De terugkeer.
Reading edition
Nooit had John Watkins in zulk een booze luim verkeerd, dan sedert het vertrek der vier mededingers, die den vluchtenden Makatit zouden vervolgen. Iedere dag, iedere week, die voorbij snelde, scheen hem een karaktergebrek te meer te verleenen, terwijl de kansen, die hij meende te hebben tot terugerlanging van den kostbaren diamant, al minder en minder werden. Daar kwam nog bij, dat hem zijne gewone tafelschuimers ontbraken, te weten: James Hilton, Friedel, Hannibal Pantalucci en zelfs Cyprianus, dien hij gewoon was in zijn gezelschap te zien. Hij zocht dus zijn troost in zijne jeneverkruik en, het moet wel erkend worden, die alcoholische troost was niet geschikt om zijne inborst te verzachten.
Men had bovendien wel reden op de hoeve zich omtrent het lot der overblijvenden van den tocht ongerust te maken. Want inderdaad, Bardik, die door eene bende Kaffers opgelicht werd, was er in geslaagd, eenige dagen later te ontsnappen. Bij zijn terugkeer in Grikwaland had hij John Watkins den dood van James Hilton en van Friedel medegedeeld. Dat was wel een slecht voorteeken voor de overlevenden, namelijk voor Cyprianus Méré, voor Hannibal Pantalucci en voor den Chinees Li.
Alice gevoelde zich dan ook zeer ongelukkig. Zij zong niet meer en haar piano bleef volmaakt stom. Ter nauwernood konden hare struisvogels haar nog eenige belangstelling inboezemen. Zelfs Dada had het voorrecht niet meer hare meesteres door haar gulzigheid [105] te doen glimlachen. Zij slokte straffeloos de meest uiteenloopende zaken naar binnen, zonder dat iemand dat belette.
Miss Watkins zat nu tusschen twee vreezen benepen, die al grooter en grooter in hare verbeelding werden. De eerste was: dat Cyprianus nimmer van dien verwenschten tocht zoude wederkeeren; de tweede: dat Hannibal Pantalucci, de meest verafschuwde der drie mededingers om hare hand de Zuidster kon terugbrengen en den prijs van zijn welslagen kon vorderen. Het denkbeeld dat zij genoodzaakt zou kunnen worden als de wederhelft op te treden van dien boosaardigen en sluwen Napolitaan, die haar eene onoverwinnelijke walging inboezemde, vooral sedert zij een meer bevallig mensch, als Cyprianus Méré van nabij had leeren kennen en waardeeren, was haar onverdragelijk, maar die gedachte was toch niet te verdrijven. Zij dacht er over dag en zij droomde er des nachts van. Hare frissche kleur verbleekte en hare blauwe oogen benevelden zich met een somber waas.
Nu wachtte zij zoo reeds drie maanden in zak en asch. Dien avond juist zat zij bij de lamp, terwijl haar vader bij zijne kruik jenever ingedommeld was. Zij had het hoofd over eenig borduurwerk, dat zij ter hand genomen had, om de verwaarloosde muziek te vervangen, voorover gebogen, en mijmerde zoo droefgeestig mogelijk.
Een bescheiden geklop brak plotseling hare droomerijen af.
“Binnen!” riep zij, vrij verwonderd, dat iemand nog zoo laat kon komen.
“Ik ben het slechts, miss Watkins,” antwoordde eene stem, die haar deed trillen. Het was de stem van Cyprianus.
Hij was het waarlijk, maar bleek, vermagerd, door de zon gebruind, met een langen baard, die hem schier onherkenbaar maakte, met kleêren aan het lijf, die door de gebeurtenissen, welke zij beleefd hadden, meer dan geleden hadden. Maar al zag hij er armzalig uit, hij was steeds vlug ter been, steeds beschaafd en beleefd, met een helderen blik en een glimlach op de lippen.
Alice was met een kreet van verwondering en vreugde opgesprongen. Met hare eene hand poogde zij het kloppen van haar hart te bedwingen, de andere stak zij evenwel den jeugdigen ingenieur toe, die haar greep, haar tusschen de zijne sloot, toen master Watkins, uit zijne dommeling ontwakende, de oogen opende en vroeg wat er toch gaande was.
De dronkaard had een paar minuten noodig, om zich omtrent de werkelijkheid rekenschap te geven. Maar nauwelijks was een sprank van bewustzijn in dat hoofd teruggekeerd, toen hem een kreet—ja, waarlijk een kreet des harten ontsnapte:
“En de diamant?”
De diamant? Helaas! neen, die was niet mee teruggekomen.
Cyprianus verhaalde vlug al de verschillende tafereelen der expeditie: hoe Friedel, Hannibal Pantalucci en James Hilton den dood gevonden hadden. Hij vertelde de vervolging van Makatit, diens gevangenschap bij Tonaïa, maar hij verzweeg diens terugkeer in Grikwaland,—hoewel hij openhartig zijn zekerheid mededeelde, omtrent de onschuld van den jeugdigen Kaffer. Hij vergat niet zijn volle waardeering omtrent de toewijding van Bardik en van Li te doen blijken; hij bracht alle hulde aan de vriendschap van Pharamond Barthès en herinnerde zich gaarne alles, wat hij aan den koenen jager verschuldigd was, en hoe hij door zijne tusschenkomst het geluk had, om terug te komen van eene reis, die zoo noodlottig voor zijne tochtgenooten geweest was. Geheel onder den indruk van de aandoening, die hem zijn eigen tragisch verhaal inboezemde, bedekte hij wetens en willens met den mantel der liefde al de tekortkomingen en al de snoode en misdadige plannen zijner mededingers, en verkoos hij in hen niets anders te zien dan slachtoffers, omgekomen bij het najagen van een gemeenschappelijk doel. Hij verhaalde alles, behalve datgene waarvan hij geheimhouding gezworen had, te weten het bestaan van de wondergrot en van de rijkdommen aan mineralen, welke zij bevatte en waarbij vergeleken, al de diamanten van Grikwaland waardeloos grint waren.
“Tonaïa,” zoo eindigde hij zijn verhaal, “heeft stipt alle zijne overeenkomsten vervuld. Twee dagen nadat wij in zijne hoofdstad aangekomen waren, was alles tot ons vertrek gereed. [106] Alles, alles: zoowel mondvoorraad als de bespanningen en het eskorte. Ongeveer drie honderd negers, die met meel en gerookt vleesch beladen waren en onder de bevelen van den koning in persoon stonden, hebben ons tot bij het kampement vergezeld, waar wij onzen wagen in zeer goeden staat en onder struikgewas verborgen, terugvonden. Wij hebben toen afscheid van onzen gastheer genomen, na hem vijf geweren te hebben gegeven in plaats van vier, waarop hij rekende, waardoor hij de machtigste potentaat geworden is, die tusschen de Limpopo en de Zambezi-rivier aangetroffen kan worden!”
“Maar hoe is de reis geweest van dat kampement af?”.... vroeg miss Watkins.
“O, die terugreis ging zeer langzaam,” antwoordde Cyprianus, “hoewel wij daarbij geen moeielijkheden of wederwaardigheden ondervonden. Het eskorte heeft ons eerst op de grenzen van de Transvaal verlaten, waar ook Pharamond Barthès en zijne Bassuto’s afscheid van ons hebben genomen om naar Durban te reizen. Eindelijk na een marsch van veertien dagen dwars door het Veld, zijn wij hier aangekomen, evenwel niet rijker dan toen wij vertrokken.”
“Maar waarom is Makatit ontvlucht?” vroeg master Watkins, die dat verhaal met eene levendige belangstelling aangehoord had, evenwel zonder eene bijzondere aandoening te laten blijken omtrent de drie mannen, die niet meer terugkomen zouden.
“Makatit vluchtte, omdat hij ijlhoofdig van angst was,” antwoordde de jeugdige ingenieur.
“Bestaat er dan geen gerechtigheid meer in Grikwaland?” vroeg de pachter, terwijl hij de schouders optrok.
“Hoe het ook zij, ik herhaal dat hij niet schuldig is, en ik hoop dat men hem met rust zal laten.”
“Hm!” kuchte John Watkins, die de waarde van die betuiging niet bijster hoog scheen te schatten. “Zoudt ge niet eerder gelooven, dat die looze Makatit slechts de bangoor gespeeld heeft, om buiten het bereik der politie te geraken?”
“Neen!.... hij is onschuldig!.... Mijne overtuiging is dienaangaande onherroepelijk gevestigd!” antwoordde Cyprianus wel wat kortaf, “en ik heb die overtuiging duur genoeg gekocht, dunkt mij.”
“O, ik tast uwe overtuiging niet aan!” riep John Watkins uit, “maar laat mij ook de mijne!”
Alice zag in, dat die woordenwisseling in twist ontaarden zou. Zij haastte zich dus er eene afleiding aan te geven:
“A propos, mijnheer Cyprianus Méré,” zeide zij, “weet gij wel dat uwe claim gedurende uwe afwezigheid uitmuntend is geworden en dat uw vennoot Thomas Staal op weg is een der rijkste mijnwerkers van de Kopjes-mijn te worden?”
“Neen,” antwoordde Cyprianus openhartig, “dat wist ik niet. Mijn eerste bezoek heeft u gegolden, miss Watkins, en ik weet niets van hetgeen in mijne afwezigheid is voorgevallen.”
“Misschien hebt gij zelfs niet gegeten?” vroeg Alice met dat vrouwelijke instinct, hetwelk eene goede huismoeder kenmerkt.
“Dat beken ik gul uit,” antwoordde Cyprianus met een blos, hoewel er geen reden tot blozen bestond.
“Maar gij kunt toch zoo niet heengaan, zonder iets gegeten te hebben, mijnheer Méré!.... Een pas van ziekte herstellende.... na eene zoo moeielijke reis!.... Denk er toch aan, het is reeds elf uur in den avond!”
En zonder naar zijne tegenkantingen te luisteren, liep zij naar de huiskamer en kwam weldra met een blaadje terug, dat met een helderwitten doek overdekt was en waarop een paar borden met koud vleesch stonden, alsook een fraaie perziken-taart, die zij zelve gemaakt had.
De tafel was weldra gedekt voor Cyprianus, die geheel verlegen was. En daar hij scheen te aarzelen, om het mes in eene prachtige “biltong”, een soort verduurzaamd struisvogelenvleesch, te zetten, vroeg miss Watkins met haren frisschen glimlach:
“Zal ik het u voorsnijden?”
De vader van het meisje scheen bij dat gastronomisch vertoon eetlust te krijgen. Hij vroeg althans ook een bord en eene snede biltong. Alice haastte zich snel, om hem niet te laten wachten en, om de heeren gezelschap te houden, begon zij eenige amandelen te knabbelen.
Dat geïmproviseerde souper was verrukkelijk. [107] Nimmer had de jeugdige ingenieur zooveel eetlust ondervonden. Hij bediende zich drie malen van de perziken-taart, dronk twee glazen Constantiawijn en bekroonde die heldendaden luisterrijk door er in toe te stemmen de gin te proeven van master Watkins, die evenwel weer spoedig insliep.
“En wat hebt gij sedert drie maanden uitgevoerd?” vroeg Cyprianus aan Alice. “Ik vrees, dat gij al wat gij van de scheikunde geleerd hebt, vergeten zijt!”
“Daarin vergist gij u, mijnheer Méré,” antwoordde miss Watkins op ietwat verwijtenden toon. “Ik heb integendeel hard gestudeerd en ik heb mij zelfs veroorloofd eenige proeven in uw laboratorium te nemen. O! wees gerust, ik heb niets gebroken en ik heb alles weer op zijne plaats gezet. Ik houd veel van de scheikunde en ik heb nimmer kunnen begrijpen, dat gij die prachtige wetenschap hebt kunnen vaarwel zeggen, om mijnwerker in de Kopjes-mijn te worden!”
“Gij zijt wreed, miss Watkins. Gij weet zeer goed, waarom ik de scheikunde vaarwel gezegd had!”
“Ik.... ik weet er niets van,” antwoordde Alice hevig blozende. Ik vind dat gij zeer verkeerd gedaan hebt. Als ik in uwe plaats was dan zou ik andermaal beproeven diamanten te vervaardigen. Dat is veel netter dan zoo in den grond te wroeten.”
“Is dat een bevel, hetwelk gij mij geeft?” vroeg Cyprianus met eene ietwat bevende stem.
“O! geen bevel waarlijk niet,” antwoordde miss Watkins met een bekoorlijken glimlach. “Het is hoogstens een verzoek!.... Och, mijnheer Méré,” hernam zij ernstig, als om den luchtigen toon harer woorden te doen vergeten, “als gij wist hoe ongelukkig ik mij gevoelde bij het bewustzijn van al de vermoeienissen, van al de gevaren, die gij ondergaan, die gij geloopen hebt. Ik was natuurlijk onkundig van al die bijzonderheden, maar toch meende ik er het algemeene overzicht van geraden te hebben. Ik zei zoo in mij zelve: moet een man, die zoo geleerd is, die zoo voorbestemd is om groote zaken tot stand te brengen, groote ontdekkingen te doen, moet zoo iemand blootgesteld zijn, om ellendig in de woestijn om te komen, om te sterven tengevolge van den beet eener slang of onder den klauw van een tijger, zonder eenig voordeel voor de wetenschap en voor de menschheid?.... Maar, het is waarlijk eene misdaad, hem te hebben laten vertrekken!.... En, ik had gelijk!.... want is het geen wonder bijna, dat gij teruggekomen zijt? Zonder uw vriend Pharamond Barthès, dien de hemel zegene, zoudt....”
Zij kon niet voortgaan; hare stem hokte; maar twee dikke tranen ontrolden aan hare schoone oogen en voltooiden haren gedachtengang, dien zij niet vermocht uit te spreken.
Cyprianus was op zijne beurt ook zeer ontroerd.
“Zie daar twee tranen, die voor mij kostbaarder zijn dan alle diamanten ter wereld en die mij alle de ondergane vermoeienissen, al waren zij nog veel grooter geweest, zouden doen vergeten,” sprak hij op eenvoudigen toon.
Er trad eene stilte in, die het meisje met haren gewonen takt verbrak, door het gesprek weer op het terrein der scheikunde terug te voeren.
Middernacht was reeds voorbij, toen Cyprianus naar zijne hut terugkeerde, waar een pak brieven uit Frankrijk aangekomen, op hem lagen te wachten. Die brieven waren zorgvuldig door miss Watkins op zijne werktafel gerangschikt.
Zooals het meermalen na eene lange afwezigheid gebeurt, hij was bang om die brieven te openen. Als zij hem eens de tijding van eenig ongeluk overbrachten!.... Zijn vader, zijn moeder, zijn zusje Johanna!.... Zoo veel had toch gedurende die drie maanden kunnen gebeuren!
Hem ontsnapte een zucht van verlichting, toen hij zich overtuigd had, dat die brieven slechts stof tot tevredenheid bevatten. Al de zijnen waren welvarend. Van het ministerie ontving hij slechts warme lofuitingen ten opzichte van zijne fraaie stelling omtrent de diamantvormingen. Hij kon zijn verblijf in Grikwaland nog een semester rekken, wanneer hij dat dienstig voor de wetenschap achtte. Alles was dus ten beste geschikt en Cyprianus sliep dien nacht in, met zulk een verlicht gemoed als hij in lang niet ondervonden had. [108]
De voormiddag van den anderen dag werd besteed om zijne vrienden te bezoeken, voornamelijk Thomas Staal, die werkelijk prachtige vondsten op de gezamenlijke claim gedaan had. De brave kerel uit Lancashire ontving zijn vennoot met de meeste hartelijkheid en kwam met Cyprianus overeen, dat Bardik en Li evenals vroeger hunne werkzaamheden hervatten zouden. Hij behield zich voor, om, wanneer hunne nasporingen met goed gevolg bekroond werden, hun een deel van de winst af te staan en zoodoende een klein kapitaal te verzekeren.
Wat Cyprianus betrof, hij was vastbesloten de kansen van het mijnleven die hem steeds ongunstig geweest waren, niet meer te beproeven. Hij volgde daarbij den wensch op van Alice en besloot derhalve zijne scheikundige nasporingen te hervatten.
Zijn onderhoud met het jonge meisje had tot niets anders geleid, dan om zijne eigene overwegingen te bekrachtigen. Hij had zich zelven reeds sedert lang gezegd, dat zijn pad, het pad niet was van handenarbeid, ook niet der avontuurlijke tochten. Hij was te loyaal van karakter en te trouw aan het eenmaal gegeven woord, om er een oogenblik aan te denken misbruik van het vertrouwen van Tonaïa te maken, en de kennis der onmetelijke grot, met kristalformatiën gevuld, te benuttigen; maar hij vond in die daadwerkelijke zekerheid eene te kostbare bevestiging van zijne stelling over de diamantlegeringen, om daaruit niet een nieuwen grond voor zijne onderzoekingen te putten.
Cyprianus hervatte dus zijn laboratorium-bestaan, zooals hij dat noemde. Hij wilde evenwel het pad niet verlaten, waarop hij reeds eenmaal geslaagd was en was dan ook vast besloten op dien weg zijne eerste nasporingen te vervolgen.
Er was daarvoor een reden, een der meest geldende redenen, zooals men zien zal.
Sedert toch de kunstmatige diamant als onherroepelijk verloren moest beschouwd worden, sprak master Watkins, die eerst met het huwelijk van Cyprianus en Alice scheen in te stemmen, er in het geheel niet meer over.
Nu was het waarschijnlijk, dat wanneer de jeugdige ingenieur er in slaagde, andermaal een diamant van overgroote waarde te vervaardigen, die bijvoorbeeld op ettelijke millioenen zou geschat worden, de Engelschman wel weer tot zijn vroegere opvattingen zou terug te brengen zijn.
Vandaar dan ook het besluit, om zich zonder dralen weer aan den arbeid te zetten; en Cyprianus hield dat niet genoegzaam geheim voor de arbeiders in de Vandergaart-Kopjes-mijn.
Nadat hij zich andermaal eene buis, welker wanden een groot weerstandsvermogen bezaten, aangeschaft had, begon hij andermaal zijne werkzaamheid.
“En toch, wat mij ontbreekt,” zei hij tot Alice, “om gekristalliseerde koolstof, d.w.z. diamant te bekomen, dat is een doelmatig oplossingsmiddel, dat hetzij door verdamping, hetzij door afkoeling, de koolstof laat kristalliseeren. Voor het aluminium heeft men dat oplossingsmiddel in de zwavelzure koolstof gevonden. Het komt er nu op aan om bij wijze van overeenkomst voor de koolstof, of voor de daarmee vrijwel overeenkomende lichamen als het borium en silicium, zulk een oplossingsmiddel te vinden.”
Intusschen zette Cyprianus, hoewel hij dat oplossingsmiddel niet bezat, alle haast bij zijn werk. Bij afwezigheid van Makatit, die zich voorzichtigheidshalve nog niet in het kamp vertoond had, was Bardik thans belast om het vuur dag en nacht levendig te houden. Die taak vervulde hij met denzelfden ijver als zijn voorganger.
Inmiddels wilde Cyprianus, in het vooruitzicht van na afloop van zijn verlenging van verblijf in Grikwaland, genoodzaakt te zijn naar Europa terug te keeren, zich van een arbeid kwijten, die op het programma zijner uit te voeren verrichtingen voorkwam, maar dien hij nog niet had kunnen ondernemen. Dat was de nauwkeurige ligging aan te geven eener terreinplooi, die noordwestwaarts van de vlakte aangetroffen werd. De terreinplooi beschouwde hij, of beter verdacht hij te zijn de trechter waardoor de wateren weggevloeid waren in het lang vervlogen tijdperk, waarin de diamant-vormingen van het district door de natuur tot stand gebracht waren.
Vijf of zes dagen na zijn terugkeer [109] in de Transvaal, hield hij zich dus onledig met die plaatsbepaling en deed dat met de hem eigene nauwgezetheid, die hij bij alles wat hij ondernam, betrachtte. Nu was hij sedert een uur bezig om bakens te plaatsen en die op eene topografische kaart op groote schaal, die hij zich te Kimberley aangeschaft had, als vaste punten aan te teekenen. Maar opmerkenswaardig was het daarbij, dat zich steeds bij zijne becijfering eene groote vergissing of minstens eene minder goede overeenkomst met die kaart voordeed. Eindelijk was het niet meer te ontkennen, dat die kaart onnauwkeurig georiënteerd was; de breedten en de lengten daarvan waren foutief.
Cyprianus had nauwkeurig op het middaguur gebruik gemaakt van een uitmuntenden chronometer, die volgens de Sterrenwacht van Parijs geregeld was, om de lengte van de plaats te bepalen. Hij was daarbij volkomen verzekerd van de onfeilbaarheid van zijne boussole en van zijn deklinatie-kompas. Hij kon dus geen oogenblik aarzelen om te erkennen, dat de kaart waarop hij zijne punten vastlegde, geheel dwaalde door een groote fout in de oriëntatie.
En inderdaad, het noorden van die kaart, hetwelk op Britsche wijze door een opstaanden pijl aangegeven was, bevond zich in het werkelijke noord-noord-westen. Een gevolg daarvan was, dat al de aanwijzingen der kaart noodwendig in diezelfde evenredigheid dwaalden.
Hij lachte om den beganen bok. Hij had evenwel geen enkele reden om hem te herstellen in de ligging ten opzichte der diamanthoudende terreinen van het district, hetwelk noodzakelijk plaats moest hebben. Toen hij dienzelfden avond naar de pachthoeve terugkeerde, ontmoette hij Jakobus Vandergaart en deelde hij hem zijne bevinding mede.
“Het is waarachtig opmerkenswaardig,” zeide hij, “dat zulk eene groote geodesische dwaling, die op al de terreinplannen van het district invloed heeft moeten hebben, nog niet opgemerkt en aangewezen is. Zij maakt eene aanmerkelijke verbetering van al de kaarten van het geheele land noodzakelijk.”
De oude diamantslijper keek Cyprianus met een zonderlingen blik aan.
“Is het waar, wat ge zegt?” vroeg hij. “En zoudt gij bereid zijn dat feit voor de rechtbank te bevestigen?”
“Wel voor tien rechtbanken, als het noodig ware!”
“En dat feit is niet te weerspreken?”
“Volstrekt niet, daar het voldoende zal zijn, de oorzaak van de dwaling op te geven. Zij is bij mijne ziel tastbaar genoeg! Het veronachtzamen van de afwijking van de magneetnaald bij topografische opnemingen! Het is ongehoord!”
Jakobus Vandergaart verwijderde zich zonder verder iets te zeggen, en Cyprianus had weldra vergeten met welk zonderlinge oplettendheid de diamantslijper het feit nagegaan had, welke invloed door die geodesische dwaling op de terreinplannen van het distrikt veroorzaakt was.
Toen evenwel Cyprianus twee of drie dagen later den ouden diamantslijper een bezoek wilde brengen, vond hij de deur gesloten.
Op de lei, die aan den klopper vastgehecht was, las hij de woorden, die kort geleden met krijt daarop geschreven waren: “Afwezig voor zaken.”