← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK VI.

Reading edition

EEN PLECHTIGE TRIOMFTOCHT EN EEN PLECHTIGE OVEREENKOMST.

De keizer was reeds verscheidene malen als overwinnaar uit den strijd gekomen en hij was dan steeds na het beëindigen van den oorlog door een prachtige eerepoort, die dan voor hem was opgericht, naar zijne hoofdstad teruggekeerd. Hij hield dol veel van dergelijke vertooningen en nu was de gedachte bij hem opgekomen, dat ik maar eens als eerepoort moest dienst doen, en een eerepoort moest vormen, zòo verheven en zòo buitengewoon als er nog nooit een voor hem was opgericht. Ik moest rechtop gaan staan en daarbij de beenen zoo ver van elkaar spreiden als maar eenigszins mogelijk was. Dan wilde hij aan het hoofd van zijne troepen voor de oogen van Hare Majesteit de keizerin als overwinnaar tusschen mijne beenen doorrijden. Ik willigde zijn verzoek natuurlijk in en de keizer gaf den veldmaarschalk daartoe de noodige bevelen. Deze opperbevelhebber, een oude, brave ijzervreter, met groote, grijze snorren zoo dik als een worm en met een vervaarlijke bas als van een kikvorsch, was bovendien mijn beschermer en hield heel veel van mij. Hij stelde nu de infanterie op, en plaatste vier-en-twintig man in eene rij, en ook de cavallerie, waarvan hij zestien in eene rij plaatste. Toen trokken met muziek, met wapperende vaandels, en getrokken sabels drie duizend man infanterie en duizend man cavallerie onder mij door! Daar mijn broek erg versleten was, had ik hem van te voren versteld, en had ik mij, daar ik geen naald en draad bezat door een cavallerist een degen en door een touwslager wat sterk touw laten geven.

Voor den keizer en de keizerin was deze triomftocht klaarblijkelijk een verheven schouwspel, maar voor mij minder, want de optocht duurde meer dan anderhalf uur. Meer dan eenmaal voelde ik de verzoeking bij mij opkomen mijne beenen samen te trekken maar daarmede zou ik zeker de gunst van den vorst hebben verspeeld, en die had ik toch zoo zeer voor mijne bevrijding noodig.

Ik drong steeds op nieuw met verzoeken en smeekschriften op mijn bevrijding aan, totdat de keizer ze eindelijk eerst door de ministers liet behandelen, en ze daarna naar den Raad van Staten ter inzage zond.

Niemand was tegen mijne bevrijding behalve de "Galbet", de admiraal van het rijk, genaamd Skyresch Balgolam. Deze, wel bekwame, maar sombere en nurksche man, had mij van af het eerste oogenblik niet mogen lijden, waarom wist ik niet. Na veel heen en weer gepraat verklaarde hij eindelijk, dat hij het goed vond wanneer hij de voorwaarden voor mijne vrijheid mocht vaststellen. Dat werd hem toegestaan en zoo verscheen hij dan door verscheiden staatsambtenaren begeleid, om mij de keizerlijke oorkonde in betrekking tot mijne bevrijding voor te lezen. Ik deel daaruit het volgende vertaald mee:

"Bimbul Galbasto Mamarem Evlame Gurdelo Chefin Mully Ully Gue, de allergrootmachtigste keizer van Liliput, de vreugde en de schrik van het heelal, wiens bezittingen zich over vijfduizend Blustrugs[1] tot aan de uiterste grenzen van den aardbol uitstrekken, de alleenheerscher van alle alleenheerschers, die grooter is dan de zonen der menschen, wier voeten wortelden in het middelpunt der aarde, en wiens hoofd tegen de zon stoot, op wiens wenken de knieën der vorsten der aarde knikken; die vroolijk is gelijk de lente, mild gelijk de zomer, vruchtbaar gelijk de herfst en verschrikkelijk gelijk de winter. Zijn Allerverhevenste Majesteit doet den menschberg, die kort geleden in ons Hemelsche Rijk zijn intrede heeft gedaan, de volgende artikelen kennen die hij met een plechtigen eed moet bezweren en waaraan hij onvoorwaardelijk zich zal moeten houden."

Dit was de inleiding. Van de artikelen deel ik hierbij de volgende mede:

"De menschberg mag ons rijk niet verlaten zonder onze keizerlijke, verzegelde goedkeuring.

Hij mag slechts op hoofdwegen, echter niet op weiden of akkers gaan liggen of zitten, en wanneer hij wandelt moet hij zich ten zeerste in acht nemen, noch onze getrouwe onderdanen, noch hunne paarden, wagens, huizen of hun huisraad te vertrappen.

Wanneer Zijne Majesteit eene bizonder dringende zending te verrichtten heeft, neemt de menschberg op zich den ijlbode en zijn paard in zijn zak naar de plaats van bestemming te brengen en zoo noodig hem met het antwoord weer terug te brengen.

De menschberg moet in zijne vrije uren onze houthakkers bij het vellen der boomen, en onze handwerkslieden bij het bouwen van huizen en schepen helpen en zich ook op alle andere wijzen zoo nuttig mogelijk maken.

Hij moet binnen twee maanden de heele kust van ons rijk afgewandeld hebben om op die manier de uitgestrektheid van ons gebied zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen."

Het laatste artikel luidde ten slotte aldus:

"Nadat genoemde menschberg dit alles plechtig zal hebben bezworen, zal hem dagelijks aan spijs en drank zooveel gegeven worden als 4913 van onze gewone onderdanen per dag gebruiken. Ook zal hij vrijen toegang hebben tot onzen Allerhoogsteigen Persoon en kan hij zich ook verder in onze gunst en in onze genade verheugen.

Aldus gedaan op ons slot Belsabarak den 12den dag van de 91ste maand van onze regeering."

De admiraal had dus in zijn minder goede gezindheid jegens mij verscheidene bepalingen uit gedacht, die nu niet juist aangenaam en eervol voor me waren, maar ik dacht bij mijzelf: "Als er in mijn land een in verhouding, even groote man zou komen, zou men hem niet anders behandelen." Daar ik bovendien zeer naar mijne vrijheid verlangde, bezwoer ik de artikelen eerst op de wijze van mijn land, door twee vingers van mijne rechterhand in de hoogte te steken, en vervolgens op de Liliputter wijze.

Deze plechtige handeling bestond daarin, door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en de rechterhand tegen den schedel te leggen...

Deze plechtige handeling bestond daarin, door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en de rechterhand tegen den schedel te leggen...
Deze plechtige handeling bestond daarin, door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en de rechterhand tegen den schedel te leggen...

Dit doet men door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en den middelvinger van de rechterhand tegen den schedel te leggen en den duim tegen het rechter oorlelletje. Nadat deze plechtige behandeling voltrokken was werden mijne ketenen dadelijk losgemaakt en ik viel den keizer te voet om hem mijne dankbaarheid te betuigen. De drukking van de lucht, die daardoor veroorzaakt werd, deed Zijne Majesteit wankelen en veroorzaakte een oogenblik gebrek aan adem, maar hij herstelde zich weer spoedig en sprak de hoop uit, dat ik een nuttige dienaar zou blijken en zijne talrijke reeds ontvangene, en misschien nog te ontvangen gunstbewijzen waardig zou blijken.

Toen ik aan eenen ambtenaar vroeg waarom men mij juist 4913 maal zooveel te eten gaf als eenen Liliputter, zeide hij mij, dat men vastgesteld had, dat ik 17 maal zoo dik en daarom ook wel 17 maal zoo breed en 17 maal zoo groot zou zijn als een Liliputter, en dat 17 × 17 × 17 = 4913. Mij bleek uit deze berekening den hoogen stand der wetenschap in het land van Liliput.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings