit gaarne, maar ik wil niet stil staan bij de opsomming daarvan, want dat zou net zijn alsof ik zou willen opsnijden en per slot van rekening is het toch geen kunst menschen ter grootte van eenen vinger bewondering af te dwingen.

Het gesprek, dat wij voerden, werd in het Liliputsch gehouden. Natuurlijk zou ik de taal der Blefuskuneezen niet verstaan hebben, maar de gezanten zouden eenen tolk meegenomen kunnen hebben, dit hadden zij echter niet gedaan, omdat zij mij eene bizondere beleefdheid wilden bewijzen.

Des te meer moest ik dit waardeeren, omdat beide volken groote minachting voor elkaars taal hadden. De Liliputters beweerden, dat de Blefuskuneezen kakelden als kippen, wanneer zij eieren leggen, en zij zelf zijn zeer trotsch op de schoonheid van hunne eigen taal.

De Blefuskuneezen daarentegen beweren, dat de Liliputters spraken alsof zij een heete aardappel in hun keel hadden, maar zij dwepen met hunne eigen taal. Aangezien er nu echter in tijden van vrede een levendig verkeer tusschen beide rijken bestaat en het voor zaken-doen en geld-te-verdienen zeer noodig is elkaars taal te kennen, zijn er in beide landen slechts weinig beschaafde menschen, die beide talen niet eenigszins machtig zijn.

Uit hoofde van de artikelen, die ik had bezworen, moest ik den keizer natuurlijk vergunning vragen of ik dit bezoek in Blefusku mocht maken. Hij gaf mij daartoe wel verlof, maar hij deed dit op een zeer koelen toon, en hij behandelde mij trouwens zeer uit de hoogte. Later vernam ik, dat mijne vijanden mij, bij hem naar aanleiding van het bezoek der gezanten, zeer verdacht hadden gemaakt. Zij zeiden, dat het duidelijk bleek, dat ik met den vijand des lands heulde. Ik heb al gezegd, dat de keizer mij niet vergeven kon, dat ik het niet eens was met zijne veroveringsplannen. Daar kwamen nog allerlei kleine onaangenaamheden bij. Zooals men reeds weet, moest ik het geheele rijk omloopen om de grootte ervan vast te stellen. Ik deed dit trouw en niettegenstaande ik mijn best deed niet te groote stappen te nemen, was toch de keizer zichtbaar uit zijn humeur toen ik reeds na twee en een half uur terug kwam en hem berichtte, dat het maar 16.231 passen waren geweest. Uit dit alles begon ik langzamerhand te merken, dat vorsten en ministers ook geen volmaakte menschen zijn.

Volgens de artikelen die ik had bezworen, had ik ook nog op mij genomen, desgevraagd velerlei andere diensten te bewijzen, maar ik moet eerlijkheidshalve van den keizer zeggen, dat hij sinds ik "Nardak" was, daarvan geen misbruik maakte, ja, dat hij ze eigenlijk zelfs niet van mij verlangde, maar spoedig daarop zou zich een omstandigheid voordoen, dat ik hem een dienst zou bewijzen zonder dat ik hem daarom vroeg.

Toen ik op zekeren nacht rustig lag te slapen, ontwaakte ik plotseling door een gevoel alsof een muis mij in mijne neus had gebeten. Ik sprong op, greep naar mijn neus en ik ontdekte eenen Liliputter, die zich aan mijn snor vastklampte.

"Neem mij niet kwalijk, Excellentie," zei hij, "dat ik u in uw neus kneep, maar ik wist geen ander middel om u wakker te maken. Kom gauw mee, en help ons. De vleugel van het paleis van Hare Majesteit staat in brand!"

Binnen drie seconden was ik opgesprongen, en had in alle haast mijn jas over mijn nachtgoed aangetrokken.

Voor mijne woning vond ik eene menigte menschen, die mij smeekten mij toch te haasten om zoo spoedig mogelijk te kunnen helpen. Men vertelde mij onderweg, dat de brand ontstaan was door onachtzaamheid van een hofdame die bij kaarslicht een Blefuskuneesche ridderroman had gelezen en daarbij was ingeslapen.

Ik wierp mijn kleeren op de vlammen en verstikte zoo in eenige seconden het vuur.

Ik wierp mijn kleeren op de vlammen en verstikte zoo in eenige seconden het vuur.
Ik wierp mijn kleeren op de vlammen en verstikte zoo in eenige seconden het vuur.

Daar men mij verwachtte en de straat voor mij had ontruimd en bovendien de maan ook scheen, kwam ik zonder ook maar iemand dood te trappen, op de plaats van den brand aan. Men was natuurlijk bezig den brand met water te blusschen, dat men met reusachtige emmers ter grootte van eenen vingerhoed aanvoerde. Daar echter de plaats waar men het water haalde tamelijk ver weg was, hielp het blusschen niets en de brand breidde zich hoe langer hoe verder uit. Het heele prachtige paleis, een wonderwerk van architectuur, waaraan vele geslachten gebouwd hadden, zou tot op den grond toe zijn afgebrand, wanneer het mij niet plotseling zou zijn ingevallen hoe ik zou kunnen redden. Ik scheurde mijne kleeren van het lijf, wierp ze op de vlammen, en verstikte op deze wijze in eenige seconden het vuur. Het bange zwijgen der menigte loste zich nu in een gejuich van vele duizenden op, maar huiverig kroop ik in mijne kleeren en vloog zonder den dank van den keizer en van de keizerin af te wachten naar huis en kroop weer onder de dekens.

De dank van den keizer en de keizerin was echter zeer zonderling. De keizer liet heelemaal niet van zich hooren, maar ik vernam, dat keizerin Simpilla tot in het diepst van haar ziel was gekrenkt, omdat ik het gewaagd had mij in mijn nachthemd binnen de muren van het paleis voor de oogen van Hare Majesteit en de hofdames te vertoonen.

Ik mocht haar nooit in mijn leven meer onder de oogen komen.

Er heerscht inderdaad in dit land een zeer streng gevoel van fatsoen. Men mocht alleen aan een hofbal slechts in een hemd gekleed verschijnen. In ieder ander geval werd men met den dood gestraft. Wel liet de keizer mij weten, dat hij alles zou probeeren om gratie voor mij bij den Raad van Staten te verkrijgen, maar dag op dag verstreek, zonder dat de gratie kwam. De keizerin bleef onverzoenlijk en in dit geval had zij schijnbaar meer invloed dan de alleenheerscher der allerheerschers.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings