← Table of contents
Gulliver's Reis Naar Liliput

HOOFDSTUK XIII.

Reading edition

GULLIVER WORDT TE BLEFUSKU MET GROOT EERBETOON ONTVANGEN.

Het laat zich denken, dat ik de rest van den nacht niet slapend doorbracht. Voortdurend moest ik over dit vonnis nadenken. Het kwam zeker omdat ik geen hoveling en geen rechter was, dat ik dit vonnis zoo geheel anders beschouwde dan zij. Daar ik de veroordeelde was, vond ik het verre van zachtzinnig. Een oogenblik kwam de gedachte bij mij op naar mijne rechters te gaan, om mij te verdedigen, dan zouden zij wel moeten inzien, dat ik onschuldig was.

Maar al gauw herinnerde ik mij, dat de wil van den rechter altijd de juiste in Liliput is, dus ik kwam van mijn plan terug. Toen besloot ik mij eenvoudig tegen het vonnis te verzetten. Wat konden die kleine kereltjes doen als ik mij wilde verdedigen! Ik kon hun heele leger vertrappen en hunne steden verwoesten! Maar, ook van zulke gedachten kwam ik terug. Als ik dit plan volvoerde, zouden vele onschuldigen, die mij nooit kwaad hadden gedaan omkomen, en zoodoende zou ik heel wat meer kwaad gesticht hebben dan zij mij zouden aandoen. Ik was ook door een eed gebonden, en ik had ook van den keizer vele gunsten ontvangen. Wanneer deze kereltjes met vergiftige pijlen schoten waren zij bovendien gevaarlijk genoeg.

Ik achtte het dus verstandiger om eerst mijn bezoek in Blefusku af te leggen. Ik had immers van den keizer van Liliput daartoe verlof.

Heel in de vroegte ging ik met mijne dekens naar de haven, waar de buitgemaakte vloot lag, nam een van de oorlogsschepen, legde mijne kleeren en de dekens daarop, en waadde en zwom, het schip aan een touw achter mij medetrekkend, naar Blefusku. Toen ik geland was liepen natuurlijk de menschen van alle kanten toe, om mij te bekijken, maar het opzien dat ik verwekte was niet zoo groot als ik had verwacht. Natuurlijk hadden de gezanten en ook vroeger de bemanning van de vloot bij hun terugkeer uit Liliput van mij verteld en mij nauwkeurig beschreven. Deze verhalen waren van mond tot mond gegaan, en daarom was de verbazing niet zoo groot als destijds in Liliput. Ja, een aanzienlijke Blefuskunees, die vloeiend Liliputsch sprak zei zelfs: "Ik had mij u veèl grooter voorgesteld!" Hij en nog een andere heer hadden de vriendelijkheid mij den weg naar de hoofdstad te wijzen. Deze hoofdstad heet, even als het geheele eiland, Blefusku.

Toen ik geland was, liepen de menschen van alle kanten toe.

Toen ik geland was, liepen de menschen van alle kanten toe.
Toen ik geland was, liepen de menschen van alle kanten toe.

De menschen, die mij in groote scharen vergezelden, gedroegen zich behoorlijk en maakten het mij op geenerlei wijze lastig. Op 200 Meter afstand van de stad hield ik halt, en zond eenen bode naar den keizer. Reeds twee uur later kwam de bode terug met de mededeeling, dat Zijne Majesteit met zijne familie en met de geheele hofhouding naar mij toe zou komen. Ik vond, dat de beleefdheid eischte nog 100 Meter door te loopen en daàr, den vorst af te wachten. Hij kwam en behandelde mij geheel als ware ik een vorst, en zijn gelijke. Hij stapte van zijn paard, en hij bracht mij aan het verstand, dat ik hem in mijn hand moest nemen, en hem op zou tillen. Toen ik dat had gedaan, kuste hij mij volgens de etikette van het land eerst op het voorhoofd en daarna op de kin. Ik deed die beide dingen in eenen kus. Toen knielde ik voor de keizerin, kuste haar onderarm, die zij mij met een lief glimlachje toestak, en dankte ik haar in galante woorden voor zooveel minzaamheid. Daarna deelde ik Zijne Majesteit mede, dat ik met goedvinden van Zijne Majesteit Bimbul van Liliput kwam, om zooals ik beloofd had, den machtigen heerscher van Blefusku alle diensten te bewijzen, die in mijn macht stonden, en die met mijn plichten tegenover Liliput vereenigbaar waren. Ik vertelde natuurlijk niet, dat ik bij keizer Bimbul in ongenade was gevallen. Ik veronderstelde natuurlijk, dat de Liliputters niet over mijn proces zouden spreken zoolang ik buitenslands was. Daarin had ik mij deerlijk vergist.

In vriendelijke woorden heette Zijne Majesteit mij welkom en dankte hij mij voor mijne aanbieding, en daarna verzocht hij mij aan tafel te gaan. Deze was te mijner eere in de open lucht gedekt, omdat ik onder een dak geen plaats gevonden zou hebben. De tafel zag er met hare bloemstukken van een duim hoog, met haar prachtige kristallen karaffen en glazen en haar duim-hooge gouden en zilveren vruchtenschalen, buitengewoon mooi uit. De Blefuskuneesche keuken is beroemd en de spijzen waren voortreffelijk toebereid, maar helaas alle zeer licht en weinig voedzaam. Ik schaamde mij bepaald, dat ik alleen ruim duizend lamskotteletten en twee duizend kwartels opat, en toen de maaltijd afgeloopen was, was ik nog niet eens verzadigd. 's Avonds had eveneens te mijner eer, in de open lucht een gala-opera plaats. Het muzikale genot was zeer twijfelachtig. De orkestmuziek klonk precies eender als het geluid van duizend musschen, wanneer zij om een kers vechten, maar de keizer verzekerde mij, dat deze opera het nieuwste werk was van den beroemdsten componist van den tegenwoordigen tijd.

Toen op het tooneel een zanger kwam, wiens laagste toon zoo hoog was als de hoogste toon van een zangeres bij ons, zeide de keizer tot mij: "Dit is onze diepste bas." Toen later echter de grootste opera-zangeres begon te zingen, klonk het precies alsof men met een heel fijne naald een gat prikt, in eene geheel met lucht gevulde varkensblaas, waardoor dan piepend de lucht ontsnapt.

Aan het einde van dit bedrijf, dacht ik dat het beleefd was krachtig, in mijne handen te klappen. Het gevolg daarvan was, dat in mijne nabijheid ongeveer zeven honderd menschen van hunne stoelen tuimelden, dat vele dames flauw vielen, en dat allen van hunne stoelen opsprongen in de meening, dat er een verschrikkelijke ramp had plaats gehad. Het duurde lang voor ik de menschen had gerust gesteld met de verklaring, dat men in mijn land op deze wijze blijk geeft van zijn bijval. Tot mijn diepe droefheid, vernam ik den volgenden dag, dat vele van de hofhouding, die in mijne nabijheid zaten, tengevolge van den luchtdruk, dien ik door mijn klappen had veroorzaakt, heftig verkouden waren geworden.

Ondanks zijne gastvrijheid was het in dit land met de woningtoestanden zeer slecht gesteld. Er was geen gebouw, dat mij een onderdak kon aanbieden en daarom moest ik mij op een renbaan voor de poorten van de stad uitstrekken, maar daar sliep ik in mijne dekens gewikkeld toch zeer goed, omdat ik den vorigen nacht niet veel had gerust.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings